Linksom of rechtsom door de polycrisis 5 – De toekomsten van veiligheid, geopolitiek en de planetaire problematiek
MICHAEL J. ALBERT*
De socio-ecologische problematiek mag dan de belangrijkste bepalende factor zijn voor de mogelijke toekomsten van het wereld-aarde-systeem, maar ze maakt zeker niet de hele planetaire problematiek uit. Voor een completer overzicht moeten we onderzoeken hoe de geweldsproblematiek – het probleem van het reguleren en inperken van geweld, zowel binnen als tussen staten – op de mogelijke trajecten van de socio-ecologische problematiek inwerkt en deze vormgeeft.
Zoals ik in hoofdstuk 3 betoogd heb, is de geweldsproblematiek zelf een terrein van rivaliserende hegemonische projecten en contra-hegemonische strijd die ‘strategisch gekoppeld’ zijn aan hegemonische projecten binnen de socio-ecologische problematiek.[1] Ten opzichte van het kapitalistische wereld-systeem nemen de mondiale veiligheidsassemblages een meer gefragmenteerde vorm aan – met de VS, de EU, China, Rusland en andere landen die over relatief autonome ‘veiligheidsimperia’ beschikken, gebaseerd op hun eigen geopolitieke positionering, imperialistische ambities, angsten en kwetsbaarheden –, hoewel ze allemaal tot op zekere hoogte middels gedeelde technologieën, vertogen, strategieën en financiële banden met elkaar verstrengeld zijn.[2] Elke staat telt verschillende facties met rivaliserende visies en strategieën voor het nastreven van veiligheidsdoelen, die doorgaans georganiseerd zijn rond wat Jerry Harris ’transnationaal globalistische’ en ‘nationaal hegemonische’ blokken noemt (hoewel er overlappingen zijn).
Aan de globalistische kant bevinden zich diegenen die een coöperatieve benadering van de mondiale veiligheid nastreven die gericht is op het verdiepen van de economische integratie, terwijl er ondertussen politioneel toezicht wordt uitgeoefend op uiteenlopende vormen van niet-statelijk geweld, zowel binnenlands als transnationaal, die een bedreiging vormen voor de kapitaalaccumulatie.
Aan de ‘nationaal hegemonische’ kant bevinden zich de meer agressieve elementen die de voorkeur geven aan nationaal protectionisme boven transnationale integratie, die een grotere prioriteit geven aan de dreiging van geopolitieke rivalen dan aan die van niet-statelijke actoren en die pleiten voor het unilateraal nastreven van een mondiale hegemonie – een visie die door de regering-Trump-1 glashelder verwoord werd in haar National Defense Strategy uit 2018.[3]
Contra-hegemonische organisaties geven doorgaans een hele andere invulling aan de geweldsproblematiek. Te denken valt aan bewegingen die zich én verzetten tegen militarisme, surveillance, politiegeweld, xenofobe grenscontroles, massale opsluiting en geracialiseerde vormen van terrorismebestrijding, én zich uitspreken voor alternatieve (openbare) veiligheidspraktijken op basis van geweldloosheid, democratische verantwoordingsplicht en herstelrecht.[4]
Net als de socio-ecologische problematiek kan de veiligheidsproblematiek in kaart worden gebracht als een structuur van elkaar kruisende afhankelijkheidsrelaties die in de loop van de tijd verandert. Terwijl ik de socio-ecologische problematiek in hoofdstuk 4 relatief geïsoleerd ‘gekarteerd’ heb om zo de interne complexiteit ervan te kunnen onderzoeken, analyseer ik in dit hoofdstuk hoe de veiligheidsproblematiek en de veiligheidsassemblages co-evolueren met trajecten in de socio-ecologische problematiek. Daartoe ga ik op dezelfde manier te werk als in hoofdstuk 4: eerst beschrijf ik de afhankelijkheidsrelaties tussen de belangrijkste parameters en vervolgens tracht ik op verbeeldingsvolle wijze de verschillende mogelijke trajecten te construeren die de samenhang tussen deze parameters in stand houden.
1. Jessop, State Theory.
2. Besteman, Militarized Global Apartheid, pag. 120.
3. Jerry Harris, ‘The Conflict for Power in Transnational Class Theory’ (Science & Society 67, no. 3, 2003). Pag. 329-339.
4. Davis, Are Prisons Obsolete?; Kundnani, ‘Abolish National Security’; Elliot-Cooper, Black Resistance; M4BL, ‘2020 Policy Platform’.
Om de zaken te vereenvoudigen, zijn de breedste parameters waar ik me op richt de politieke economie, statelijk en niet-statelijk geweld, technologische progressie, klimaatverandering, energie en ideologie.
De parameter politieke economie richt zich binnen deze context in het bijzonder op de intensiteit van ‘structureel geweld’ binnen politiek-economisch systemen. Onder de noemer statelijk geweld vallen zowel interstatelijke conflicten als repressie door leger en politie. Daarbij moet echter benadrukt worden dat militair-politionele assemblages zowel traditionele veiligheidsdiensten omvatten als het geprivatiseerde militair-industriële-surveillance-gevangeniscomplex. Op dit moment althans moet dit geheel eerder als een uitbreiding dan als een vervanging van de staatsfuncties gezien worden, hoewel dat binnen een ineenstortingstraject zeker kan veranderen.[5]
Niet-statelijk ‘geweld’, zoals besproken in hoofdstuk 3, vormt eveneens een brede categorie, waarbij ik me voornamelijk focus op niet-statelijk ’terrorisme’ – simpelweg opgevat als de toepassing van dodelijk geweld om angst aan te jagen onder bevolkingen teneinde een politiek doel na te streven, een tactiek die zowel door staten als door niet-statelijke actoren wordt gebruikt – en onlusten van onderop die uiteen kunnen lopen van ‘gewelddadige’ tot ‘geweldloze’ vormen van protest (hier zij nogmaals opgemerkt dat dit een historisch instabiel en omstreden onderscheid betreft).
De technologieparameter heeft betrekking op ontwikkelingen op het vlak van AI, robotica, digitalisering (met name het internet der dingen), kernenergie, synthetische biologie en neurotechnologie.
De klimaatparameter behelst de toekomstige impact van klimaatverandering op de landbouw, de drinkwatervoorziening en de kritische infrastructuur. Deze parameter kan in potentie vormen van schaarste vergroten; schaarste die in sommige gevallen in conflicten kan uitmonden. Daarbij moet wel worden benadrukt dat ‘schaarste’ altijd een socio-ecologisch fenomeen is, oftewel een effect van politiek-economische structuren die én schade berokkenen aan en tot de uitputting leiden van ecologieën én de toegang tot bestaansmiddelen bemoeilijken.[6]
De energieparameter richt zich op hoe geopolitieke spanningen effect kunnen sorteren op de energietransitie en de impact die dat effect op zijn beurt op de klimaatcrisis kan hebben.
Tot de ideologieparameter moeten tot slot variabelen gerekend worden als nationalisme, racisme, masculiniteit en existentiële crises – stuk voor stuk factoren die bepalend zijn voor de geweldspatronen en de militair-politionele praktijken aan de hand waarvan gemeenschappen, steden en staten hierop reageren.
5. Richard Godfrey, Jo Brewis, Jo Grady e.a., ‘The Private Military Industry and Neoliberal Imperialism: Mapping the Terrain’ (Organization 21, no. 1, 2014). Pag. 106-125.
6. Scoones e.a., ‘Narratives of Scarcity’.
We beginnen met de causale basisrelatie die de structuur van politieke economieën verbindt met patronen van statelijk en niet-statelijk geweld. De eerste is de relatie ‘politieke economie → niet-statelijk geweld’, die in de eerste plaats wordt bepaald door de intensiteit van het structureel geweld dat inherent is aan een bepaald politiek-economisch systeem, door Johan Galtung gedefinieerd als het indirecte geweld van materiële ontbering dat door de sociale structuren gereproduceerd wordt, waardoor ‘de realisatie van het somatische en mentale potentieel van mensen […] achterblijft bij wat mogelijk is.'[7] Structureel geweld doet zich op verschillende schaalniveaus voor, zoals in relaties van uitbuiting tussen kapitaalbezitters en arbeiders, bij ongelijkheid op nationale schaal en bij de mondiale ongelijkheid die voorkomt uit processen van ecologisch ongelijke uitwisseling.[8] Hoewel dat niet altijd het geval is, zullen politieke economieën met hoge niveaus van structureel geweld over het algemeen meer niet-statelijk geweld voortbrengen. Dit komt bijvoorbeeld tot uiting in het verschijnsel dat landen die met een hoge werkloosheid en een grote mate van ongelijkheid kampen, vaker met geweldsmisdrijven en terrorisme worden geconfronteerd; het uit zich in het feit dat staten die in het verleden betrokken zijn geweest bij imperialistische praktijken en/of die repressieve regimes hebben gesteund, vaker het doelwit zijn van niet-statelijk terrorisme; en het openbaart zich voorts in de voor de hand liggende correlaties tussen ongelijkheid, onrechtvaardigheid en activistische opstanden.[9] In de woorden van de veelgebruikte slogan van Black Lives Matter en andere groeperingen: ‘Geen gerechtigheid, geen vrede!’
De intensiteit van het structureel geweld binnen staten is ook verbonden met de intensiteit van geopolitieke spanningen en van patronen van georganiseerd geweld tussen staten: een grotere mate van ongelijkheid, baanonzekerheid (precariaat) en verstorende economische ontwikkelingen verergeren vaak de materiële en existentiële onzekerheden, wat door opportunistische elites – vooral die uit de meer etno-nationalistische sectoren van de bestuurlijke en kapitalistische klassen – kan worden aangegrepen om nationalistische sentimenten aan te wakkeren en de aandacht af te leiden van de onderliggende economische malaise. Vandaar dat er vaak parallellen getrokken worden tussen de ‘dertigjarige crisis’ die de Eerste en Tweede Wereldoorlog omspande – en die goeddeels het product was van overhaaste kapitalistische ontwikkeling, de openstelling van markten en destabiliserende economische crises – en de recente opleving van rechts populisme en geopolitieke spanningen.[10]
De drijvende krachten achter die geopolitieke spanningen en interstatelijke conflicten zijn multidimensionaal van aard en omvatten ook verschuivingen in de patronen van onderlinge politiek-economische afhankelijkheid (zoals meer of minder handels- en financiële betrekkingen tussen staten), het tempo van economische groei en het machtsevenwicht tussen staten (zoals de relatieve neergang van de Amerikaanse macht tegenover de opkomst van China).[11] Van al die factoren is structureel geweld ontegenzeggelijk de belangrijkste. Zaken als een stagnerende groei, de overgang naar een meer multipolaire wereld en tanende handelsrelaties vergroten op zichzelf genomen niet noodzakelijkerwijs de kans op conflicten, want zoiets vereist een explosief mengsel van relatieve armoede en ontbering, een gevoel van marginalisatie ‘zonder hoop op enige verbetering van iemands omstandigheden’ en materiële en existentiële onzekerheden, die misbruikt kunnen worden voor het opstoken van sektarische spanningen of een oorlogszuchtig nationalisme.'[12]
7. Johan Galtung, ‘Violence, Peace, and Peace Research’ (Journal of Peace Research 6, no. 3, 1969). Pag. 167-191.
8. Dorninger e.a., ‘Ecologically Unequal Exchange’.
9. Hector Rufrancos e.a., ‘Income Inequality and Crime: A Review and Explanation of the Time Series Evidence’ (Sociology and Criminology 1, no. 1, 2013). Pag. 1-9; Ruth Blakeley, Nisha Kapoor, Arun Kundnani e.a., Leaving the War on Terror: A Progressive Alternative to Counter-Terrorism Policy (Amsterdam: Transnational Institute, 2019).
10. Patomaki, Political Economy of Global Security; Tooze, Crashed.
11. Szayna e.a., Conflict Trends.
12. David Kilcullen, Out of the Mountains: The Coming Age of the Urban Guerilla (Oxford: Oxford University Press, 2013). Pag. 247.
Politieke economieën met een hoger niveau van structureel en niet-statelijk geweld kennen op hun beurt doorgaans ook een hoger niveau van statelijk geweld in de vorm van krachtigere militair-politionele assemblages (oplopende geopolitieke spanningen tussen staten leiden natuurlijk ook tot stijgende investeringen in het militaire apparaat). Wil je een hegemonische formatie met een grote mate van ongelijkheid en uitbuiting in stand kunnen houden – of dat nu binnenslands of wereldwijd is –, dan vereist dat, simpel gesteld, grotere investeringen in militair-politionele assemblages om het daaruit voortvloeiende geweld en verzet ‘in toom te houden’.[13]
Politieke economieën met relatief veel structureel geweld zullen over het algemeen ook minder veerkrachtig zijn. Dit is niet alleen vanwege het geweld en het verzet dat ze oproepen, het komt ook door de druk die ze vervolgens ondervinden om een groter deel van hun middelen aan veiligheidsassemblages te besteden. Dit was een van de redenen waarom bijvoorbeeld het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime – dat zich verliet op een veiligheidsapparaat dat ‘ongelooflijk duur en omvangrijk was en miljoenen aan de staatskas onttrok’ – uiteindelijk ineenstortte, wat historisch gezien trouwens een bekend patroon is bij autoritaire regimes.[14] Ook binnen een traject van een zwalkend neoliberalisme voor individuele natiestaten en het wereld-systeem als geheel zullen toenemende ongelijkheid, uitbuiting en ongelijke ontwikkeling tot steeds hogere investeringen in veiligheidsassemblages leiden, en mettertijd dus tot een afnemende veerkracht.
De tweede is de relatie ‘politieke economie → statelijk geweld’, waarbij de rol benadrukt moet worden van bedrijven met een winstoogmerk bij het vormgeven van het nationale en mondiale veiligheidsbeleid. Tot deze privébedrijven behoren zowel de traditionele nationale wapenfabrikanten zoals Raytheon, Lockheed Martin en Northrop Grumman als de meer transnationale particuliere surveillance-gevangenis-grens-beveiligingsbedrijven zoals G4S, Securitas, Dyncorp en de NSO Group.[15] Daarbij kan de private militaire veiligheidsindustrie de veerkracht van een zwalkend neoliberaal regime op tenminste twee manieren vergroten.
Ten eerste creëert ze, eenvoudig gezegd, een machtig blok van mondiaal kapitaal dat rijkelijk profiteert van onveiligheid, oorlog, gemilitariseerde grenzen, gevangenissen en staatsrepressie. Dit blok omvat niet alleen de private militair-industriële bedrijven zelf, maar ook hun investeerders – waartoe ’s werelds grootste kapitaalbeheerders en banken behoren, zoals Blackrock, Vanguard, Goldman Sachs, Credit Suisse, Morgan Stanley en Capital Group – zowel als die onderdelen van het fossiele kapitaal die nauwe banden onderhouden met het militair-industrieel complex.[16]
Ten tweede schept de private militaire beveiligingsindustrie een lucratieve nieuwe markt voor een ‘overgeaccumuleerd’ kapitaal, die eraan kan bijdragen dat de kapitaalaccumulatie te midden van toenemende klimaatchaos en onveiligheid – beide versterkt door een traject van neoliberaal voortmodderen – gewoon doorgang blijft vinden, aangezien beide ontwikkelingen gepaard zullen gaan met een stijgende vraag naar private beveiligingsdiensten.[17]
Zodra veiligheid, in de woorden van George Rigakos, niet langer een ‘onproductief’ beslag op de middelen legt, maar ‘productief’ gemaakt kan worden voor de ‘nexus staat-kapitaal’, ‘vormt de fabricage van een inherent onveilige orde niet langer een bedreiging voor die orde, aangezien het behoud van die orde een industrie op zich is geworden.'[18] Algemeen gesproken vormt de private militaire veiligheidsindustrie dus een krachtige negatieve terugkoppeling voor politieke economieën, die het nog moeilijker zal maken om aan een zwalkend neoliberaal regime te ontsnappen. Toch zal een voortdurende uitbreiding ervan, zoals ik hieronder betoog, er niet zozeer voor zorgen dat het neoliberale traject voor eeuwig in stand wordt gehouden, maar (althans binnen de context van een technologisch traject dat geleidelijk en in kleine stapjes verloopt) juist eerder leidt tot een in tijd en ruimte ongelijke ineenstorting van het wereld-systeem.
13. Paul Rogers, Global Security and the War on Terror: Elite Power and the Illusion of Control (London: Routledge, 2008).
14. Besteman, Militarized Global Apartheid, pag. 126.
15. Godfrey e.a., ‘The Private Military Industry’; Robinson, Global Police State; Deibert, Reset; Williams, ‘Global Security Assemblages’.
16. Robinson, Global Police State, pag. 75-81.
17. Robinson, Global Police State.
18. Rigakos, Security/Capital, pag. 114.
Nu betrekken we de technologieparameter erbij. In navolging van Deudney [19] kan technologische verandering op tenminste drie manieren in de mogelijkheidsruimte voor statelijk en niet-statelijk geweld ingrijpen: (1) door de mogelijkheden van niet-statelijke actoren uit te breiden, zowel bij het plegen van terrorisme als bij criminaliteit of verzet; (2) door de staat-kapitalistische bevoegdheden op het gebied van surveillance en repressie door politie en leger uit te breiden; en (3) door de aard van de militaire rivaliteit en het risico op de escalatie van conflicten tussen staten te veranderen. Verderop bespreek ik de gevolgen hiervan voor interstatelijke conflicten, waarbij ik me in het bijzonder richt op de cyber-AI-kernwapen nexus, maar hier concentreer ik me op de implicaties voor het niet-statelijk geweld en de militair-politionele repressie.
Een van de belangrijkste punten, zoals eerder in hoofdstuk 1 werd besproken, is dat de huidige vooruitgang rond synthetische biologie, AI, robotica, het internet der dingen (IdD) en 3D-printing een ‘rijk assortiment aan “tweesnijdende zwaarden”’ met zich meebrengt die én het welzijn van de mens kan bevorderen én de beschikbaarheid van almaar krachtigere middelen van (massa)vernietiging kan democratiseren.[20] Te denken valt aan laboratoria en onderzoeksfaciliteiten voor genetische manipulatie; synthetische biologie voor de doe-het-zelver; openbaar toegankelijke databases waarin de genetische codes van gevaarlijke virussen zijn opgeslagen; 3D-printing en platformen voor cloudcomputing die het makkelijker maken om genomen te modificeren en die ervoor zorgen dat de kosten van drones rap dalen; en ‘slimme’ IdD-systemen die ‘de generatieve creativiteit van hun gebruikers stimuleren om nieuwe dingen, nieuwe wapens en nieuwe aanvalsmethoden uit te vinden en te bouwen.'[21] Tegelijkertijd maken deze technologische verbeteringen het ook mogelijk om wereldwijde veiligheidsassemblages op te tuigen die over ongekende mogelijkheden beschikken voor het massaal in de gaten houden van burgers en de toepassing van (dodelijk) geweld – waaronder gezichts- en emotieherkenning, ‘big data’-analyse, (dodelijke) drones die in ‘zwermen’ kunnen opereren, genetwerkte IdD-sensoren en (op termijn) neurotechnologieën.
Deze technologieën kunnen in sommige gevallen ook progressieve sociale bewegingen in de kaart spelen, bijvoorbeeld via digitale netwerken en campagnes op de sociale media. Maar gezien de manier waarop progressieve activisten aan alomtegenwoordige surveillance worden blootgesteld, de ongekende groei van het repressie-arsenaal van een gemilitariseerde ordehandhaving en een trend richting automatisering die het stakingswapen van arbeiders kan uithollen, zullen het eerder staten, kapitalisten en criminele en niet-statelijke terroristische netwerken zijn die van deze ‘vierde industriële revolutie’-technologieën profiteren dan progressieve sociale bewegingen (dat wil zeggen, tenzij er creatieve technieken ontwikkeld worden om deze technologieën voor progressieve verandering in te zetten).
Al deze technologieën vormen kritieke gebieden van geostrategische rivaliteit tussen de VS en China. Zo hecht het Chinese ‘Made in China 2025’-initiatief veel belang aan binnenlandse innovatie op het vlak van ai, synthetische biologie, robotica, kwantum-computing en andere ‘vierde industriële revolutie’-technologieën, terwijl de regering Biden op haar beurt claimde dat leiderschap bij deze technologieën een ‘absoluut vereiste is voor de nationale veiligheid’.[22] Indrukwekkende economische en geopolitieke krachten lijken zich te verenigen om de ontwikkeling van technologische innovaties te stimuleren die het geweldsvermogen van statelijke en niet-statelijke actoren zullen vergroten. Maar zoals hoofdstuk 4 liet zien, is een gestage opmars van deze ‘heerlijke nieuwe tech-wereld’ geen uitgemaakte zaak: klimaatchaos, politiek-economische neergang en/of contra-hegemonische ecosocialistische strijd kunnen dit technologische traject afremmen en het onderwerpen aan een stringentere democratische controle. Er bestaan dus verschillende mogelijke trajecten voor het complex van technologische innovatie, die elk een andere structuur voor de veiligheidsproblematiek met zich meebrengen.
Volgt de ontwikkeling van die innovaties bijvoorbeeld een meer geleidelijk traject, dan zal dit niet alleen grenzen stellen aan de democratisering van massavernietigingswapens, maar ook aan de militair-politionele slagkracht van staten. In dit scenario boeken AI en robotica weliswaar grote vooruitgang, maar kunnen ze hun ‘revolutionaire’ belofte niet inlossen – bijvoorbeeld doordat afnemende meeropbrengsten van het trainen van grote algoritmen gepaard gaan met almaar meer rekenkracht en data, of dat inherente beperkingen aan de behendigheid van robots een rem zetten op hun transformatieve potentieel.[23] Als gevolg daarvan zullen zowel de militair-politionele assemblages als de technologische werkloosheid veel minder ingrijpende vormen aannemen. Evenzo zal de synthetische biologie weliswaar in staat blijken om verbeterde gepersonaliseerde medicijnen aan de rijke bovenlaag aan te bieden, maar niet leiden tot baanbrekende doorbraken op het vlak van landbouw, energie en productiviteit – waar dan weer tegenover staat dat de nieuwe generatie biowapens voorbehouden blijft aan goed toegeruste militaire staatsapparaten.
Maar in een scenario van exponentiële technologische doorbraken zullen de technologische slagkracht van niet-statelijke terroristen en de militair-politionele repressie wel drastisch toenemen, wat minder bevorderlijk is voor een ecosocialistische transformatie en wat de opkomst van een techno-leviathan wellicht zal bespoedigen (zoals ik in de volgende aflevering betoog).
19. Deudney, Bounding Power.
20. Daniel Deudney, ‘Turbo Change: Accelerating Technological Disruption, Planetary Geopolitics, and Architectonic Metaphors’ (International Studies Review 20, 2018). Pag. 223-231.
21. Blum en Wittes, Future of Violence, pag. 39, 7-8.
22. Bade, ‘A Sea Change’.
23. Dyer-Witheford e.a., Inhuman Power, pag. 46; Voor een nuttige bespreking van de afnemende meeropbrengsten op het terrein van generatieve AI zie: Nafeez Ahmed, ‘AI Doomers Are Wrong. The “Existential Threat” Is About Who Controls Information—Not the Singularity’ (Age of Transformation, 11 mei 2023). https://ageoftransformation.org/aidoommyth/.
Tot nog toe hebben we ons gericht op hoe trends op het gebied van structureel geweld en technologie de toekomst van het geweld, zowel tussen als binnen staten, zullen bepalen. Laten we daar nu de klimaatparameter aan toevoegen en onderzoeken hoe de klimaatcrisis in kan werken op patronen van conflict en onveiligheid, en hoe geopolitieke spanningen en conflicten op hun beurt op de klimaatcrisis kunnen inwerken.
Klimaatdeterminisme is hierbij uit den boze: de toekomst van geweld zal veel sterker bepaald worden door politieke en economische processen dan door ‘natuurlijke’ krachten of schaarste. Kwantitatieve studies naar klimaatconflicten – zoals het vaak aangehaalde onderzoek dat claimt dat het risico op gewapende conflicten bij elke halve graad opwarming met 14 procent toeneemt – grenzen dan ook vaak aan het absurde.[24] Zoals de critici van het klimaatconflict-narratief aantonen, zijn de bevindingen van deze studies niet alleen voortdurend met zichzelf in tegenspraak – aangezien milieuveranderingen in het verleden net zo vaak gecorreleerd waren met een afname van het aantal conflicten als met uitbraken ervan[25] –, maar slagen ze er evenmin in om de daadwerkelijke causale mechanismen in kaart te brengen die conflicten binnen specifieke contexten aan kunnen jagen.[26] Desondanks bestaat er een onloochenbaar risico dat de klimaatcrisis conflicten kan verergeren, met name als/wanneer de mondiale temperatuurstijging 2°C en meer bereikt. In een wereld die getekend is door een geschiedenis van imperialisme, oorlog, wantrouwen, machtige militair-industriële complexen en een aanhoudende nucleaire ‘wederzijdse afschrikking’, lijdt het weinig twijfel dat heftigere klimaatschokken als een ‘drijvende kracht achter en een versterkende factor van bedreigingen’ kunnen fungeren, die de potentie hebben om de politiek-economische en geopolitieke oorzaken van conflicten, fragiele staatsbestellen, niet-statelijk terrorisme en militante opstanden te versterken.[27]
Droogtes en misoogsten als gevolg van klimaatschokken kunnen de bestaansmiddelen van sommige groepen bijvoorbeeld decimeren, wat hun relatieve armoede en ontbering vergroot en waardoor de ‘opportuniteitskosten’ afnemen om aan gewelddadige opstanden deel te nemen.[28] Bovendien kunnen klimaatschokken ook de juridische overeenkomsten tussen staten over het gebruik en delen van water onder druk zetten.
Zo wordt de rivier de Indus die door India en Pakistan stroomt vaak als een potentiële conflicthaard aangemerkt: de hoeveelheid smeltwater van de gletsjers in de Himalaya zal in 2050 naar verwachting met 30 procent zijn afgenomen, wat tot almaar grotere watertekorten voor de Indiase landbouw, industrie en waterkrachtcentrales leidt en waardoor India zich mogelijk genoodzaakt ziet om de watertoevoer naar Pakistan af te sluiten.[29] Aangezien India en Pakistan beide kernmachten zijn en ze een geschiedenis van vijandigheid en wantrouwen delen, kan het risico dat een dergelijk waterconflict in een nucleair treffen uitmondt niet geheel worden uitgesloten – al kan hetzelfde gezegd worden van de mogelijkheid dat er een vreedzame heronderhandeling van het Indus-Waterverdrag plaatsvindt.[30]
De dalende visstand in de betwiste wateren van de Zuid-Chinese Zee; olie/gas/mineralenvoorraden in een gestaag smeltend Noordpoolgebied, waarop de VS, Rusland en andere staten een begerig oog laten vallen; en de krimp van het landbouw- en weideareaal in regio’s die al door oorlogen verscheurd worden, zoals het Midden-Oosten, Noord-Afrika en de Sahel, vormen evenzovele potentiële haarden van conflict.[31] Maar nogmaals, we kunnen de klimaatimpact op conflicten niet begrijpen zonder daar de mondiale politieke economie bij te betrekken: behoudt het structurele geweld een hoog niveau, behouden de militaire-veiligheids-extractieve complexen hun macht en worden stappen naar een waarachtig participatieve democratie stelselmatig tegengewerkt (wat de meest waarschijnlijke uitkomst is van een traject van neoliberaal voortmodderen), dan zal klimaatverandering de druk op conflicten waarschijnlijk vergroten. Maar slaagt een contra-hegemonische strijd erin om politieke economieën en veiligheidsstructuren in een meer egalitaire en duurzame richting om te buigen, dan zullen coöperatieve vormen van vredesopbouw – zelfs in een snel opwarmende wereld – juist aan kracht kunnen winnen.[32]
24. Solomon Hsiang, Marshall Burke en Edward Miguel, ‘Quantifying the Influence of Climate on Human Conflict’ (Science 341, 2013). Pag. 1212.
25. Alexander De Juan en Niklas Hanze, ‘Climate and Cohesion: The Effects of Droughts on Intra-Ethnic and Inter-Ethnic Trust’ (Journal of Peace Research 58, no. 1, 2021). Pag. 151-167.
26. Jan Selby, ‘Positivist Climate Conflict Research: A Critique’ (Geopolitics 19, 2014). Pag. 829-856; Jon Barnett ‘Global Environmental Change I: Climate Resilient Peace?’ (Progress in Human Geography 43, no. 5, 2019). Pag. 927-936.
27. Campbell e.a., Age of Consequences.
28. Katharine Mach, Neil Adger, Halvard Buhaug e.a., ‘Directions for Research on Climate and Conflict’ (Earth’s Future 8, no. 7, 2020). Pag. 1-7.
29. Michael Klare, ‘How Rising Temperatures Increase the Likelihood of Nuclear War’ (The Nation, 13 januari 2020). www.thenation.com/article/nuclear-defense-climate-change/.
30. Muhammah Qamar, Muhammad Azmat en Pierlugi Claps, ‘Pitfalls in Transboundary Indus Water Treaty: A Perspective to Prevent Unattended Threats to Global Security’ (Nature Clean Water 2, no. 22, 2019). Pag. 1-9.
31. Franscesco Femia en Caitlin Werrell, ‘Climate Change, the Erosion of State Sovereignty, and World Order’ (Brown Journal of World Affairs 22, no. 2, 2016). Pag. 221-235.
32. Barnett, ‘Global Environmental Change’.
Stappen we vervolgens over op de relatie ‘statelijk geweld → klimaat’, dan moeten we ons eerst rekenschap geven van de impact van militarisering en oorlog op de klimaatcrisis. Zoals Neta Crawford aantoont, is het Amerikaanse leger de grootste institutionele verbruiker van fossiele brandstoffen op de planeet en was het tussen 2001 en 2017 jaarlijks verantwoordelijk voor een CO₂-uitstoot van zo’n 200 miljoen ton, waarvan de luchtmacht 70 procent voor haar rekening nam.[33] Gegevens over de wereldwijde militaire co2-uitstoot zijn notoir lastig te achterhalen en worden vaak niet bijgehouden.[34] Eén studie raamt echter dat de rechtstreekse uitstoot van legers zo’n 1 procent van de wereldwijde uitstoot bedraagt (in dezelfde orde van grootte als die van de luchtvaartsector), terwijl de totale militaire koolstofvoetafdruk – waarin ook de wapenproductie en militaire toeleveringsketens verdisconteerd zijn – ongeveer 5,5 procent van de wereldwijde uitstoot uitmaakt.[35] Al met al is dat een enorme CO₂-voetafdruk – groter dan die van Rusland, ’s werelds op drie na grootste uitstoter –, maar vrijwel zeker ook een onderschatting, aangezien de uitstoot als gevolg van oorlog (denk aan branden, ontbossing, schade aan de infrastructuur en de wederopbouw naderhand) er niet in is opgenomen. Alleen al in de eerste zeven maanden was de Russische invasie in Oekraïne goed voor een CO₂-uitstoot van om en nabij de 100 miljoen ton, evenveel als de totale uitstoot van Nederland in diezelfde periode.[36]
De VS en de NAVO hebben zich ten doel gesteld om de militaire emissies in 2050 naar netto nul terug te brengen, maar de kans dat deze doelstelling ook gehaald wordt is verwaarloosbaar klein (dat wil zeggen, zonder de inzet van koolstofcompensaties die zelf weer gepaard gaan met schadelijke sociale en ecologische gevolgen): er bestaan geen technisch volwassen en kosteneffectieve opties om de luchtmacht te decarboniseren; deze instituties weigeren elke vorm van openheid over hoe ze hun emissies berekenen of hoe ze van plan zijn netto nul te bereiken; en de regering-Biden stelde expliciet dat de decarbonisatie van het leger uitsluitend ‘binnen de grenzen van het mogelijke’ wordt nagestreefd en ‘zonder de nationale veiligheid daarbij in gevaar te brengen’.[37] De komende jaren zullen de strijdkrachten vrijwel zeker een groeiende bron van CO₂-uitstoot blijven – en dat is afgezien van alle energie, grondstoffen en menselijke en financiële middelen die daardoor niet langer voor nuttige doeleinden ingezet kunnen worden –, tenzij de defensiebudgetten verlaagd worden. Het spreekt voor zich dat dit laatste onmogelijk zal zijn binnen een context van oplopende geopolitieke spanningen en almaar oorlogszuchtigere krachten in de VS, China, Rusland, Europa, India en elders, wat betekent dat een militaire decarbonisatie onmogelijk bereikt kan worden zonder deze spanningen terug te dringen.
Naast de militaire CO₂-uitstoot speelt er nog een andere ‘interstatelijk conflict → energie → klimaat’-relatie die betrekking heeft op hoe geopolitieke spanningen en oorlogen op de energietransitie kunnen inwerken. De door de Russische invasie veroorzaakte energieschok heeft in dit verband natuurlijk grote gevolgen gehad en zal per saldo waarschijnlijk een positief effect hebben op de energietransitie (het is echter een stuk lastiger om een inschatting te maken van het netto klimaateffect van de invasie, aangezien de emissies die het rechtstreekse gevolg zijn van de oorlog in Oekraïne en de stijging van de defensie-uitgaven die daar weer het gevolg van is, deze voordelen teniet kunnen doen).[38] Mij gaat het echter vooral om de gevolgen van de oplopende geopolitieke spanningen tussen de VS en China.
Deskundigen benadrukken vaak de relatieve voordelen van samenwerking tussen de VS en China op het vlak van klimaat- en energiebeleid.[39] En dat zijn ook meteen de twee meest ingrijpende gevolgen van de toenemende spanningen tussen de VS en China: hun impact op de wereldwijde militaire CO₂-uitstoot (zie hierboven) en hun potentieel om de energietransitie te laten ontsporen en de wereldeconomie in een diepe crisis te storten in het geval het daadwerkelijk tot een conflict over Taiwan komt. In de woorden van Hal Brands: ‘Een grote oorlog over Taiwan kan een wereldwijde economische chaos ontketenen die de gevolgen van de Russische invasie in Oekraïne tot kinderspel degradeert.'[40] Als gevolg van blokkades van scheepvaartroutes, ernstige verstoringen van de Taiwanese halfgeleiderindustrie (die ruim de helft van de wereldwijde productie van halfgeleiders voor zijn rekening neemt) en een forse versnelling van de technologische en financiële ontkoppeling tussen China en het Westen, kan een conflict over Taiwan in de VS in een bbp-krimp van 5 à 10 procent resulteren, en in China van 25 à 35 procent (hoewel dergelijke economische gevolgen zich natuurlijk heel lastig laten ramen, en nog veel heftiger zullen uitvallen als het conflict op een nucleair treffen uitloopt).[41]
En de gevolgen voor de energietransitie zullen aanzienlijk zijn: China produceert momenteel zo’n 60 procent van alle zonnepanelen ter wereld, 50 procent van alle windturbines op het land, 73 procent van alle accu’s voor elektrische voertuigen en beheerst grofweg 85 procent van de zuivering van zeldzame aardmetalen, terwijl het daarnaast ook nog eens fors in de Europese accuproductie investeert.[42] Gavin Bade stelt de vraag die vele Amerikaanse en Europese beleidsmakers ’s nachts wakker houdt: ‘Als Poetin Europa al met zijn gasleveranties kan gijzelen, waar is China met zijn nog bredere dominantie in tal van kritieke sectoren dan toe in staat?'[43] Een oorlog tussen de VS en China, of zelfs alleen maar een fors sanctiepakket in het geval van Chinese agressie, zal de toeleveringsketens voor hernieuwbare energie zonder meer verstoren en de energietransitie op zijn minst vertragen, al is de hamvraag hoe ernstig die verstoringen precies zullen uitpakken.
In de context van een groen keynesiaans scenario plus snelle technologische doorbraken mogen we ervan uitgaan dat de gevolgen minder ingrijpend zullen zijn, aangezien zowel de VS als China dan beter in staat zullen zijn om in technologisch opzicht elk huns weegs te gaan en tegelijkertijd toch in hun energie- en grondstoffenbehoeften te voorzien. Maar in een scenario met een trager en geleidelijker innovatietempo kunnen die verstoringen een stagflatiecrisis drastisch verergeren. En in het geval van een zwalkend neoliberaal traject, dat toch al steeds hachelijkere trekken krijgt als gevolg van olie- en gastekorten, verergerende klimaatschokken en zich opstapelende kwetsbaarheden in de mondiale voedsel- en financiële systemen, kunnen de uitwaaierende gevolgen van een conflict over Taiwan een mondiaal ineenstortingstraject niet alleen versnellen, maar mogelijk ook in gang zetten.
33. Neta Crawford, Pentagon Fuel Use, Climate Change, and the Costs of War (Providence, RI: Watson Institute, 2019).
34. Olivier Belcher, Patrick Bigger, Ben Neimark e.a., ‘Hidden Carbon Costs of the “Everywhere War”: Logistics, Geopolitical Ecology, and the Carbon Boot-Print of the US Military’ (Transactions of the Institute of British Geography 45, no. 1, 2020). Pag. 65-80.
35. Stuart Parkinson en Linsey Cottrell, ‘Estimating the Military’s Global Greenhouse Gas Emissions’ (Conflict and Environment Observatory, november 2022). https://ceobs.org/wp-content/uploads/2022/11/SGR-CEOBS_Estimating_Global_MIlitary_GHG_Emissions.pdf.
36. Leonard de Klerk, Anatolii Shmurak, Olga Gassan-Zade e.a., ‘Climate Damage Caused by Russia’s War in Ukraine’ (Climate Focus, november 2022). https://climatefocus.com/wp-content/uploads/2022/11/ClimateDamageinUkraine.pdf.
37. Aangehaald in: Mark Akkerman, Deborah Burton, Nick Buxton e.a., Climate Collateral: How Military Spending Accelerates Climate Breakdown (Amsterdam: Transnational Institute, 2022). Pag. 27.
38. IEA, WEO 2022.
39. Zie bijvoorbeeld: Michael Davidson, Valerie Karplus, Joanna Lewis e.a., ‘The Risks of Decoupling from China on Low-Carbon Technologies’ (Science 377, no. 6612, 2022). Pag. 1266-1271.
40. Hal Brands, ‘Economic Chaos of a Taiwan War Would Go Well Past Semiconductors’ (Bloomberg, 23 juni 2022). www.bloomberg.com/opinion/articles/2022-06-23/economic-chaos-of-a-taiwan-war-would-go-well-past-semiconductorsutm_source=substack&utm_me.
41. Brands, ‘Economic Chaos of a Taiwan War Would Go Well Past Semiconductors’; Charlie Vest, Agatha Kratz en Reva Goujon, ‘The Global Economic Disruptions from a Taiwan Conflict’ (Rhodium Group, 14 december 2022). https://rhg.com/research/taiwan-economic-disruptions/.
42. Michal Meidan, ‘China: Climate Leader and Villain’ in: Manfred Hafner en Simone Tagliapietra (red.), The Geopolitics of the Global Energy Transition (Cham: Springer, 2020). Pag. 75-92.
43. Bade, ‘A Sea Change’.
Vervolgens integreren we de relaties ‘klimaat→ nucleaire veiligheid’ en ‘cyberveiligheid → AI → nucleaire veiligheid’ in ons model van de veiligheidsproblematiek. Beginnen we met de relatie tussen klimaat en nucleaire veiligheid, dan raamt het IEA dat we de inzet van kernenergie moeten verdubbelen, willen we zicht houden op netto nul (wat overigens een aanvechtbare aanname is).[44] In dat geval zal de wereldwijde voorraad aan splijtbaar materiaal dat gemonitord en beveiligd moet worden met grofweg een factor twee toenemen, waarbij de grootste toename zal plaatsvinden in China, India, Pakistan, het VK, Frankrijk en andere landen met grote nucleaire uitbreidingsplannen.[45] In dat geval zal het risico op nucleaire proliferatie en het ‘weglekken’ van nucleair materiaal naar niet-statelijke actoren aanzienlijk toenemen, precies op een moment dat een verheviging van de klimaatchaos (zelfs als deze tot 2°C beperkt blijft) ervoor kan zorgen dat de politiek-economische en geopolitieke aanjagers van interstatelijke conflicten en niet-statelijk terrorisme aan kracht winnen.
De relatie ‘klimaat → cyberveiligheid’ is minder nauw gekoppeld, maar altijd nog van belang. Politiek-economische krachten vormen weliswaar de belangrijkste motor achter de uitbreiding van de digitalisering – van 5G, AI, het internet der dingen (IdD) tot ‘smart everything‘ –, maar dat neemt niet weg dat ook de klimaatcrisis als een drijvende kracht fungeert achter een versnelde inzet van deze technologieën. Met name het IdD geldt als een noodzakelijke technologie voor de uitbouw van een op hernieuwbare energie draaiend, intelligent elektriciteitsnet dat én het elektriciteitsverbruik kan monitoren en reguleren én de overtollige energie in regio’s waar op dat moment veel wind- en zonne-energie wordt opgewekt, kan doorsluizen naar waar een tekort is. Naarmate almaar meer apparaten op het IdD worden aangesloten – van auto’s en verkeerslichten tot koelkasten en broodroosters –, levert dat ‘extra toegangspunten en doelwitten voor digitale aanvallen’ op, zoals een rapport van het International Renewable Energy Agency waarschuwt.[46] Als zodanig leidt het IdD tot een drastische vergroting van het ‘aanvalsoppervlak’, waar staten, criminele organisaties en niet-statelijke terroristen naar believen misbruik van kunnen maken om elektriciteitsnetten en kritieke infrastructuren te hacken.[47] In een context van oplopende geopolitieke spanningen kan dit het risico op interstatelijke conflicten vergroten door het aantal mogelijkheden voor offensieve cyberoperaties (zoals sabotage, spionage en gegevensdiefstal) uit te breiden. In de woorden van de realisten binnen het veld van de internationale betrekkingen kan dit ertoe leiden dat de ‘balans tussen aanval en verdediging’ verder in het voordeel van de aanval doorslaat, waardoor het escalatiepotentieel in tijden van crisis toeneemt.[48]
Deze risico’s worden er nog angstaanjagender op als we daar ook de relatie ‘cyber-AI-nucleaire veiligheid’ bij betrekken. Een van de grootste gevaren is dat de commando-, controle- en communicatiesystemen (NC3) voor kernwapens steeds dieper geïntegreerd raken in het civiele communicatie-ecosysteem – waartoe de satellieten, communicatienetwerken en elektriciteitsnetten behoren waarvan deze systemen afhankelijk zijn –, waardoor ze vatbaarder worden voor cyberaanvallen.[49] Wat deze situatie zo gevaarlijk maakt is dat een cyberaanval op deze systemen, die in theorie bedoeld kan zijn om de nucleaire bewakings-, besluitvormings- en/of tweede-aanvalscapaciteit van een staat onklaar te maken, (ten onrechte) als een voorbode wordt gezien van een kernaanval, wat bevelhebbers ertoe kan brengen om alvast vooraf een kernaanval in te zetten voordat het eigen kernwapenarsenaal vernietigd is.[50] Dit probleem wordt verder verergerd door de ontwikkeling van hypersonische ballistische raketten die vijf keer sneller vliegen dan de geluidssnelheid, wat het risico op een onbedoelde nucleaire escalatie kan vergroten doordat ze ‘het tijdsbestek verkorten waarbinnen bevelhebbers beslissingen moeten nemen,’ zoals James Johnson waarschuwt.[51] De VS, China en Rusland maken nu al gebruik van machineleren voor de verbetering van hun geleide raketsystemen, en deze vorm van kunstmatige intelligentie zal naar verwachting ook ‘de ontwikkeling versnellen van hypersonische wapens en andere (conventionele en nucleaire) vormen van precisie-geleide munitie voor de lange afstand.'[52] Dit kan op zijn beurt de druk op deze staten opvoeren om AI-systemen op ‘het vermogen te trainen om de cruciale keuze tot escalatie te maken en over wanneer en hoe kernwapens in te zetten,’ iets wat veel generaals noodzakelijk achten om het almaar hogere tempo van de 21ste-eeuwse oorlogsvoering bij te kunnen benen.[53]
Bovendien staan we nog maar aan het begin van het tijdperk van ‘deepfakes‘, nep-representaties die gebruik maken van ‘diep leren’ en generatieve AI om realistische afbeeldingen, video’s en audio-inhoud te fabriceren die echte mensen en gebeurtenissen simuleren. Zoals Herbert Lin opmerkt, zal de verdere ontwikkeling van AI steeds realistischere vervalsingen mogelijk maken die door ‘eenieder met een pc en iets van verbeeldingskracht en technische vaardigheid’ gemaakt kunnen worden.[54] En naarmate dit vermogen verder wordt doorontwikkeld, opent zich een bredere mogelijkheidsruimte voor desinformatie-operaties die de nucleaire afschrikking verder kunnen destabiliseren door het risico op ‘onjuiste inschattingen, verwarring en onzekerheid tijdens een crisis’ te vergroten – bijvoorbeeld door de militaire leiders van een staat zo af te beelden dat het lijkt alsof ze samenspannen om een eerste nucleaire klap uit te delen.[55]
Samengevat kan de de toekomstige stabiliteit van de nucleaire afschrikking ondergraven worden door een combinatie van nucleaire proliferatie; de balans tussen aanval en verdediging die in toenemende mate in het voordeel van de eerste uitvalt (het resultaat van een toenemende cyberkwetsbaarheid en hypersonische raketten); de verkorting van het tijdsbestek waarbinnen de besluitvorming in tijden van crisis moet plaatsvinden; en een informatie-omgeving die vatbaar is voor desinformatie en verwarring. Vooral wanneer een traject van een zwalkend neoliberalisme samengaat met oplopende geopolitieke spanningen en een klimaatchaos van 2,5°C+, kan dat resulteren in een verhoogd risico op een nucleair conflict, bijvoorbeeld tussen India en Pakistan over een geschil over de Indus, tussen de VS en China over Taiwan, tussen de NAVO en Rusland over een conflict in Oost-Europa, tussen Israël en Iran binnen een context van kelderende olie- en gasinkomsten en toenemende waterschaarste, of tussen Noord- en Zuid-Korea als gevolg van een zich almaar verdiepende en door klimaatverandering verergerde humanitaire noodsituatie op het Koreaanse schiereiland. We moeten de risico’s niet groter maken dan ze zijn, want dat kan binnen krijgszuchtige veiligheidsdiensten zomaar tot een selffulfilling prophecy leiden. Maar in het licht van de in elkaar overlopende dreigingen van nucleaire proliferatie, desinformatie, oorlogszuchtig nationalisme, door ai verstoorde besluitvorming en een toenemende klimaatontwrichting, moeten we de gevaren die voor ons liggen nu ook weer niet bagatelliseren.
44. IEA, Net Zero.
45. Jurgen Scheffran, Anna Leidreiter, John Burroughs e.a., ‘The Climate-Nuclear Nexus: Exploring the Linkages between Climate Change and Nuclear Threats’ (World Future Council, 27 november 2015). www.worldfuturecouncil.org/climate-nuclear-nexus/.
46. International Renewable Energy Agency (IRENA), A New World: The Geopolitics of the Energy Transformation (Abu Dhabi: IRENA, 2019). Pag. 57-58.
47. Herbert Lin, Cyber Threats and Nuclear Weapons (Palo Alto: Stanford University Press, 2021). Pag. 91.
48. James Acton, ‘Cyber Warfare and Inadvertent Escalation’ (Daedalus 149, no. 2, 2020). Pag. 133-149.
49. Lin, Cyber Threats.
50. Brown, ‘New Nuclear MADness’; Acton, ‘Cyber Warfare’.
51. Johnson, ‘Artificial Intelligence’, pag. 17.
52. Johnson, ‘Artificial Intelligence’, pag. 27.
53. Brown, ‘New Nuclear MADness’, pag. 79.
54. Herbert Lin, ‘The Existential Threat from Cyber-Enabled Information Warfare’ (Bulletin of the Atomic Scientists 75, no. 4, 2019). Pag. 187-196.
55. Marina Favaro, Weapons of Mass Distortion: A New Approach to Emerging Technologies, Risk Reduction and the Global Nuclear Order (London: Centre for Science and Security Studies, King’s College London, 2019). Pag. 12; James Johnson, ‘Artificial Intelligence, Autonomy, and the Risk of Catalytic Nuclear War’ (Modern War Institute, 18 maart 2021). https://mwi.usma.edu/artificial-intelligence-autonomy-and-the-risk-of-catalytic-nuclear-war/.
Tot besluit van onze analyse van de belangrijkste afhankelijkheidsrelaties die de veiligheids- en de planetaire problematiek als geheel structureren, moeten we daar nogmaals de existentiële problematiek aan toevoegen. Of vicieuze terugkoppelingsspiralen nu de vorm aannemen van door ‘klimaat-AI-cyber’ geïntensiveerde spanningen tussen staten, of tussen niet-statelijk terroristisch geweld en militair-politionele repressie, het potentieel ervan veronderstelt het bestaan van wederzijds polariserende ideologieën of cognitief-affectieve disposities (oftewel een versterkte ontvankelijkheid voor bepaalde overtuigingen en gevoelens). Met andere woorden, dergelijke spiralen zijn zeker geen automatismen, maar eerder het product van de constitutieve structuren van identiteit, betekenis en verbondenheid – in het bijzonder die structuren die gekleurd worden door de nexus van nationalisme, ras en hegemonische mannelijkheid – die scherpe scheidslijnen tussen het zelf en de ander in stand houden.[56] Zo zou het een staaltje van onbezonnen reductionisme zijn om er blindelings van uit te gaan dat de toenemende waterschaarste in het stroomgebied van de rivier de Indus wel in een gewapend conflict tussen India en Pakistan moet uitmonden, laat staan in een kernoorlog. Maar aangezien het hindoe-nationalisme ‘nauw verbonden is met de controle over de [Indus] rivier’ en de grotere Kashmir-regio, en gezien de proto-fascistische neigingen van de Bharatiya Janata Party (BJP), kan een afnemende beschikbaarheid van voedsel en water wel degelijk door de BJP misbruikt worden om anti-moslimgevoelens aan te wakkeren en de controle over de Indus op te eisen.[57] Op zijn beurt zou een dergelijke stap zowel de water- en voedselsituatie als de nationalistische woede in Pakistan verergeren, waardoor er een situatie kan ontstaan die een gevaarlijk escalatiepotentieel in zich draagt.
Bovendien zijn ideologieën van ras, nationalisme en hegemonische mannelijkheid van fundamenteel belang voor de manier waarop misdaad, terrorisme en bedreigingen door andere staten gepercipieerd worden en hoe ernaar wordt gehandeld – vandaar de wijdverspreide cognitief-affectieve associatie die zwartheid en immigratie koppelt aan criminaliteit, moslims aan terrorisme, China aan gevaar en witheid in het mondiale Noorden aan onschuld.[58] Op hun beurt produceren of verergeren deze uitingsvormen van het zelf versus de ander en de bijbehorende militair-politionele reacties vaak juist de onveiligheid waarop ze beweren een antwoord te bieden: zo kan het demoniseren van de moslim als ‘vreemd’ aan de ‘westerse beschaving’ juist als een rode lap fungeren voor een militant islamitisch fundamentalisme. Op eenzelfde manier kan het Amerikaanse construct van de ‘Chinese dreiging’ zowel het Chinese nationalisme als zijn verdere militarisering aanwakkeren.[59] En zo kunnen hegemonische vormen van mannelijkheid die ‘onbuigzaamheid’ eisen – of dat nu in relatie is tot misdaad, terrorisme of China – de dominante militair-politieke ‘oplossingen’ dieper verankeren en de kans op ontsporende conflictspiralen tussen staten vergroten.
Algemeen gesproken vormen de relaties tussen socio-ecologische crises, geweld en existentiële onzekerheden een reeks krachtige terugkoppelingen die alle kanten tegelijk op bewegen. En al deze terugkoppelingen kunnen nog eens verergerd worden door de opkomst van wat Eleanore Pauwels ‘cognitief-emotionele conflicten tussen staten’ noemt, waarbij sociale mediaplatforms, twitterbots en deepfakes worden ingezet om wantrouwen, polarisatie en verwarring bij de tegenstander te zaaien.[60] Daarbij baart met name de ‘verwapening’ van deepfakes grote zorgen, omdat de inzet ervan het risico vergroot dat de wereld in een cognitief-emotionele dystopie verandert – dat wil zeggen, in een wereld waarin het zo goed als onmogelijk is om nog een intuïtief onderscheid te kunnen maken tussen echt en nep, waarin grote delen van de bevolking het vertrouwen in geloofwaardige informatiebronnen volledig verliezen en waarin door ai gegenereerde inhoud wordt aangewend om grote groepen mensen te manipuleren en tot geweld aan te zetten.[61] Het is niet al te lastig om te zien hoe steeds geraffineerdere vormen van desinformatie de druk op potentiële conflicten kunnen verhogen, collectieve reacties op polycrisissituaties in contraproductieve banen kunnen leiden en inspanningen kunnen bemoeilijken om beklijvende contra-hegemonische coalities te smeden die progressieve oplossingen voor deze crises dichterbij brengen.
Een belangrijke uitdaging voor progressieve bewegingen is er dus in gelegen om binnen een chaotisch media-informatielandschap tactieken en strategieën te ontwikkelen die in tijden van crises waarheid, wederzijds begrip en compassie kunnen versterken. Gezien de enorme machtsverschillen binnen het mondiale medialandschap, de opkomst van krachtige nieuwe instrumenten voor cognitieve en emotionele manipulatie en de dreiging van door grote bedrijven gefinancierde en/of geopolitiek gemotiveerde desinformatiecampagnes, is die uitdaging inderdaad ontzagwekkend groot.
56. Chengxin Pan, ‘The “China Threat” in American Self-Imagination: The Discursive Construction of Other as Power Politics’ (Alternatives: Global, Local, Political 29, no. 3, 2004). Pag. 305-331.
57. Sam Moore en Alex Roberts, ‘Ecofascism and Indian Nationalism’ (The Ecologist, 7 februari 2022). https://theecologist.org/2022/feb/07/ecofascism-and-indian-nationalism.
58. Kundnani, ‘Abolish National Security’; Elliot-Cooper, Black Resistance; Blakeley e.a., Leaving the War on Terror.
59. Kundnani, ‘Abolish National Security’; Pan, ‘The “China Threat”’.
60. Eleanore Pauwels, The New Geopolitics of Converging Risks: The UN and Prevention in the Era of AI (New York: United Nations University Centre for Policy Research, 2019). Pag. 11.
61. Lin, ‘The Existential Threat’.
We zijn nu in de positie om de co-evolutionaire trajecten van de socio-ecologische en de veiligheidsproblematiek, en hun implicaties voor de toekomst van het wereld-aarde-systeem te onderzoeken. Hierbij richt ik me in eerste instantie op de ‘zwalkend neoliberalisme’-scenario’s die in hoofdstuk 4 aan de orde kwamen en laat ik zien hoe oplopende geopolitieke spanningen en grotere investeringen in militair-politionele assemblages een ongelijk ineenstortingstraject in gang kunnen zetten. Vervolgens geef ik aan hoe een technologisch geavanceerd groen keynesiaans traject in een techno-leviathan kan uitmonden door een terugkoppeling op gang te brengen tussen toenemende onveiligheid en techno-autoritaire securitisatie (wat in dit verband duidt op het proces aan de hand waarvan overheden bepaalde burgers of bevolkingsgroepen als veiligheidsrisico gaan beschouwen). Ik sluit af met een onderzoek naar ‘gefortificeerde’ en abolitionistische varianten van het ecosocialisme.
Zwalkend neoliberalisme, ontwrichting en neofeodalisme
Laten we beginnen met te onderzoeken hoe de veiligheidsproblematiek een traject van een zwalkend neoliberalisme kan doorkruisen en er een nieuwe vorm aan kan geven, en hoe socio-ecologische crises binnen dit scenario op hun beurt vorm kunnen geven aan de evolutie van statelijk geweld en geopolitieke spanningen. Zoals eerder besproken werd, gaat het om een traject waarin de wereldeconomie ongelijkmatig herstelt van de inflatieschok van 2022-23; waarin de vraag naar olie en gas blijft stijgen (als gevolg van de enorme uitbreiding van de wapenproductie na de Russische invasie in Oekraïne[62]); waarin het aandeel hernieuwbare energie wel stijgt, maar niet snel genoeg; en waarin de afname van het netto energierendement van fossiele brandstoffen, plus de onderinvestering erin, eraan bijdragen dat de wereld op koers komt te liggen naar een nieuwe energie- en inflatieschok. Ik begin met te bekijken hoe de ontwikkeling van de oorlog in Oekraïne dit traject kan beïnvloeden en doe vervolgens hetzelfde voor de oplopende spanningen tussen de VS en China. Daarna onderzoek ik hoe de veiligheidsproblematiek op de langere termijn in botsing kan komen met een ‘zwalkend neoliberalisme’-scenario, waarbij ik me op twee varianten richt: een scenario van ontwrichting en eentje dat dichter bij het archetype van Raskins ‘fort aarde’ ligt (dat ik neofeodalisme noem).
Beginnen we met de oorlog tussen Rusland en Oekraïne, dan spelen er wat mij betreft twee belangrijke vragen: Welke invloed zal deze oorlog hebben op de Russische olie- en gaswinning in de komende tien jaar? En daarmee samenhangend: welke effecten zal de oorlog hebben op de politieke economie en de geopolitieke macht van Rusland, en wat kunnen de geopolitieke en planetaire gevolgen zijn van een versnelde Russische neergang? Ook voor de oorlog maakte de Russische olie-industrie al moeilijke tijden door, als gevolg van de uitputting van conventionele velden in West-Siberië en de in 2014 ingevoerde westerse sancties die de toegang bemoeilijkten tot de financiering en de technologie die nodig zijn om de onconventionele schalie- en offshore reserves in het Arctisch gebied in productie te nemen.[63] Deze situatie is er door de verscherping van de sancties als gevolg van de oorlog alleen maar nijpender op geworden – zo hebben de grote westerse oliemaatschappijen de samenwerking met Rusland stopgezet –, wat betekent dat deze onconventionele reserves, in elk geval op de korte termijn, vrijwel zeker onderontwikkeld zullen blijven.[64] Het IEA raamt dat de Russische oliewinning van 7 miljoen vaten per dag in 2021 naar 5 miljoen in 2030 zal dalen, terwijl de gaswinning in 2030 zo’n 155 miljard kubieke meter lager uit zal vallen dan in 2021, waardoor de druk op de VS en OPEC toeneemt om het tekort aan te vullen (wat met betrekking tot olie, zoals we in hoofdstuk 4 zagen, een helse opgave zal zijn).[65] Houdt het wereld-systeem vast aan het ‘huidig beleid’-traject, dan gaat dat vrijwel zeker gepaard met een verhoogd risico op een fossiele stagflatiecrisis.
Afhankelijk van hoe de oorlog zich ontwikkelt, kan de situatie echter ook aanmerkelijk dramatischer uitpakken. Hoewel dat onwaarschijnlijk is, zou een lang uitgesponnen conflict er uiteindelijk toe kunnen leiden dat Poetin escaleert door tactische kernwapens tegen Oekraïne in te zetten, wat een grootscheepse interventie door de NAVO kan uitlokken en waarschijnlijk neerkomt op een complete ban op Russische olie en gas in het Westen. Dit zal (althans, dat mag je hopen) een wereldwijde veroordeling en isolatie van Poetin tot gevolg hebben, waardoor zelfs China, India en andere handelspartners tot het besluit kunnen komen om hun (energie)banden met Rusland te verbreken. Een gruwelijke nucleaire escalatie met de NAVO is niet onmogelijk, zelfs als je van de veronderstelling uitgaat dat de NAVO slechts met conventionele middelen op een Russische tactische atoombom zal reageren.[66] Een waarschijnlijker gevolg is echter dat de fossiele stagflatiecrisis op termijn hoger opflakkert, wat vooral China en India zwaar zal raken (mogelijk dat ze deels op hun schreden terugkeren wanneer de consequenties voor hun energiezekerheid te nadelig worden geacht).
62. Zoals John Rathbone schrijft, is een van de ‘grote lessen’ van de Russische invasie – althans volgens militaire strategen en wapenfabrikanten – dat ‘de “grote oorlog” terug is’ […] ‘en daarmee de noodzaak voor landen om over de industriële capaciteit en enorme wapenvoorraden te beschikken teneinde grootschalige, intensieve gevechten te kunnen volhouden.’ De gevolgen voor het klimaat zijn echter bepaald niet goed. Zie: John Rathbone, ‘“Big War Is Back”: 5 Lessons from Russia’s Invasion of Ukraine’ (The Financial Times, 25 december 2022). www.ft.com/content/b01669cb-5be8-4f69-8d18-8eef0c0c2088.
63. Thane Gustafson, Klimat: Russia in the Age of Climate Change (Cambridge, MA: Harvard University Press, 2021). Pag. 53-54.
64. Heinberg, ‘After the Ukraine Invasion’.
65. IEA, WEO 2022, pag. 337, 366.
66. Matthew Burrows en Robert Manning, ‘How Will the Russia-Ukraine War End? Here Are Four Scenarios’ (Atlantic Council, 2022). www.atlanticcouncil.org/content-series/the-big-story/how-will-the-russia-ukraine-war-reshape-the-world-here-are-four-possible-futures/.
Een ander mogelijk scenario behelst de ineenstorting van de Russische staat, nadat die overweldigd is geraakt door de opeenstapeling van een diepe economische crisis, een langdurige, bloedige impasse in Oekraïne, massale onrust onder de bevolking als gevolg van economische onzekerheid en militaire dienstplicht, elkaar bekampende elites en een heftige opvolgingsstrijd in regio’s als Tsjetsjenië.[67]
Volgens een opiniepeiling is bijna de helft van de Amerikaanse politiek-analisten van mening dat iets dergelijks voor 2033 zal gebeuren.[68] Dit zal voor een deel vast door wensdenken zijn ingegeven. Maar mocht zoiets daadwerkelijk plaatsvinden, dan zal het de wereldwijde energie- en voedselmarkten op hun grondvesten doen schudden. De Russische olie- en gaswinning zal nog sneller en verder teruglopen, terwijl de export van tarwe, kunstmest, aluminium en nikkel in een vrije val kan belanden (die dankzij uitzonderingsbepalingen tot dusver minder hard door sancties getroffen zijn).[69] Nogmaals, binnen de context van een voortzetting van het ‘huidig beleid’-traject, kan dit een fossiele stagflatiecrisis het komende decennium tot grote hoogtes opstuwen, terwijl het wellicht ook de voedselonzekerheid en de politieke instabiliteit in Noord-Afrika en het Midden-Oosten zal verslechteren. Mocht er na het Poetin-tijdperk een hervormer aan de macht komen die de banden met het Westen wil aanhalen, dan zal de ernst en omvang van die crisis beperkt kunnen blijven. Maar zoals Liana Fix en Michael Kimmage inschatten, is de kans daarop ‘nagenoeg nul’ en is het veel waarschijnlijker dat we met een nieuwe ‘autoritaire leider van het slag van Poetin’ te maken gaan krijgen.[70]
Hoe de oorlog zich ook ontvouwt, we kunnen er zeker van zijn dat – zelfs als Poetin zijn greep op de macht weet te behouden en de staat niet desintegreert – Rusland met een politiek-economische en geopolitieke neergang te kampen zal krijgen. Zelfs binnen een ‘huidig beleid’-scenario kan het Russische aandeel van de wereldwijd verhandelde olie en gas in 2030 met 50 procent geslonken zijn, wat een scherpe daling van zijn exportinkomsten betekent (die voor ruwweg 40 procent van olie en gas afkomstig zijn).[71] Tot op zekere hoogte kan Poetins oorlog, zoals Nafeez Ahmed betoogt, als ‘de eerste georganiseerde aanval van een staat op de mondiale klimaatbeweging’ begrepen worden, of als een strategie om de energietransitie te dwarsbomen door én de energieonzekerheid en het rechts-populisme in Europa aan te jagen én de eigen exportinkomsten uit olie en gas op te krikken.[72]
Mocht dat het geval zijn, dan heeft die strategie tot dusver averechts uitgepakt. Toch mogen we verwachten dat Poetin of zijn opvolger alles in het werk zal stellen om de energietransitie te vertragen of tot ontsporing te brengen zodra er in de jaren dertig een fossiele stagflatiecrisis optreedt, en helemaal wanneer dat een groene inflatiecrisis binnen een groen keynesianisme betreft. Zoals veel analisten waarschuwen, vormt een verzwakt Rusland juist een groter risico, vooral wanneer het verteerd wordt door nationalistische rancunegevoelens als gevolg van een nederlaag, of het uitblijven van een afgetekende overwinning, in de oorlog met Oekraïne.[73] In dat laatste geval zal Rusland er nog meer op gebrand zijn om een fossiele stagflatiecrisis voor eigen doeleinden te misbruiken door zijn desinformatiecampagnes op te voeren en de energie-infrastructuur te saboteren (bijvoorbeeld door middel van cyberaanvallen op elektriciteitsnetten of reguliere aanvallen op gaspijpleidingen, offshore windturbineparken en onderzeese elektriciteitskabels) met het doel om westerse staten te destabiliseren en het al aanwezige extreemrechtse populisme een duw in de rug te geven.[74]
Dit zal dan op zijn minst een negatieve terugkoppeling creëren voor de ambitie om de uitrol van duurzame energie met het oog op toekomstige schokken in het olie- en gasaanbod te versnellen, en in het ergste geval kunnen helpen om een fossiel nationalisme of fascisme in de VS en elders aan de macht te brengen. Bovendien is het zo dat als er zich tijdens de tweede helft van de jaren twintig wereldwijd een groene keynesiaanse transitie voordoet – bijvoorbeeld in reactie op een hoog oplopende prijsvolatiliteit van fossiele brandstoffen – de Russische inkomsten uit de olie- en gasexport nog meer zullen teruglopen, waardoor het land er rond 2030 nog slechter voor komt te staan.[75] In de context van een groene inflatiecrisis – aangejaagd door zowel een afname van het netto energierendement als minerale knelpunten in een traject van een versnelde energietransitie – zou Rusland niet alleen gemotiveerd zijn, maar zich ook goed gepositioneerd weten om een fossiel fascisme in de hand te werken (en het zal daarbij waarschijnlijk worden bijgestaan door Saoedi-Arabië, dat in dit scenario ook te kampen krijgt met kelderende exportinkomsten die het regime in een existentiële crisis kunnen storten). Russische inmenging is geenszins een noodzakelijke voorwaarde voor een fossiele of groene stagflatiecrisis en een door fossiele belangen aangejaagde tegenreactie in het Westen, maar ze vormt wel een bijkomende terugkoppeling die deze crises kan versterken en het westerse regeringen een stuk lastiger kan maken om ze effectief aan te pakken.
67. Liana Fix en Michael Kimmage, ‘Putin’s Last Stand: The Promise and Perils of Russian Defeat’ (Foreign Affairs, 20 december 2022). www.foreignaffairs.com/russian-federation/putin-last-stand-russia-defeat.
68. Mary Aylward, Peter Engelke, Uri Friedman e.a., ‘Global Foresight 2023’ (Atlantic Council, 2022). www.atlanticcouncil.org/content-series/atlantic-council-strategy-paper-series/welcome-to-2033/.
69. Joseph Glauber en David Laborde, ‘How Sanctions on Russia and Belarus Are Impacting Exports of Agricultural Products and Fertilizers’ (International Food Policy Research Institute, 9 november 2022).
70. Fix en Kimmage, ‘Putin’s Last Stand’.
71. IEA, WEO 2022, pag. 56.
72. Nafeez Ahmed, ‘Putin’s War on Net Zero: Controlling “Europe’s Breadbasket” to Prevent Russia’s Fossil Fuel Collapse’ (Byline Times, 21 april 2022). https://bylinetimes.com/2022/04/21/putins-war-on-net-zero-controlling-europes-breadbasket-to-prevent-russias-fossil-fuel-collapse/.
73. Andrea Kendall-Taylor en Michael Kofman, ‘Russia’s Dangerous Decline: The Kremlin Won’t Go Down Without a Fight’ (Foreign Affairs 101, no. 6, 2022). Pag. 28-35.
74. Fix en Kimmage, ‘Putin’s Last Stand’.
75. IEA, WEO 2022, pag. 366.
Wat betreft de geopolitieke spanningen tussen de VS en China, concentreer ik me hier op de risico’s van een conflict over Taiwan (de meest waarschijnlijke, maar zeker niet de enige potentiële conflicthaard). Kevin Rudd, voormalig premier van Australië en een vooraanstaand expert op het gebied van het strategisch denken van Xi Jinping, verwacht dat Xi waarschijnlijk vóór 2035, wanneer hij 82 is en het einde van zijn politieke carrière nadert, zal proberen om Taiwan met geweld te annexeren. Rudd acht die annexatie essentieel voor zowel Xi’s persoonlijke doel van ‘politieke onsterfelijkheid’ (dat wil zeggen dat hij de leider van de Communistische Partij wil worden die erin geslaagd is om de nationale eenheid te herstellen) als voor het bredere nationalistische doel van, in de woorden van Xi, de ‘vervolmaking van de grote vernieuwing en verjonging van de Chinese natie.'[76]
Binnen de context van een neoliberaal traject mogen we bovendien verwachten dat China rond 2030 hoogstwaarschijnlijk te maken zal krijgen met een toenemende politiek-economische instabiliteit en een groeiende sociale onrust. In plaats van een succesvolle transitie door te maken naar een meer op diensten, binnenlandse consumptie en energie-efficiëntie gebaseerde economie, zal China in dit scenario (dat wil zeggen, een scenario van geleidelijke technologische innovatie) geconfronteerd worden met een verergerende stagnatie en financiële instabiliteit als gevolg van een krimpende beroepsbevolking, Amerikaanse sancties tegen zijn technologiesector, het leeglopen van de vastgoedbubbel, afnemende investeringen van kapitalisten die gedesillusioneerd zijn geraakt door Xi’s autoritaire neigingen, toenemende waterschaarste en heftigere klimaatschokken.[77] En dit is nog buiten een fossiele stagflatiecrisis gerekend die de problemen van China, als ’s werelds grootste netto importeur van energie, aanzienlijk kan vergroten (zelfs als het lukt om die af te zwakken door de hand te leggen op fors afgeprijsde Russische olie en gas, al wordt dat een hele kluif wanneer de Russische winning een vrije val doormaakt). Doordat ze de economische groei zal afzwakken en de begrotingskrapte vergroot, kan deze crisis enerzijds een rem zetten op de inspanningen van de CCP om het leger verder uit te bouwen en te moderniseren, waardoor Xi onder druk komt te staan om de plannen voor een gewelddadige annexatie van Taiwan uit te stellen (wat de CCP mogelijk ook tot een meer ecosocialistische richting kan bewegen, een punt waarop ik hieronder terugkom).[78] Maar die crisis kan er anderzijds ook toe leiden dat Xi zich volledig op een hereniging richt om daarmee de nationalistische gevoelens aan te wakkeren en de aandacht van de binnenlandse economische problemen af te leiden – vooral wanneer hij bemerkt dat de VS en Europa verzwakt zijn door een fossiele stagflatiecrisis, een slepend conflict met Rusland en politieke instabiliteit als gevolg van een opmars van het rechts-populisme en een toenemende polarisatie.[79]
Binnen deze context is een Chinese blokkade of invasie van Taiwan dus waarschijnlijk, hoewel zeker niet onvermijdelijk. Mocht zo’n invasie daadwerkelijk plaatsvinden, dan kan die desastreuze gevolgen voor China en de wereld hebben, al zal de ernst en omvang van die ramp afhangen van hoe de VS en zijn bondgenoten op een blokkade of invasie reageren. Vanwege de wereldwijde afhankelijkheid van de Taiwanese halfgeleiderindustrie zal een abrupt einde aan de handel tussen Taiwan en de rest van de wereld door een Chinese blokkade met enorme repercussies gepaard gaan. In de woorden van Charlie Vest en zijn collega’s:
‘Landen over de hele wereld zullen te kampen krijgen met een snel stijgende inflatie en tekorten in hun belangrijke industrieën. Die tekorten kunnen variëren van inputs in hun kritieke infrastructuur, zoals medische en telecommunicatieapparatuur, tot minder strategisch belangrijke maar al even cruciale machines voor de land- of mijnbouw, waardoor de gewone gang van zaken in talloze economieën ernstig verstoord kan raken […] Al deze krachten tezamen zullen het risico op een wereldwijde economische recessie, aanhoudende inflatie, wijdverspreide staatsfaillissementen, stijgende werkloosheid en sociale onrust aanzienlijk kunnen vergroten.'[80]
76. Aangehaald in: Rudd, Avoidable War, pag. 107-108.
77. Hal Brands en Michael Beckley, Danger Zone: The Coming Conflict with China (New York: W.W. Norton & Company, 2022). Pag. 24-50.
78. Rudd, Avoidable War, pag. 359-360.
79. Rudd, Avoidable War, pag. 359-360; Brands en Beckley, Danger Zone.
80. Vest e.a., ‘Global Economic Disruptions’.
Deze gevolgen kunnen getemperd worden wanneer de VS en Europa erin slagen om de productie van halfgeleiders tijdig terug te halen. Maar voor een wereldeconomie die al gebukt gaat onder energieschokken en inflatie, zal een invasie ongetwijfeld schokgolven teweegbrengen en het risico op een aanhoudende stagflatie verhogen. In deze context kunnen de VS en zijn bondgenoten weleens tot de conclusie komen dat de economische en militaire kosten van het afschrikken van China te hoog zijn, waardoor China het eiland in zal kunnen nemen ‘zonder een schot te lossen'[81] – voor China het gunstigste scenario. Waarschijnlijker is het dat de VS en zijn bondgenoten hierop zullen reageren met het instellen van stringente handels- en financiële sancties, en mogelijk met een tegenblokkade van China waarbij de olie- en gasaanvoer uit de Perzische Golf (naast andere kritieke importen) wordt afgesneden.[82] Aangezien 63 procent van de Chinese olie-import en 29 procent van de gasimport over zee wordt aangevoerd, kan een Amerikaanse tegenblokkade aanzienlijke schade aan de Chinese economie toebrengen – wat met een krimp van 17 procent van het Chinese bbp gepaard kan gaan, en mogelijk nog veel meer wanneer ook tweede-orde effecten meegerekend worden.[83] Dus ook wanneer er geen regelrechte oorlog uitbreekt, kunnen de gevolgen van een invasie de Chinese economie naar de rand van de afgrond duwen, en mogelijk zelfs er overheen. Om deze reden is het niet waarschijnlijk dat de CCP zich aan zo’n waagstuk zal overgeven – tenzij China erin slaagt om zich in technologisch opzicht van het Westen te ontkoppelen en zijn kwetsbaarheid op energiegebied terug te dringen –, al kan een combinatie van nationalisme, hypermasculiniteit en Xi’s zucht naar glorie het land ook tot een strategische misrekening verleiden. Slaat China op zijn beurt terug door zijn export van onder meer zonnepanelen, windturbines, accu’s en zeldzame aardmetalen stop te zetten of te beperken, dan kan deze stap de fossiele stagflatie- of groene inflatiecrisis in het Westen drastisch verergeren. Met als resultaat dat de VS en zijn bondgenoten nog meer problemen zullen ondervinden bij hun pogingen om het aandeel hernieuwbare energie snel op te schalen en er een extra terugkoppeling ontstaat die het voor westerse overheden nog moeilijker maakt om fossiele brandstoffen snel uit te faseren.
En het kan er allemaal nog veel akeliger op worden: besluit China tot een amfibische invasie en grijpt de VS militair in om Taiwan te verdedigen, dan valt niet te zeggen hoe of wanneer het conflict zich zal stabiliseren zonder dat een nucleair treffen voorkomen wordt. Zoals Rudd stelt is een Chinese overwinning namelijk afhankelijk van de uitschakeling van de belangrijkste Amerikaanse militaire bases in de Stille Oceaan – waaronder Guam, wat ‘een aanval op het soevereine grondgebied’ van de VS betekent – terwijl een overwinning van de VS afhangt van het uitschakelen van de Chinese commando- en controlesystemen, waarvoor weer een aanval op het Chinese vasteland nodig is.[84] Voor Xi staat er zeer veel op het spel, aangezien een nederlaag in Taiwan niet alleen zijn eigen ondergang teweeg kan brengen, maar – binnen een context van elkaar versterkende klimaat-, energie-, economische en voedselcrises – mogelijk ook die van de Communistische Partij. En is er in de VS tegen die tijd een Trumpiaans fossiel-nationalistisch regime aan de macht dat naar militair succes snakt – al was het maar om de aandacht van de opeenstapeling van binnenlandse problemen af te leiden – dan worden we mogelijk met een regelrechte oorlog tussen twee grootmachten geconfronteerd die alles in zich heeft om nucleair te ontsporen.
Om kort te gaan, kunnen oplopende geopolitieke spanningen tussen de grootmachten binnen een traject van neoliberaal voortmodderen het wereld-systeem nog kwetsbaarder maken voor een ineenstorting. Rond 2030 zullen de VS, Europa en China stuk voor stuk te kampen hebben met een reeks energie-, voedsel- en economische crises van historische proporties; doet een revanchistisch Rusland er ondertussen alles aan om de westerse democratieën te destabiliseren en een fossiel fascisme in de hand te werken; blijft de oorlog in Oekraïne waarschijnlijk met wisselende intensiteit – en een altijd aanwezig escalatiepotentieel – voortsudderen; en streeft een ouder wordende Xi wellicht koste wat kost een hereniging met Taiwan na. In de VS en Europa verstevigen politieke coalities van buitenlandhaviken hun macht en vindt de militarisering van het Europese continent en de Amerikaans-Chinese betrekkingen onverminderd doorgang. Zelfs als een ‘warme’ oorlog tussen Rusland en de NAVO en de VS en China vermeden wordt, zullen deze trends de in hoofdstuk 4 besproken socio-ecologische crises alleen maar versterken: de militaire CO₂-uitstoot neemt drastisch toe, waardoor de piek in de wereldwijde uitstoot wellicht verder wordt doorgeschoven, en militair-industriële complexen onttrekken nog meer energie en grondstoffen aan de economie, waardoor de inflatie toeneemt en de hoeveelheid energie voor maatschappelijk nuttige doeleinden (waaronder de energietransitie zelf) terugloopt.[85] Al met al betekent dit een boost voor die strategieën voor de energiezekerheid die zich – zelfs binnen een context van een almaar rappere EROI-daling voor olie en gas – vooral op fossiele brandstoffen verlaten, wat het voor het wereld-systeem lastiger maakt om aan een ineenstortingstraject te ontkomen. En breekt er in Oost-Europa of over Taiwan een kernoorlog uit, dan kan er zomaar een uitermate ontwrichtend ‘worst case‘-scenario in de maak zijn.
81. Rudd, Avoidable War, pag. 352-353.
82. Rudd, Avoidable War, pag. 354-355.
83. Paul Dabbar, ‘Potential energy challenges from a China-Taiwan conflict scenario’ (Columbia Center on Global Energy Policy, 25 januari 2023). www.energypolicy.columbia.edu/publications/potential-energy-challenges-from-a-china-taiwan-conflict-scenario/.
84. Rudd, Avoidable War, pag. 354-357.
85. Akkerman e.a., Climate Collateral.
Laten we nu eens kijken hoe crises in de veiligheidsproblematiek met een neoliberaal langetermijntraject kunnen samenvallen, waarin de grootmachten een fossiele stagflatiecrisis met succes beteugeld hebben en ze hun groeipad tot in de jaren vijftig weten te rekken. Zoals in hoofdstuk 4 besproken werd, is dit een scenario waarin strategieën voor de energiezekerheid voornamelijk gericht zijn op de verdere uitbouw van hernieuwbare energie en landen op schema liggen om hun Nationaal Bepaalde Bijdragen te halen. Bij het integreren van de veiligheidsproblematiek focussen we ons op twee varianten op dit scenario.
In het eerste scenario – te beschouwen als een scenario van ‘regionale rivaliteit’ – vinden er vóór 2050 weliswaar geen desastreuze warme oorlogen plaats, maar bereidt een combinatie van een verergerende socio-ecologische polycrisis, een versteviging van de macht van oorlogszuchtige nationale veiligheidscoalities en destabiliserende technologische innovaties de weg voor oplopende geopolitieke spanningen en destructieve oorlogen verderop in de tijd.
Het tweede kan in navolging van Karl Kautsky een ‘ultra-imperialistisch’ scenario genoemd worden (vergelijkbaar met William Robinsons these van de mondiale politiestaat): in dit scenario worden globalistische coalities dominant die prioriteit geven aan een ‘beheerste strategische rivaliteit’ en mondiale samenwerking,[86] wat leidt tot een oligarchisch consortium van staten die samenwerken om de uitbuiting ten behoeve van de kapitalistische klasse te maximaliseren en het daaruit voortvloeiende geweld en sociale onbehagen met kracht in te tomen.[87]
De meest waarschijnlijke toekomst houdt wellicht het midden tussen deze beide polen. Maar als we aannemen dat een hoger niveau van structureel geweld met een volatieler geopolitiek landschap gepaard gaat (vanwege de existentiële crises en de verharding van de relatie tussen het zelf en de ander die deze crises doorgaans uitlokken), dan is het ‘regionale rivaliteit’-scenario wellicht het waarschijnlijkere van de twee.[88]
Om met de eerste variant te beginnen: in dit scenario loodst een nieuwe, autoritaire, Poetin-achtige leider de Russische staat relatief ongeschonden door de jaren veertig en weet hij/zij een val van het regime te vermijden, maar wordt het land rond 2050 desalniettemin met een neergang geconfronteerd wanneer de olie- en gasopbrengsten beginnen te kelderen, smeltend permafrost voor miljarden dollars aan schade aan de infrastructuur aanricht en het – vanwege een snel opwarmend Siberië – lastiger blijkt dan verwacht om de landbouwproductie in het noorden op te voeren.[89] Het land blijft dus een gevaarlijke ‘vrijbuitersstaat’ die een hevige wrok koestert jegens het Westen. Daarbij beschikt het nu niet alleen over het vermogen om nog realistischere deepfakes te produceren, maar ook over geavanceerde hypersonische raketten, drone-zwermen en mogelijk zelfs dodelijke drones ter grootte van insecten (die als nauwelijks detecteerbare sluipmoordenaars kunnen opereren), die ingezet kunnen worden om chaos te zaaien in de almaar fragielere westerse democratieën.
Ondertussen weet China zijn gunstigste scenario te realiseren door én Taiwan te heroveren én een militaire reactie van de VS af te wenden én erin te slagen om het daaropvolgende sanctieregime en een fossiele stagflatiecrisis te omzeilen door de binnenlandse winning van onconventionele olie- en gas te verhogen en nieuwe pijplijnverbindingen naar Rusland, Kazachstan en andere regionale handelspartners aan te leggen.[90] Toch blijft het land economisch verzwakt door de nog altijd historisch hoge energieprijzen, een gestaag vergrijzende bevolking, voortdurend verergerende water- en klimaatstressoren, toenemende voedselonzekerheid, beperkt succes bij het op poten zetten van een eigen, geavanceerde halfgeleiderindustrie en, tegen de verwachtingen in, een achterblijvende progressie rond AI en synthetische biologie. In plaats van te bezuinigen op de militaire uitgaven om zich te kunnen concentreren op de binnenlandse problemen, zetten gevoelens van etno-nationalistische trots – opgezweept door een aanhoudend vijandige houding van de kant van de VS en zijn bondgenoten – de CCP aan om door te gaan met haar streven naar regionale dominantie en militair avonturisme (met name in de Zuid-Chinese Zee, die door China gezien wordt als een steeds belangrijkere bron van olie en eiwitten in tijden van energie- en voedselonzekerheid).[91]
De VS weet een fossiel fascisme te vermijden, maar blijft kampen met een opeenstapeling van binnenlandse stressfactoren: een onverzoenlijke Republikeinse Partij, een afnemende landbouwproductie in Californië en het Middenwesten, een zwakke dollar nu andere valuta een grotere rol spelen in de wereldhandel en een rap slinkende begrotingsruimte voor het handhaven van een wereldomspannende militaire ‘voetafdruk’. Toch behoudt de ‘nationale hegemonische’ coalitie haar macht – gesteund door de wapenindustrie en de aanhoudende bezorgdheid binnen het hele politieke spectrum over de militaire dreiging die van Rusland en China uitgaat – en slaagt ze er onverminderd in om exorbitante defensiebudgetten door het Congres te loodsen, met grote investeringen in militaire AI-technologie, geautomatiseerde wapensystemen, hypersonische raketten en de militarisering van de ruimte. Tegelijkertijd leiden het almaar uitdijende internet der dingen (IdD) en de toename van slimme elektriciteitsnetten ertoe dat het risico op cyberaanvallen op de kritieke infrastructuur steeds groter wordt.
In combinatie met een nieuwe generatie hypersonische raketten, het gebruik van deepfakes als wapen en AI-beslissingssystemen die bedoeld zijn om het almaar hogere tempo van de oorlogsvoering bij te benen, zien we een angstaanjagende cyber-AI-kernwapen nexus ontstaan (of een cyber-AI-kernwapen-klimaat-existentiële nexus, als we de mogelijk versterkende terugkoppelingen van de klimaatcrisis en de verharding van de relatie tussen het zelf en de ander meerekenen). In dit scenario is er ook sprake van verslechterende relaties tussen India en Pakistan, India en China, Israël en Iran en Saoedi-Arabië en Iran – het resultaat van zowel een diep verankerde dominantie van etno-nationalistische coalities als van helse hitte-extremen en voedsel- en watertekorten die het voortbestaan van deze regimes op termijn in de waagschaal stellen. Tegen die tijd zullen Iran en Saoedi-Arabië waarschijnlijk allebei over kernwapens beschikken. Mochten alle of de meeste kernwapenstaten er dan ook nog toe over zijn gegaan om AI en hypersonische raketten in hun kernwapenprogramma’s te integreren – en blijven ze zich ondertussen vergrijpen aan de exploitatie van wederzijds destabiliserende cognitief-emotionele conflicten en deepfake-operaties – dan neemt het risico op een nucleair treffen nog verder toe, precies op het moment dat de VS, de EU en andere staten (die onder hun eigen binnenlandse crises gebukt gaan) minder goed bij machte zijn om een bemiddelende rol te spelen.
86. Rudd, Avoidable War.
87. Robinson, Global Police State; Rogers, Global Security.
88. Dit wordt ook voorzien door Patomaki; zie: Political Economy of Global Security, pag. 154.
89. Gustafson, Klimat, pag. 213-215.
90. IEA, WEO 2022, pag. 379.
91. Adam Goldstein en Constantine Samaras, ‘Dire Straits: Strategically-Significant International Waterways in a Warming World’ (Center for Climate and Security, juni 2017). https://climateandsecurity.org/wp-content/uploads/2017/06/4_dire-straits.pdf.
Het is evident dat dit een uitermate instabiel geopolitiek landschap oplevert. Een landschap (om nog even terug te komen op de kwestie van zonnestralingsbeheer – ZSB – in hoofdstuk 4) dat de meest waarschijnlijke omgeving zal vormen voor pogingen om tot ZSB-interventies over te gaan. De impliciete aanname van de voorstanders van zonnestralingsbeheer is dat landen voor de duur van een ZSB-programma, zeg dertig, veertig jaar, wereldwijd harmonieus zullen samenwerken – waarin er dus geen oorlogen, cybersabotage, niet-statelijk terrorisme, ontwrichtende pandemieën of terminatieschokken zullen plaatsvinden –, wat op zijn best overmoedig is en op zijn slechtst van een ronduit gevaarlijke naïviteit getuigt.[92]
In het beste geval zullen krijgszuchtige hegemonische en etno-nationalistische krachten hun macht in dit scenario consolideren, bereiken militaire uitgaven en CO₂-emissies recordhoogten, staat er een rem op de hoeveelheid energie en grondstoffen die in de energietransitie en klimaatadaptatie kan worden gestoken (met name in het mondiale Zuiden) en komt de aarde op koers te liggen naar 2,8°C in 2100. Zelfs al zouden legers in dit scenario goeddeels gedecarboniseerd kunnen worden, dan nog brengt dit een probleemverschuiving met zich mee, in de zin dat een grootscheepse inzet van landintensieve biobrandstoffen en/of op groene waterstof gebaseerde energie-intensieve synthetische brandstoffen tot hogere voedsel- en energieprijzen leiden en landbouwgrond en elektriciteit onttrekken aan het lenigen van dringender noden.[93]
In het slechtste geval zal een combinatie van elkaar wederzijds versterkende etno-nationalistische coalities in kernwapenstaten, van destabiliserende terugkoppelingen van de cyber-AI-kernwapen nexus en van de toenemende existentiële gevolgen van de klimaatontwrichting, tot een afbrokkeling van de nucleaire afschrikking leiden en ervoor kunnen zorgen dat een kernoorlog werkelijkheid wordt. In dit scenario behoort een ‘ineenstortingstraject’ dus zeker tot de mogelijkheden, al zou de ineenstorting van het wereld-systeem getemperd kunnen worden wanneer de VS, Rusland, China en andere staten te zeer door hun eigen binnenlandse crises overweldigd zijn om zich in desastreuze warme oorlogen mee te laten slepen.[94]
92. Zoals beaamd wordt door: Corry, ‘International Politics of Geoengineering’; MacKinnon, ‘Panglossian Politics’; Tang en Kemp, ‘Fate Worse Than Warming’.
93. Leonie Nimmo en Hana Manjusak, ‘Environmental CSR Reporting by the Arms Industry’ (Conflict and Environment Observatory, december 2021). https://ceobs.org/environmental-csr-reporting-by-the-arms-industry/.
94. Dit is wat Michael Klare verwacht. Zie: ‘China 2049’ (Tom Dispatch, 24 augustus 2021). https://tomdispatch.com/china-2049/.
Laten we nu eens een variant op dit laatste scenario onderzoeken. Wat als de grootmachten en de mondiale kapitalistische elites de handen ineen slaan om de geopolitieke spanningen terug te dringen en zich te focussen op het beteugelen van bottom-up opstanden van een in toenemende mate achtergesteld, onzeker en ‘overtollig’ precariaat? In dit scenario zien we iets ontstaan wat veel trekken heeft van Robinsons ‘mondiale politiestaat’.
Als gevolg van een versnelde economische en geopolitieke Russische neergang komt daar in de jaren veertig een hervormer aan de macht die de banden met het Westen herstelt en pogingen doet om de economie te diversifiëren en de afhankelijkheid van inkomsten uit olie en gas te verminderen.
Ofwel om het succes te vieren van de annexatie van Taiwan, dan wel om de pijn weg te slikken van een nederlaag tegen de VS, kiest de Chinese Communistische Partij een nieuwe leider die breekt met Xi’s hardhandige aanpak van het economisch bestuur, militaire machtsvertoon en vijandigheid jegens het Westen – wat nodig wordt geacht om de economische groei in tijden van toenemende stagnatie nieuw leven in te blazen.
Het gevolg hiervan is dat transnationale, globalistische facties hun hegemonie in de VS, Europa, China, Rusland en elders weten te consolideren. Mondiale fora zoals de G20, het World Economic Forum en de Atlantic Council bevorderen de belangenharmonie tussen deze staten, opdat die zich volledig kunnen focussen op de aanpak van de ongekende convergentie van socio-ecologische crises die het wereld-systeem belaagt. Inmiddels is netto nul in 2050 tot een verre, vage utopie verworden en verbinden de mondiale elites zich ertoe om groots in te zetten op CO₂-verwijderingstechnieken (CDR) en zonnestralingsbeheer (ZSB) om zo het gevaar van een cascade van kantelpunten in een context van 2°C+ af te wenden. En in een wereld waarin de elites zich steeds meer bedreigd voelen door volksopstanden, sabotage door geradicaliseerde eco-activisten, gewelddadige onlusten in Afrika en het Midden-Oosten, toenemende aantallen ‘illegale’ migranten en de dreiging van niet-statelijk terrorisme – versterkt door de verdere ontwikkeling en verspreiding van massavernietigingstechnologieën – richten ze zich op een internationale coördinatie van veiligheidsoplossingen, -technologieën en -praktijken. Het private militair-veiligheids-grensbewakingscomplex – dat in 2018 goed was voor zo’n 431 miljard dollar en in 2024 grofweg 606 miljard dollar bedroeg – zal halverwege deze eeuw tot een biljoenenindustrie zijn uitgegroeid.[95]
De VS, Europa en China zullen (in uiteenlopende mate) sterk afhankelijk zijn van de import van zonne-energie, groene waterstof, LNG, olie en grondstoffen uit Afrika en het Midden-Oosten, in een tijd dat deze regio’s geplaagd worden door een groeiende politieke instabiliteit als gevolg van de nog nasmeulende erfenis van Amerikaanse interventies, de hardhandige onderdrukking van democratische bewegingen en een door klimaatverandering veroorzaakte toename van de voedsel- en waterschaarste. Teneinde deze stromen van ecologisch ongelijke uitwisseling veilig te stellen, ziet de imperialistische kern zich genoopt om de uitgaven aan leger en politie op te schroeven. In het hele wereld-systeem bereikt de ongelijkheid binnen en tussen staten nieuwe hoogten, worden beveiligingsdiensten steeds vaker geprivatiseerd om de druk op de slinkende begrotingsruimte van overheden te verlichten, worden steeds grotere delen van de bevolking als overtollig afgedankt en vloeit hier een neerwaartse spiraal uit voort die tot almaar meer structureel, staats- en niet-statelijk geweld leidt.
95. Todd Miller, Nick Buxton, Mark Akkerman e.a., Global Climate Wall: How the World’s Wealthiest Nations Prioritise Borders over Climate Action (Amsterdam: Transnational Institute, 2021); Associated Press, ‘Global $600+ Billion Homeland Security and Public Safety Market 2020-2024’ (Associated Press News, 10 december 2019). https://apnews.com/press-release/business-wire/technology-middle-east-c23b8f801ae04057aa10a990700eea08.
In welke mate en hoe lang zal een dergelijk traject door de ‘vooroplopende’ kapitalistische staten en het kapitalistische wereld-systeem als geheel volgehouden kunnen worden – vooral als je daar ook een aanslepende en verergerende polycrisis bij betrekt? In tegenstelling tot degenen die een uiteindelijke ineenstorting van het kapitalisme voorzien, stelt George Rigakos dat het kapitalistische systeem ‘zijn eigen uitsterven voor eeuwig voor zich uit kan schuiven’ door te investeren in een private militaire veiligheidsindustrie die én de kapitaalaccumulatie op gang kan houden én het antikapitalistische verzet kan beteugelen.[96]
Ik deel zijn mening dat deze industrie de winsten van individuele kapitalisten in stand zal houden, maar voor het kapitalistische systeem als geheel gaat deze redenering voorbij aan het probleem van oneindige samengestelde groei binnen de context van een almaar heftigere polycrisis. Voor het op gang houden van de samengestelde economische groei, zo benadrukt Harvey, moet het kapitaal erin slagen om zonder onderbreking een exponentieel toenemend aantal nieuwe afzetmarkten te vinden – voor grofweg 160 biljoen dollar aan winstgevende investeringen in goederen en diensten in 2045, voor zo’n 320 biljoen dollar in 2070, voor dik 640 biljoen dollar aan het einde van de eeuw, et cetera.[97] ‘Die opgave is ontzagwekkend groot,’ aldus Harvey.[98] Zelfs al is de private militaire veiligheidsindustrie in 2050 goed voor 2 biljoen dollar (op basis van een extrapolatie van de huidige trends), en loopt dat bedrag in 2070 op naar tussen de 5 en 10 biljoen dollar, dan nog valt dit zo goed als in het niet bij de totale accumulatie-opdracht van het mondiale kapitaal.[99] Waarschijnlijker is het, zoals ik in hoofdstuk 4 heb aangegeven, dat een aanhoudende intensivering van de socio-ecologische crises juist uitmondt in een gestage afname van het consumenten- en investeerdersvertrouwen; in het vervliegen van de opties voor winstgevende investeringen; in een toenemende afhankelijkheid van financiële speculatie en rentierisme; en in een opeenstapeling van kwetsbaarheden in het financiële systeem die een systeemcrash kunnen ontketenen wanneer de schulden almaar oplopen en de groei tot stilstand komt. Ondertussen zullen sterk op veiligheid gerichte staten – binnen een context van toenemende onlusten en een racistische angst voor ‘illegale’ immigratie – hun uitgaven aan leger, politie en grensbewaking in een tijd van hoogoplopende economische en fiscale spanningen verder opvoeren, waardoor er nog minder middelen overblijven om het hoofd te bieden aan de toenemende schokken op het gebied van het klimaat, het voedselsysteem, energie en pandemieën.
Slagen de imperialistische mogendheden er in dit scenario in om tegelijkertijd (1) de nagenoeg continue dreiging van een geopolitieke crisis en een oorlog tussen de grote mogendheden af te wenden; (2) de militaire en politionele assemblages uit te breiden om zo de aanvoerstromen van cruciale grondstoffenstromen veilig te stellen en een almaar hongerigere en opstandigere bevolking in toom te houden; en (3) de temperatuur op aarde te stabiliseren door middel van een gecoördineerde ’tijdelijke en beperkte’ ZSB-interventie plus een noodprogramma voor de grootschalige uitrol van CDR, dan zullen ze wellicht in staat zijn om de economische groei en een stijgende levensstandaard overeind te houden (dat wil zeggen, voor het geprivilegieerde deel van hun bevolking en voor een tijdje). Waarschijnlijker is het dat we getuige zullen zijn van een ‘zachtere’ landing in de vorm van een ongelijke wereldwijde ineenstorting. Ik wil hier nogmaals benadrukken dat je op basis van verschillende aannames over de belangrijkste parameters tot verschillende conclusies kunt komen. Maar op de langere termijn zal een combinatie van ongekende weersextremen; schokken in het energie- en grondstoffenaanbod; een teruglopende wereldvoedselproductie, evenals een herhaaldelijke ‘gelijktijdige graanschuuruitval’; stijgende uitgaven aan leger, politie en grensbewaking; een ongehoorde fiscale druk; en massale opstanden door de mensen die ‘overtollig’ verklaard zijn, de functionele bestuurlijke vermogens van de meeste natiestaten verre te boven gaan – zelfs van veel van de landen die nu rijk zijn.
96. Rigakos, Security/Capital, pag. 114.
97. David Harvey, ‘Value in Motion’ (New Left Review 126, 2020). Pag. 103.
98. Harvey, ‘Value in Motion’.
99. Associated Press, ‘Global $600+ Billion Homeland Security’.
De VS, China en Rusland vallen uiteen als gevolg van hun enorme omvang en een almaar heftigere interne machtsstrijd om de opvolging; de EU wordt ontbonden en de voormalige lidstaten gaan verder als op eigen houtje opererende vestingstaten; en opstanden en revoluties in Afrika, het Midden-Oosten en Latijns-Amerika zorgen ervoor dat de rijke landen geen toegang meer hebben tot cruciale grondstoffenstromen, wat hun vermogen zal ondermijnen om hun ‘imperialistische levenswijze’ in stand te houden.[100] Het gevolg is dat de imperialistische machten gedwongen worden om zich op hun eigen grondstoffenreserves te verlaten, waardoor de stagflatie en de crises rond de kosten van levensonderhoud verder toenemen. In een losjes gecoördineerde poging om hun gebruikelijke levensstandaard overeind te houden, roepen kapitalistische renteniers (dat wil zeggen, de eigenaars van ‘schaarse’ activa die niet of in beperkte mate aan concurrentie onderhevig zijn) in het hele wereld-systeem de diensten van particuliere beveiligingsbedrijven in om hun wurggreep op het steeds schaarser wordende landbouwareaal, voedsel, water en de krappere energie en minerale grondstoffen te verdedigen, en trekken ze zich terug in zwaar beveiligde ‘bunkers’.[101] Terwijl de kapitalistische economieën geleidelijk tot stilstand komen of abrupt ineenstorten, worden hele ‘horden’ werkloze ‘overtolligen’ gedwongen om hun eigen overlevingsstrategieën te ontwikkelen – ofwel door coöperatieve netwerken van wederzijdse hulp op poten te zetten, of door hun arbeid te verruilen voor de bescherming van hun bestaansmiddelen door een rentenierselite, wat de aanzet kan geven tot nieuwe vormen van feodale horigheid.
Hiermee zullen we mogelijk getuige zijn van de opkomst van een meer gefragmenteerde neofeodale of neomiddeleeuwse geografische constellatie. Daarbinnen zullen staten niet noodzakelijkerwijs verdwijnen. Sommige zullen wellicht bij machte zijn om een effectief gecentraliseerd bestuur in stand te houden dat gebruik maakt van noodwetten om rantsoenering en een verplichte tewerkstelling op het land en in fabrieken door te voeren, maatregelen die nodig geacht worden om de energie- en voedselsoevereiniteit te midden van een inzakkende wereldhandel veilig te stellen. Maar de meeste landen zullen verzwakt, gefragmenteerd en uitgehold zijn, en alleen nog in naam en ideologie bestaan – deze keer dooft het licht dus echt voor de Westfaalse staat als de dominante politieke organisatievorm. In zijn plaats zien we een geografisch ongelijk mondiaal landschap opdoemen, opgetrokken rond een gefeodaliseerd rentierisme dat de grond, de grondstoffen en de veiligheidsdiensten controleert; rond door machtige bedrijfsentiteiten bestierde assemblages van quasi-staten waarin – in een symbiotische samenwerking met particuliere veiligheidsbedrijven – nieuwe territoriale bestuursstructuren zullen ontstaan (bijvoorbeeld in de vorm van de poststatelijke drijvende steden waarvan libertariërs dromen of de bedrijfssteden en -forten die Butler in haar Parable of the Sower en Atwood in Oryx and Crake voor ogen hadden);[102] rond almaar autonomere stadstaten die in staat zijn om zichzelf te verdedigen en te reproduceren door hun socio-ecologische relaties met het achterland te verdiepen; rond krijgsheren en ‘handelaren in geweld’ die elkaar bevechten over het beheer van grondstoffen, wapens en bevolkingsgroepen; en rond meer egalitaire netwerken van wederzijdse hulp en zelfverdediging die vormen van zorg, compassie en solidariteit cultiveren voor diegenen die de toegang tot de bunkers ontzegd wordt.[103]
Beschouwen we het feodalisme als een politiek-economische formatie die gekenmerkt wordt door rivaliserende en elkaar tot op zekere hoogte overlappende aanspraken op soevereiniteit; door de controle over de landbouwgrond en de productieve hulpbronnen door renteniers en krijgsheren die tribuut innen van hun onderdanen in ruil voor de bescherming van hun bestaansmiddelen; en door een heersende klasse die meer waarde hecht aan militair-politionele repressie en opzichtige consumptie dan aan productieve investeringen en innovatie, dan is de term neofeodaal inderdaad een treffende beschrijving voor deze toekomst van na de ineenstorting.[104]
Zorgen positieve terugkoppelingen in het aardsysteem er ook nog eens voor dat het klimaat ‘op hol slaat’, dan neemt ook de ineenstorting ernstigere vormen aan en komt op de lange duur wellicht zelfs het voortbestaan van de mensheid zelf op het spel te staan – een onversneden Mad Max-scenario. Maar verlopen deze terugkoppelingen trager en stabiliseert de mondiale temperatuurstijging zich rond de 2,5°C – eventueel dankzij planetaire herverwildering wanneer krimpende economieën meer ruimte aan ecosystemen laten –, dan kan dit ook de aanzet vormen tot een nieuwe historische fase van socio-ecologische regeneratie. Een ineenstorting houdt dus niet noodzakelijkerwijs het einde van de geschiedenis in, maar kan in potentie ook het startpunt vormen voor een nieuw tijdperk aan gene zijde van de kapitalistische moderniteit. Vanaf dat punt zullen de mogelijke toekomsten wel ingeperkt worden door de parameters van een klimaatchaos van 2,5°C+, een aanhoudende zeespiegelstijging en de uitputting van niet-hernieuwbare grondstoffen. Ook dan zal de ‘mens/aarde’-geschiedenis doorgaan – voortgedreven door het handelingsvermogen van de elites, van de handelaren in geweld, van sociale bewegingen en van de assemblages van de quasi-staten van de toekomst om nieuwe collectieve (imperialistische of andere) projecten van socio-ecologische reproductie, defensie, betekenis en verbondenheid van de grond te tillen.
100. Ulrich Brand en Markus Wissen, ‘Global Environmental Politics and the Imperial Mode of Living: Articulations of State-Capital Relations in the Multiple Crisis’ (Globalizations 9, no. 4, 2012). Pag. 547-560.
101. Duffield, ‘Liberalism, Resilience, and the Bunker’; Raskin, Journey to Earthland.
102. Butler, Parable; Margaret Atwood, Oryx and Crake (London: Bloomsbury, 2003).
103. Kilcullen, Out of the Mountains, pag. 66; Greer, Long Descent.
104. Een groeiend aantal linkse (en rechtse) wetenschappers stelt dat het ‘neofeodalisme’ nu al een realiteit is, vooral in de digitale tech-sector waar ‘politieke renteniers’ veelal de controle over de platformen hebben. Evgeny Morozov merkt echter terecht op dat er weliswaar een tendens is in de richting van een ‘herfeodalisering’ – wat blijkt uit de toenemende macht van de rentenier in de wereldeconomie – , maar dat er ‘nergens een volledig “neofeodalisme” te zien is’. Het huidige wereld-systeem blijft kapitalistisch in de zin dat winst en groei de drijvende krachten van de economie blijven en dat loonarbeid (tenminste in de landen in de kern) nog steeds de dominante manier van overleven is voor de geproletariseerde arbeiders. Het is wellicht nauwkeuriger om het wereld-systeem alleen in de context van een wereldwijde ineenstorting als neofeodaal te omschrijven. Zie: Evgeny Morozov, ‘Critique of Techno-Feudal Reason’ (New Left Review 133/134, 2022). Pag. 95.
In de zojuist beschreven scenario’s mislukt de groene keynesiaanse transitie of is deze niet in staat om met behulp van een snelle innovatie rond hernieuwbare energie een duurzame hegemonie te vestigen. Dus ook al vinden alle benodigde technologische doorbraken plaats, dan nog kunnen de eerder beschreven uitdagingen – zoals de gevolgen van het banenverlies in de fossiele en andere sectoren, conflicten over landgebruik als gevolg van de uitrol van windturbines en zonnepanelen, pogingen van Rusland en de OPEC om de energietransitie te laten ontsporen en een conflict tussen de VS en China over Taiwan – voorkomen dat er een stabiele mondiale groene keynesiaanse hegemonie ontstaat. Toch zal een rappe opeenvolging van technologische innovaties de veerkracht van groene keynesiaanse regimes versterken, en vanuit het oogpunt van het mondiale kapitaal zou dit het gunstigste scenario zijn. Laten we daarom eens kijken hoe de veiligheidsproblematiek zich binnen dit scenario mogelijk zal ontwikkelen.
Zoals ik in hoofdstuk 4 heb besproken, legt een opeenvolging van technologische doorbraken in dit scenario – het product van én groen industrieel beleid én de rivaliteit tussen de VS en China over de cruciale technologieën van de toekomst – de basis voor een lange golf van kapitaalaccumulatie, die het wereld-systeem op koers zet naar het halen van de 2°C-doelstelling. Tegelijk gaat deze door de vierde industriële revolutie aangejaagde transitie gepaard met probleemverschuivingen, zoals een verergering van het probleem van gedemocratiseerde massavernietigingstechnologieën, technologische werkloosheid en techno-autoritaire securitisatie.
Om te beginnen houden de vernietigingstechnologieën die voor niet-statelijke actoren beschikbaar komen gelijke tred met de door de vierde industriële revolutie mogelijk gemaakte progressie op het vlak van ‘groene’ industrieën, aangezien dit stuk voor stuk technologieën zijn die zowel ten goede als ten kwade gebruikt kunnen worden. Elkaar wederzijds versterkende ontwikkelingen rond AI, big data en synthetische biologie zullen ervoor zorgen dat de kosten van dna-synthese met een wet van Moore-achtige snelheid kelderen. Samen met de vooruitgang rond geautomatiseerde dna-synthese en 3D-bioprinters verlagen deze innovaties ‘de specialistische vaardigheden die nodig zijn voor het ontwerpen’ en fabriceren van bioagentia, terwijl ze ‘voor niet-traditionele onderzoekers de drempel verlagen om baanbrekend [biotechnologisch] onderzoek te verrichten.'[105] De democratisering van de toegang tot biotechnologieën heeft ook progressieve gevolgen, doordat kleine boeren, handige doe-het-zelvers en lagelonenlanden in staat worden gesteld om hun afhankelijkheid van grote biotechbedrijven te omzeilen. Maar de keerzijde is dat niet-statelijke actoren met kwaadaardige bedoelingen nu veel makkelijker toegang hebben tot geavanceerde technieken uit de synthetische biologie, en dat ‘dezelfde technieken en kennis voor de productie van biobrandstoffen, farmaceutica en genetisch gemodificeerde zaden, wellicht ook nuttig zullen blijken te zijn voor modificaties met een laakbaar oogmerk,’ zo waarschuwt de National Academies of Sciences.[106]
Beleidsmakers en veiligheidsinstanties erkennen deze dreiging en dus worden er allerlei voorstellen gedaan om de wereldwijde regelgeving voor de bioveiligheid aan te scherpen en te harmoniseren, bijvoorbeeld door het opzetten van een wereldwijd systeem voor het screenen van bestellingen op dna-sequenties en het authenticeren van de afnemers.[107] Maar deze inspanningen blijven doorgaans beperkt tot initiatieven op nationale schaal en vrijwillige zelfregulering door de privésector. Dit komt door (1) de enorme reikwijdte en complexiteit van de betrokken materialen, technieken en actoren; (2) de lobby’s door machtige actoren binnen de ontluikende bio-economie, die aanvoeren dat een al te stringente regulering de vooruitgang in de weg staat om cruciale gezondheids- en duurzaamheidsproblemen aan te pakken; en (3) de aanhoudende spanningen tussen de VS en China, die beide van mening zijn dat een leidende rol op het vlak van synthetische biologie een ‘nationale veiligheidskwestie van de hoogste orde’ is en om die reden niets van overregulering willen weten.[108] Soortgelijke redenen vormen ook een belemmering voor de pogingen om de snel groeiende markt voor civiele drones – hard op weg om een enorme inkomstenbron te worden voor bedrijven als Intel, Verizon, Google en Dai-Jiang Innovations – aan regels te binden, met als gevolg dat drones makkelijker als wapen zijn in te zetten en dat ‘dodelijke drones’ hand over hand toenemen en, naarmate ze goedkoper en geavanceerder worden, breder toegankelijk komen aan niet-statelijke actoren.[109] (De korte film Slaughterbots – die een scene bevat waarin een zwerm dodelijke drones, bestuurd door ontraceerbare niet-statelijke actoren, een slachtpartij aanricht onder burgers – geeft een ijzingwekkend realistisch beeld van hoe deze dreiging in de toekomst werkelijkheid kan worden.)
105. Kemp e.a., ‘Bioengineering Horizon Scan’, pag. 2.
106. NAS, Biodefense, pag. 57-58.
107. Webb en Hessel, Genesis Machine, pag. 262-263.
108. Benjamin Trump e.a., ‘Building Biosecurity for Synthetic Biology’ (Molecular Systems Biology 16, 2020). Pag. 1-16; Bade, ‘A Sea Change’.
109. In de woorden van Cronin ‘zullen de prijzen van kleine [onbemande luchtvaartuigen] blijven dalen. […] De privésector is de drijvende kracht achter deze innovatie en kent een sterke prikkel om krachtige nieuwe functies aan te bieden.’ Zie: Power to the People, pag. 221.
Toch betekent de verspreiding van steeds goedkopere massavernietigingstechnologieën niet noodzakelijk dat ze ook steeds vaker zullen worden ingezet – in dit scenario is dat namelijk afhankelijk van de intensiteit van het structureel geweld. Groene keynesiaanse regimes zullen, in elk geval in hun beginfase, meer gewicht geven aan het terugdringen van ongelijkheid en uitbuiting dan hun neoliberale voorgangers, aangezien herverdeling en een progressiever belastingstelsel nodig zijn om te voorkomen dat de kosten van een versnelde energietransitie op de arbeidersklasse worden afgewenteld en er een populistische tegenstroom op gang komt. Bovendien zal er niet alleen een kwijtschelding moeten plaatsvinden van de schulden van het mondiale Zuiden, maar ook een opschaling van de klimaatmitigatie en de bescherming van de biodiversiteit aldaar. In die zin, zo stellen Beverly Silver en Corey Payne, moet een groene keynesiaanse hegemonie ‘op zijn minst gedeeltelijk [tegemoetkomen] aan de eisen van massabewegingen voor de bescherming van hun levensonderhoud’ om tot een duurzame hegemonische configuratie uit te kunnen groeien.[110] Het laat zich lastig beoordelen hoe ver een keynesiaans regime in dit opzicht kan gaan. Maar gezien de relatieve zwakte van linkse grassroots-bewegingen in het huidige wereld-systeem, mogen we veilig aannemen dat de concessies van de kapitalistische klasse wat betreft het herverdelingsvraagstuk beperkt zullen blijven: net als bij het compromis dat na de Tweede Wereldoorlog tussen kapitaal en arbeid getroffen werd, zullen bepaalde sectoren van de mondiale arbeidersklasse hiervan profiteren terwijl andere ervan worden uitgesloten – vermoedelijk op basis van ras, geslacht en de verhouding tussen de kern en de periferie –, al zal dat het resultaat zijn van politieke strijd.
In de latere fases van dit traject (wellicht zo tussen 2040 en 2060) zullen elkaar versterkende innovaties op het vlak van AI, robotica en 3D-printing een historisch ongekende golf van technologische werkloosheid ontketenen. Volgens ramingen van Kai-Fu Lee kan deze werkloosheid in de jaren vijftig en zestig tot wel 20 à 25 procent oplopen,[111] al kan deze stijging ook geleidelijker verlopen (zoals Daniel Susskind verwacht).[112] Hoe dan ook betreft het een ontwikkeling die in een convergentie van politiek-economische en existentiële crises zal resulteren: aangezien werk voor veel werknemers niet alleen een bron van inkomsten is, maar ook het ‘fundament vormt van een zinvol leven’,[113] zal dit zich zomaar tot een tijdperk kunnen ontpoppen van om zich heen grijpende woede, existentiële onzekerheden en ‘een ongekende sociale onrust’.[114] Het is denkbaar dat een dergelijke populistische woede in de richting van een ecomodernistische socialistische opstand gekanaliseerd wordt – zoals Nick Srnicek, Alex Williams en andere linkse ‘accelerationisten’ hopen[115] – maar ze kan evenzeer een voedingsbodem vormen voor niet-statelijk terrorisme en extreemrechts populisme.
Tegelijkertijd zal de planeet tussen 2040 en 2060, ook na een versneld decarbonisatietraject, een opwarming van 2°C bereiken, wat gepaard gaat met verwoestende weersextremen die het mondiale Zuiden het hardst zullen treffen. Een forse opschaling van de klimaatfinanciering aan het mondiale Zuiden kan de impact hiervan temperen door de kwaliteit van de klimaatadaptatietechnieken te verbeteren, terwijl goedkope zonne-energie het makkelijker maakt om energie-intensieve aanpassingen zoals airconditioning, zeeweringen en ontzilting op grotere schaal te verspreiden. Toch zullen deze ontwikkelingen vooral ten goede komen aan de relatief welgestelde opkomende middenklasse in deze landen – in een 2°C-wereld laten armoede en honger zich dus nog moeilijker verhelpen. En in combinatie met andere spanningen – zoals een opgevoerd extractivisme ten behoeve van transitiemineralen, gestrande activa in oliestaten en CO₂-kolonialisme in de vorm van koolstofcompensaties in bosrijke regio’s in het mondiale Zuiden – leidt dit in de periferie van het wereld-systeem tot meer onveiligheid en conflicten. Als gevolg van diep gevoelde grieven jegens de rijke landen ligt het in de lijn der verwachting dat militant of terroristisch geweld tot een belangrijke vorm van verzet zal uitgroeien. Die rijke landen zijn immers grotendeels verantwoordelijk voor de klimaatproblemen, waarvan de gevolgen het hardst in het mondiale Zuiden gevoeld worden, wat nog eens verergerd wordt door het gemilitariseerde apartheidsapparaat dat de rijke landen hebben opgetuigd om de migratie uit en de conflicten en onveiligheid in de periferie te beteugelen. Binnen een context van almaar geavanceerdere en goedkopere technologieën voor massavernietiging zijn alle voorwaarden dan paraat voor een nieuwe en unieke golf van destructief, niet-statelijk terroristisch geweld.
110. Silver en Payne, ‘Crises of World Hegemony’, pag. 18.
111. Lee, AI Superpowers.
112. Susskind, World without Work.
113. Case en Deaton, Deaths of Despair, pag. 4.
114. Lee, AI Superpowers, pag. 20-21.
115. Srnicek en Williams, Inventing the Future.
Dit brengt ons bij de middelen van georganiseerd geweld, zowel die voor oorlog als voor de uitbreiding van politiebevoegdheden. De exponentiële groei van smart everything verbreedt niet alleen het zicht van het ‘alziend oog’ van de surveillancestaat, maar vormt ook een drijvende kracht achter radicale verbeteringen in de algoritmes voor machinaal leren – wat op zijn beurt weer de motor vormt tot verdere vooruitgang op het vlak van het analyseren van big data, gezichts- en emotieherkenning en andere biometrische technologieën die een vast onderdeel zullen gaan vormen van de alomtegenwoordige camera’s, sensoren en drones. Nationale en mondiale surveillance-assemblages die nu nog overweldigd worden door de enorme bergen aan verzamelde data, veranderen gestaag in meer gecentraliseerde Orwelliaanse systemen die niet alleen de kleinste details van individuele digitale sporen in kaart kunnen brengen en daarop kunnen reageren, maar ook die van de immense ‘sociale grafiek’ die uit hun tijdruimtelijke relaties voortvloeit.[116]
Neurotechnologieën vormen een andere bron van dystopisch potentieel – denk aan technieken om mensenmassa’s onder controle te houden door neurochemische middelen in te zetten die mensen volgzamer maken (zoals traangas, maar dan in de vorm van neurochemische stoffen die de mensen die ze inademen desoriënteren, verwarren en gezeglijker maken), of neurale implantaten die onder dwang in de hersenen van verdachte of als risicovol aangemerkte bevolkingsgroepen (of mogelijk alle burgers) worden ingebracht om hun hersenactiviteit van seconde tot seconde te kunnen monitoren.[117]
We weten nog niet welke nieuwe militaire technologieën ontketend zullen worden door de samenvloeiing van AI, robotica en neuro- en nanotechnologieën, maar het is vrijwel zeker dat daar autonoom opererende drone-zwermen toe zullen behoren voor het bewaken van het land en de zeeën, met inbegrip van migratieroutes, en mogelijk ook voor het lanceren van verrassingsaanvallen op andere staten.[118] Robotsoldaten – mogelijk gemodelleerd naar het Optimus-robotontwerp van Elon Musk dat in 2022 met veel tamtam onthuld werd – zullen na 2050, zo niet eerder, hun opwachting op het slagveld maken.[119] En naarmate ze goedkoper worden en hun mobiliteit, flexibiliteit en besluitvaardigheid verbeteren, zullen ze allicht breed ingezet worden door legers en politiediensten van over de hele wereld. Daar komt bij dat de VS, China en Rusland, aldus Paul Scharre, op termijn ‘miljarden – inderdaad, miljarden – piepkleine, insectachtige drones’ zullen inzetten om de bevolking in de gaten te houden en tegenstanders uit te schakelen. En hoe goedkoper deze technologieën worden, hoe groter de kans dat ze in handen komen van niet-statelijke actoren.[120]
Samenvattend kunnen we een vicieuze terugkoppelingslus ontwaren, waarin structureel geweld, technologische werkloosheid, een toenemende klimaatchaos en een verergerende crisis van de interafhankelijkheid van geweld een verbinding aangaan om angst, woede en existentiële onzekerheid onder de bevolking te verspreiden, wat veiligheidsdiensten het excuus kan verschaffen om de wettelijke en technische restricties op de ongebreidelde uitoefening van hun techno-autoritaire macht op te heffen. Dit proces heb ik de ‘neerwaartse spiraal van onveiligheid en securitisatie’ gedoopt, waarin een toename van niet-statelijke bedreigingen een tegenreactie oproept in de vorm van een intensivering van het staatsgeweld – met als resultaat een groeiende staatsrepressie die op zijn beurt nog meer niet-statelijk geweld oproept.[121]
Mochten socialisten erin slagen om de diep gevoelde onzekerheid onder de bevolking in een massabeweging te kanaliseren, dan is er mogelijk een transitie voorbij een groen keynesianisme naar een ecomodernistisch socialisme in de maak. Maar gezien de afnemende effectiviteit van het stakingswapen in een tijd van massale technologische werkloosheid en het gestaag uitdijende militair-politionele repressieapparaat waartegen zo’n beweging het moet opnemen, zou dit een hele uitdaging zijn. In dit scenario is het waarschijnlijker dat de combinatie van politiek-economische en existentiële crises – aangewakkerd door een hoge technologische werkloosheid en terroristische dreigingen van niet-statelijke aard – een boost geeft aan een ‘politiek van angst’, wat rechtse politici en surveillancekapitalisten de kans biedt om een intensivering van de militair-politionele macht door te voeren die herinneringen oproept aan die van na de aanslagen van 11 september 2001.[122]
We mogen er echter niet van uitgaan dat verbeteringen op het vlak van surveillance-techonologieën op zichzelf genomen voldoende zijn om een dergelijke transitie te initiëren: zo boeken anti-surveillancebewegingen in de VS, Europa en elders de nodige vooruitgang bij het aan banden leggen, en op sommige plekken regelrecht verbieden, van de toepassing van gezichtsherkenningstechnologieën, terwijl de EU voornemens is om AI zodanig te reguleren dat een AI-politiestaat – voor velen een schrikbeeld – voorkomen wordt.[123] Zelfs Peking betracht inmiddels enige terughoudendheid bij het uitrollen van AI-surveillancesystemen door lokale overheden terug te fluiten bij proefprojecten voor de invoering het Sociaal Kredietsysteem, die door de Partij als te ingrijpend en opdringerig worden beschouwd.[124]
Maar slagen terroristische groeperingen er in de toekomst in om de hand te leggen op biowapens, dodelijke drones, het internet der dingen of nucleaire splijtstoffen om daarmee tienduizenden (zo niet miljoenen) burgers te doden, dan zal de combinatie van ongebreidelde angst onder de bevolking en de drang om nieuwe controle- en veiligheidsprojecten in te voeren, de oproep van activisten en progressieve beleidsmakers overstemmen om terughoudend te zijn met de inzet van griezelige nieuwe technologieën voor de intensivering van de staatsrepressie. Dan breekt er een tijdperk van existentiële crises aan – dat wil zeggen, van ideologische transities die gekenmerkt worden door verhoogde gevoelens van angst en kwetsbaarheid, en een toenemende bereidheid om de liberale vrijheden in te ruilen voor de belofte van ‘veiligheid’.
116. Kemp e.a., ‘Bioengineering Horizon Scan’.
117. Kemp e.a., ‘Bioengineering Horizon Scan’, pag. 5-8.
118. Ian Shaw, Predator Empire: Drone Warfare and Full Spectrum Dominance (Minneapolis: University of Minnesota Press, 2016).
119. Michael O’Hanlon, Forecasting Change in Military Technology, 2020-2040 (Washington, DC: Foreign Policy at Brookings, 2019).
120. Aangehaald in: Gregg Allen en Taniel Chan, Artificial Intelligence and National Security (Cambridge, MA: Belfer Center Study, Harvard University, 2017). Pag. 14.
121. Albert, ‘Dangers of Decoupling’.
122. Wodak, Politics of Fear.
123. Melissa Heikkila, ‘Europe Throws Down Gauntlet on ai with New Rulebook’ (Politico, 21 april 2021). www.politico.eu/article/europe-throws-down-gauntlet-on-ai-with-new-rulebook/.
124. Zeyi Yang, ‘China Just Announced a New Social Credit Law. Here’s What It Means’ (MIT Technology Review, 22 november 2022).
Binnen een groen keynesiaans traject zijn dit de belangrijkste terugkoppelingen die een mogelijke katalysator vormen voor de opkomst van zoiets als Mann en Wainwrights klimaat-leviathan, waarschijnlijk ergens tussen 2050 en 2080, wanneer de elkaar versterkende crises van het klimaat, technologische werkloosheid en geweldsinterafhankelijkheid fors in kracht zullen toenemen. Zelf geeft ik de voorkeur aan de term ’techno-leviathan’, aangezien klimaatverandering hier weliswaar onderdeel van uitmaakt, maar niet de belangrijkste drijvende kracht is achter de opkomst ervan. Het gaat eerder om een technologische assemblage dan om een menselijk construct: een ‘cyborgiaanse fusie van lichaamsdelen, gereedschappen, geesten en machines’ die algoritmes, drone-zwermen, biometrische camera’s en sensoren tot een emergent systeem combineert dat zich niet laat herleiden tot een menselijk handelingsvermogen of intentionaliteit.[125]
Een techno-leviathan vormt dan een mondiale bestuurlijke assemblage – ofwel afgedwongen door de hegemonie van een enkele staat, dan wel door een consortium van staten – die machtig genoeg is om ‘in naam van het redden van levens de macht te grijpen, een noodsituatie af te kondigen en de orde op aarde te herstellen.'[126] In sommige opzichten dekt de term ‘leviathan’ niet helemaal de lading, omdat het hier geen wereldregering betreft die gemodelleerd is naar de Westfaalse staat. Maar in andere opzichten ook weer wel, aangezien het om een nieuwe wereldorde gaat waarin staten, kapitalisten en angstige bevolkingen hun goedkeuring hechten aan nieuwe vrijheidsbeperkingen in ruil voor de belofte van ‘veiligheid’.
Uiteraard zijn er de nodige aanwijzingen, vaak aangehaald door westerse geopolitieke analisten, dat China al druk doende is met de opbouw van iets wat de nodige trekken vertoont van een techno-leviathan, oftewel een techno-autoritaire wereldorde die bedoeld is om de door het Westen geleide ‘liberale’ internationale orde van de troon te stoten. Tot de voornaamste ’trekken’ behoren de wereldwijde Chinese export van technologieën voor gezichtsherkenning, 5G en andere surveillancetechnologieën; de ‘digitale zijderoute’, een initiatief dat gericht is op de uitbouw van transnationale digitale infrastructuren die bedoeld zijn om de data die door deze landen ‘stromen’ te monitoren of te verkrijgen; de strategie om zijn enorme binnenlandse databronnen, en een almaar groter deel van die van de rest van de wereld, aan te boren om in 2030 tot dé wereldleider op het gebied van AI uit te groeien; de bijzonder intensieve toepassing van voorspellende politietechnologieën, smart cities (slimme of ‘verbonden’ steden) en biometrie om de binnenlandse orde te handhaven (vooral in Xinjiang); en zijn inspanningen om de huidige mondiale internetstandaarden te vervangen met een nieuw internetprotocol dat ontvankelijker is voor autoritaire controle.[127] Slaagt China in zijn streven naar mondiale hegemonie – bijvoorbeeld door de VS te verslaan in een oorlog om Taiwan, of door zich als de marktleider op het gebied van ‘vierde industriële revolutie’-technologieën te ontpoppen, terwijl de VS stagneert of als gevolg van interne politieke strubbelingen ineenstort, dan is dat zeker één route naar een techno-leviathan.
Toch is de opkomst van een techno-leviathan niet afhankelijk van een wereldwijde Chinese hegemonie, en evenmin zal die beperkt blijven tot een rond China gecentreerd machtsblok dat gebaseerd is op Chinese platformtechnologieën en standaarden. De hierboven beschreven terugkoppelingen doen eerder vermoeden dat die leviathan ook de zogenaamde ‘vrije wereld’ zal omvatten – een wereld die in dit scenario steeds minder vrij zal zijn, en mettertijd ook minder kapitalistisch (wat niet per se een verbetering is, een punt waarop ik hieronder terugkom). Met andere woorden, in plaats van het liberale tegenwicht te vormen voor een illiberale of autocratische orde onder leiding van China, zullen de beide sferen in dit scenario steeds lastiger van elkaar te onderscheiden zijn. Individuele rechten, vrijheden en privacy in brede zin zullen allengs afkalven naarmate het afkondigen van de noodtoestand in reactie op de dreiging van terroristisch geweld met massavernietigingswapens steeds gebruikelijker wordt – waarbij militair-politionele eenheden zonder enige juridische restricties personen kunnen oppakken en dodelijk geweld kunnen toepassen –, terwijl ook de mobiliteit van mensen en goederen sterk wordt ingeperkt. In de openbare ruimte zullen gezichts- en emotieherkenningscamera’s alomtegenwoordig zijn, en in toenemende mate ook in wat ooit als ‘privéruimte’ gold, terwijl surveillance door zwermen politiedrones tot de normale zaken des levens gaat behoren.[128]
125. Shaw, Predator Empire, pag. 16.
126. Mann en Wainwright, Climate Leviathan, pag. 31.
127. Feldstein, Global Expansion of AI; Rudd, Avoidable War, pag. 293-300; Brands en Beckley, Danger Zone, pag. 116-117; Byler, In the Camps.
128. Shaw, Predator Empire, pag. 239-240.
Dit zou een nog nauwer geïntegreerde en panopticum-achtigere versie zijn van de huidige mondiale, gemilitariseerde apartheid, waarin de onderdrukking van migranten en geracialiseerde minderheden verder verhevigd wordt (mogelijk door hen te onderwerpen aan buitengewoon invasieve genomische of neurotechnologische surveillanceregimes), waarin voorheen geprivilegieerde bevolkingsgroepen tot de status van risicovolle of verdachte ‘hordes’ worden gedegradeerd en een bevoorrechte mobiliteitsstatus is voorbehouden aan een steeds kleinere elite. Zowel in China als elders zijn er meer en minder totalitaire varianten op dit scenario mogelijk, waarbij de minder slechte varianten gepaard zullen gaan met een grotere mate van gelijkheid en rechtstatelijkheid alsmede een betere bescherming van het levensonderhoud, terwijl de nog angstaanjagender varianten vooral doen denken aan eenentwintigste-eeuwse reprises van de totalitaire regimes uit het midden van de twintigste eeuw, zoals die door Hannah Arendt beschreven zijn: regimes die AI, big data en neurotechnologieën exploiteren om de bevolking in de gaten en in bedwang te houden, en om op manieren in het menselijk denken en handelen in te grijpen waarvan Hitler en Stalin hooguit hadden kunnen dromen.[129]
Welke variant het ook wordt, voor een bevoorrechte klasse van burgers met een leefbaar loon of een universeel basisinkomen zal dit wellicht een wereld van ongekend comfort zijn (zij het ook een vol ecologische rampspoed, lusteloosheid, digitale afzondering en het verlies van wat Shoshana Zuboff het ‘recht op schuilplekken’ noemt[130]), terwijl die voor het overgrote deel van de wereldbevolking hoogstwaarschijnlijk een angstaanjagende dystopie inluidt. Of in elk geval een ‘ustopische’ toekomst in de betekenis die Margaret Atwood eraan hecht: een wereld die techno-dystopische en utopische elementen combineert, met een utopisch niveau van comfort en gemak voor de bevoorrechte klassen, terwijl de geracialiseerde onderklassen worden blootgesteld aan techno-dystopische vormen van ordehandhaving.[131] Als een techno-leviathan inderdaad ons voorland is, dan is het een kwestie van politieke strijd of het de betere of de slechtere varianten zijn die de overhand zullen krijgen.
Zal deze toekomst het einde of een voortzetting van het kapitalisme te zien geven? Dat hangt af van hoe je ‘kapitalisme’ definieert (zoals ik in hoofdstuk 3 besproken heb). Gaat het om een wereld-systeem waarin de kapitaalaccumulatie de ecologisch dominante functie is, of een systeem waarin subsystemen en functies ondergeschikt zijn aan en functioneel ingeperkt worden door de grenzen die door de allesoverheersende accumulatiefunctie gesteld worden, dan is het heel aannemelijk dat een techno-leviathan niet langer op de eerste plaats ‘kapitalistisch’ zal zijn.[132] Dit wil nogmaals niet zeggen dat de rol van het kapitaal of de accumulatie plots is uitgespeeld, maar eerder dat die rol begrensd wordt door en functioneel ondergeschikt wordt gemaakt aan andere systeemlogica’s en -functies, wat de aanzet kan geven tot een nieuw wereld-systeem dat gekenmerkt wordt door een kwalitatief nieuwe reeks machtsverhoudingen, terugkoppelingen en emergente patronen.
Hoe zou een dergelijke transitie zich voor kunnen doen? Hoewel het kapitalisme gekenmerkt wordt door de ecologische dominantie van de accumulatiefunctie, kunnen ‘niet-economische’ crises (zoals oorlogen, terroristische aanvallen of pandemieën) er in de woorden van Jessop toe leiden ‘dat er op de korte termijn voorrang verleend wordt aan andere subsystemen,’ aangezien ‘het oplossen van deze crises de dringendste taak is voor de succesvolle reproductie van alle systemen.'[133] Zo’n tijdelijke verschuiving qua ecologische dominantie deed zich bijvoorbeeld voor tijdens de eerste fasen van de corona-pandemie, toen de ‘niet-essentiële’ sectoren van de economie (dat wil zeggen, die sectoren die niet absoluut noodzakelijk waren om in de onmiddellijke behoeften te voorzien) abrupt werden stilgelegd om voorrang te verlenen aan de allesoverheersende prioriteit van de volksgezondheid.[134]
De vraag is dus of er binnen het traject van een techno-leviathan sprake zal zijn van een bifurcatie, waarin de kapitaalaccumulatie tijdelijk of permanent ondergeschikt wordt gemaakt aan de veiligheidsfunctie en waarbinnen de kapitalistische vrijheden en winsten worden ingeperkt door de functionele grenzen die voortvloeien uit het dwingende vereiste van het waarborgen van de veiligheid tegen grootscheepse terreuraanslagen. Binnen een context van een snel groeiende toegang tot massavernietigingstechnieken en een voortdurende dreiging van niet-statelijke terreuraanvallen met een historisch ongekend hoge dodentallen, behoort zo’n transitie zeker tot de mogelijkheden. Wel zou dit een contra-hegemonische coalitie vereisen, waarbinnen hooggeplaatste militairen en veiligheidsfunctionarissen (‘securocraten’) in de belangrijkste staten, samen met elementen binnen de kapitalistische klasse (met name de surveillance-kapitalisten en de eigenaren van particuliere beveiligingsbedrijven die binnen een op veiligheid gerichte techno-leviathan bevoorrechte posities zullen verwerven) erin slagen om op nationale en mondiale schaal een quasi-permanente noodtoestand af te roepen die de macht van het financiële kapitaal en van diegenen die het mondiale kapitalistische business as usual willen bestendigen, aan banden legt.
In deze wereld is het niet de kapitaalaccumulatie of economische groei die het primaire doel vormt van regeringen en mondiale elites, maar veiligheid. Transnationale bedrijven zullen hun controle over de productiemiddelen van de planeet goeddeels behouden, maar dan wel in een rol als dienaar van de techno-autoritaire ‘staat’, die beter kan worden opgevat als een bestuurlijke assemblage, waarbinnen de grenzen tussen het publieke en private domein steeds verder vervagen. Tech-bedrijven zoals Google, Meta en Huawei zullen dan eerder de architecten en beheerders zijn van de planetaire surveillance-assemblages dan particuliere ondernemingen die zich op de eerste plaats op winstmaximalisatie richten. In de woorden van Jinghan Zeng kan China ‘zich zelfs tot een door AI bestierd centraal planningssysteem ontwikkelen dat de efficiency van de toewijzing van marktmiddelen maximaliseert,’ en waarbij ultra-geavanceerde AI wordt ingezet om een nieuwe vorm van techno-autoritair socialisme te verwezenlijken, ‘waarmee liberale democratieën niet of nauwelijks de concurrentie zullen kunnen aangaan.'[135]
129. Zuboff, Surveillance Capitalism, pag. 414-415.
130. Zuboff, Surveillance Capitalism, pag. 478.
131. Thaler, No Other Planet, pag. 249.
132. Jessop, State Power; Wright, Envisioning Real Utopias.
133. Jessop, State Theory, pag. 333.
134. Andreas Malm, Corona, Climate, Chronic Emergency: War Communism in the Twenty-First Century (London: Verso, 2020).
135. Jinghan Zeng, ‘Artificial Intelligence and China’s Authoritarian Governance’ (International Affairs 96, no. 6, 2020). Pag. 1443.
Is dat daadwerkelijk het geval, dan kunnen zelfs westerse staten gedwongen worden om een techno-autoritair socialistisch traject te volgen (denk aan Leon Trotski’s ‘zweep van de uitwendige noodzaak’).[136] Een dergelijke postkapitalistische verschuiving kan voorts versterkt worden door de niet-aflatende en onomkeerbare trend van een toenemende technologische werkloosheid, die de rol van de loonarbeid binnen de wereldeconomie gestaag naar de zijlijn dirigeert. In het beste geval zal het gros van de mensen dankzij een universeel basisinkomen of gratis openbare diensten in hun levensonderhoud kunnen voorzien. In het slechtste geval worden de meeste mensen door de elites als wegwerpartikelen afgedankt – aangezien hun rol als arbeider of soldaat grotendeels is uitgespeeld – en aan hun lot overgelaten om hun eigen overlevingsstrategieën te ontwikkelen.[137]
De meest waarschijnlijke uitkomst is dat er een combinatie van beide plaatsvindt, waarbij de rijkere landen een universeel basisinkomen verstrekken en de reproductie voor een geprivilegieerde klasse van burgers in stand houden, terwijl vluchtelingen, immigranten en burgers in arme landen het zelf maar moeten uitzoeken en blootgesteld worden aan geïntensiveerde vormen van politierepressie en surveillance. Op termijn zullen investeringspatronen en technologische innovatietrajecten minder door het winstmotief bepaald worden en meer door gecentraliseerde veiligheids-industriële planningsraden die prioriteit geven aan veiligheid en macht, waarbij de economische productie ondergeschikt wordt gemaakt aan veiligheidsdoelstellingen.[138] De economische groei zal wellicht niet ten einde lopen, maar zaken als kapitaalaccumulatie, het creëren van banen en de noodzaak van belastinginkomsten vormen niet langer de primaire structurele drijfveren. In plaats daarvan zal de technologische vooruitgang – de ‘verovering’ van de ruimte incluis – eerder worden aangejaagd door een eindeloze en onverzadigbare ‘accumulatie’ van veiligheid en macht.[139] Daarbij zullen kapitalisten in sommige sectoren hun directe controle over investerings- en productiebeslissingen verliezen, met name in die bedrijfstakken die zich op potentieel gevaarlijke technologieën richten, zoals de synthetische biologie, nanotechnologie en kunstmatige algemene intelligentie. Iets dergelijks zie je bijvoorbeeld gebeuren in Ken MacLeods roman Star Fraction, waarin een wereldomspannende, door de VS en de VN geleide geheime politie streng toezicht houdt op alle vormen van technologische R&D, onderzoek dat als bedreigend wordt ervaren verbiedt en haar bevelen afdwingt met behulp van een in de ruimte gestationeerd netwerk van kernraketten.[140]
Sommigen geven er misschien nog steeds de voorkeur aan om deze wereld als ‘kapitalistisch’ te betitelen, aangezien er tot op zekere hoogte sprake zal blijven van een continuïteit. Maar op zijn zachtst gezegd zou dit een sterk gecontroleerd en ingekapseld kapitalisme zijn, dat geleidelijk aan muteert in iets wat weinig overeenkomsten meer vertoont met zijn vroeg eenentwintigste-eeuwse vorm. Toch is een postkapitalistische techno-leviathan in dit scenario niet onvermijdelijk.
Staat er enerzijds geen dissidente kapitalistisch-securocratische factie in de coulissen klaar die machtig genoeg is om restricties op te leggen aan de kapitalistische controle over de richting van de technologische innovatie, en leidt een voortdurende verbetering op het vlak van ‘vierde industriële revolutie’-technologieën tot een brede verspreiding van massavernietigingswapens onder niet-statelijke actoren, dan zou dit traject mogelijk ook in een ineenstortingsscenario kunnen uitmonden, bijvoorbeeld als gevolg van een door bio-engineering veroorzaakte plaag die het einde van de mensheid inluidt, zoals in Oryx and Crake van Margaret Atwood het geval is,[141] of (misschien) als resultaat van de opkomst van een kwaadaardige en onbedwingbare kunstmatige superintelligentie.[142]
Worden er anderzijds maatregelen getroffen (bijvoorbeeld in de vorm van het screenen van bestellingen op dna-sequenties, de grootscheepse productie van universele vaccins, gedistribueerde biosensoren en totaliserende algoritmische surveillance) die erin slagen om het opkomende gevaar van niet-statelijk terrorisme in te dammen zonder dat de kapitalistische macht aan dit streven ondergeschikt gemaakt hoeft te worden, dan kan de techno-leviathan die hieruit emergeert als een bijzonder intense variant worden opgevat van wat Nicos Poulantzas een ‘autoritair etatisme’ noemt: een (nationale of transnationale) kapitalistische staat die de democratie en de controle op de uitvoerende macht uitholt en de militair-politionele repressie tegen de onderklassen versterkt teneinde de kapitaalaccumulatie in een tijd van toenemende turbulentie voort te kunnen zetten.[143] Maar gezien het feit dat we tegelijkertijd ook getuige zullen zijn van een langzaam maar zeker einde van het tijdperk van de loonarbeid als gevolg van de almaar voortschrijdende automatisering, moeten we misschien wel tot de conclusie komen dat onze huidige woordenschat steeds vaker ontoereikend is om de juiste woorden voor een dergelijke toekomst te vinden.
136. Met andere woorden, een omkering van de trend waarmee de westerse imperiale machten de kapitalistische industrialisatie opdrongen aan de rest van de wereld; zie: Anievas en Nisancio-glu, How the West Came to Rule, pag. 46.
137. Jairus Grove, ‘From Geopolitics to Geotechnics: Global Futures in the Shadow of Automation, Cunning Machines, and Human Speciation’ (International Relations 34, no. 3, 2020). Pag. 432-455.
138. Voor een vergelijkbaar argument, zie Cronin over het verschil tussen ‘open’ innovatie die wordt aangejaagd door de privésector en ‘gesloten’ innovatie, waarbij staten ‘de toegang tot belangrijke technologische ontwikkelingen controleren.’; Cronin, Power to the People, pag. 11-12.
139. Mark Neocleous, Critique of Security (Edinburgh: Edinburgh University Press, 2008).
140. Ken MacLeod, Star Fraction: A Fall Revolution Novel (Croydon: Orbit, 1995).
141. Atwood, Oryx.
142. Nick Bostrom, Superintelligence: Paths, Dangers, Strategies (Oxford: Oxford University Press, 2014).
143. Besproken in: Jessop, Capitalist State, pag. 170.
Tot dusver hebben we de blik gericht op een reeks behoorlijk duistere toekomsten. Laten we nu eens terugschakelen naar een concrete utopische modus door te kijken naar hoe de veiligheidsproblematiek zich binnen een ecosocialistisch traject zou kunnen ontwikkelen. Zoals in hoofdstuk 3 al ter sprake kwam, zijn er ten minste twee manieren om de uitdaging van het ontwikkelen van ecosocialistische veiligheidsassemblages in te kaderen: de ene is door abolitionistische wetenschappers te volgen die zich richten op het terugdringen van structureel geweld en andere patronen van onrecht die de drijvende krachten vormen achter geweldsmisdrijven, niet-statelijk terrorisme en oorlogen, waardoor de noodzaak afneemt voor (en wat tot de uiteindelijke afschaffing of ‘abolitie’ moet leiden van) systemen van georganiseerd staatsgeweld, zoals legers, politiediensten, gevangenissen en grenzen.[144] De andere benadering is door George Rigakos’ oproep tot een ‘socialistische politiewetenschap’ te volgen, die zich richt op het democratiseren en herbestemmen van de bestaande veiligheidsstructuren met het doel om een overgang van het kapitalisme naar een democratische socialistische wereldorde te vergemakkelijken.[145] Hoewel er ook hier sprake is van enige spanning tussen beide kaders, kunnen ze toch als complementair beschouwd worden, vooral als we voor een navigationele benadering kiezen die onderkent dat afschaffing of abolitie inherent een langetermijnproject is dat om een zorgvuldige planning en strategie vraagt.
Het enigszins paradoxale concept van ‘abolitionistische veiligheidsassemblages’ verbindt beide kaders en kan worden opgevat als het geheel van praktijken en technieken die én bedoeld zijn voor het beteugelen van en reageren op geweld én gericht zijn op het inkrimpen, herbestemmen, vervangen en uiteindelijk afschaffen van de hedendaagse militair-politionele instituties. In plaats van een utopische wereld te verwachten die vrij is van geweld zodra we het kapitalisme overstijgen, wat op zich al een proces is dat meerdere decennia beslaat, zal een ecosocialisme-in-transitie erin moeten slagen om veilig door een landschap van elkaar kruisende veiligheidsuitdagingen te laveren – denk aan de nucleaire dreiging, het gevaar van biologische oorlogsvoering en cyberaanvallen; extreemrechts terrorisme; transnationale criminele netwerken; aanhoudende regionale conflicten en geopolitieke spanningen; fragiele en ineenstortende staten die getekend zijn door een geschiedenis van imperialisme, oorlog en klimaatverandering; en de militaire dreiging die van andere staten uitgaat. Al deze problemen zijn in potentie in staat om ecosocialistische transities te laten ontsporen of ze een repressieve richting in te sturen, iets wat in de geschiedenis van socialistische revoluties maar al te vaak gebeurd is.[146] Verwachten ecosocialisten en aanverwante bewegingen daadwerkelijk dat ze op een dag aan de macht zullen komen, dan zullen ze niet alleen op deze problemen bedacht moeten zijn, maar ook strategieën moeten ontwikkelen – in de vorm van een navigationele politiewetenschap en een abolitionistische agenda – om ze aan te pakken.
Zoals we in hoofdstuk 4 zagen, kunnen ecosocialistische trajecten ten minste vier verschillende vormen aannemen. Hier focus ik me vooral op een ontgroei-traject op de korte termijn, aangezien deze route zich het beste laat verenigen met een abolitionistische strijd binnen de veiligheidsproblematiek. Maar eerst verkennen we de mogelijke trajecten van een ‘gefortificeerde’ variant van het ecosocialisme, die elementen van de huidige gemilitariseerde mondiale apartheid bestendigen – waaronder xenofobe grensregimes, algoritmische surveillance-assemblages die gebruik maken van biometrische technologieën en geracialiseerde antiterrorismepraktijken. Ecosocialistische transformaties van de politieke economieën in de kern van het wereld-systeem vormen an sich dus geen garantie dat ze verenigbaar zijn met abolitionistische transformaties binnen de veiligheids- en ideologische assemblages, waardoor het van vitaal belang is dat we de contra-hegemonische strijd op de gekoppelde maar onderling onherleidbare terreinen van de socio-ecologisch, de veiligheids- en de existentiële problematiek niet alleen analyseren maar ook bevorderen.
Zo valt te verwachten dat het ecomodernistische socialismen in het mondiale Noorden – vooral die vormen die volledig steunen op technologische innovatie zonder hun materiële voetafdruk daarbij terug te dringen – lastig zal vallen om abolitionistische hervormingen door te voeren. Enigszins kort door de bocht resulteert een materiële voetafdruk van rijke landen die een groter beslag legt op de biogeofysische ruimte dan billijk is, namelijk in een van de volgende twee scenario’s: (1) een voortzetting van een relatie van ongelijkheid en uitbuiting tussen de kern- en de perifere gebieden, en dus een soort ‘ecosocialistisch imperialisme’, of (2) een convergentie tussen het mondiale Noorden en Zuiden in de richting van een materiële voetafdruk die vergelijkbaar is met, of groter is dan die van de rijke landen nu, wat simpelweg in een ecologische ramp zal ontaarden.[147] Waar het eerste scenario relaties van ongelijke ontwikkeling en structureel geweld bestendigt, die als aanjagers fungeren van armoede, conflicten, terrorisme en grieven jegens het mondiale Noorden, bemoeilijkt het tweede scenario een snelle reductie van de CO₂-uitstoot, leidt het tot de ontheemding van kleine boeren en inheemse volken en voedt het de rancune bij mensen die door ecomodernistische socialistische monoculturen van hun land zijn verdreven.[148] Bovendien zullen beide scenario’s, net als een groen keynesianisme, in grotere mate afhankelijk zijn van ‘vierde industriële revolutie’-technologieën, waardoor de kans op rampzalige terreuraanslagen door niet-statelijke actoren toeneemt en staten met almaar angstaanjagender bevoegdheden op het vlak van repressie en geweldstoepassing worden toegerust. En dus is het heel goed mogelijk dat ze met een soortgelijke neerwaartse spiraal van onveiligheid en securitisatie te kampen zullen krijgen die hen, in combinatie met een mondiale temperatuurstijging van 2°C+, eveneens in de richting van een techno-autoritair traject duwt.
144. Kundnani, ‘Abolish National Security’; Elliot-Cooper, Black Resistance.
145. Rigakos, Security/Capital, pag. 121-122.
146. Zoals ik laat zien in: Albert, ‘Ecosocialism for Realists’.
147. Hickel, ‘Possible to Achieve a Good Life’.
148. Escobar, Pluriversal Politics.
Hoewel ontgroei-trajecten zich beter lenen voor een abolitionistische transformatie, zorgen ze niet vanzelf voor een einde aan de gemilitariseerde mondiale apartheid. Dezelfde historisch ongekende polycrisis die een ontgroei-traject mogelijk maakt, zal ook de binnenlandse conflicten over de verdeling van middelen uitvergroten, wat ertoe kan leiden dat het moeilijker wordt om publieke steun te verwerven voor wereldwijde solidariteit en herverdeling. Zo is er een scenario denkbaar waarin een versnelde energie- en postgroeitransitie in de kern van het wereld-systeem tot een snel dalende vraag naar fossiele brandstoffen leidt, zonder dat de producenten ervan in het mondiale Zuiden voor dit verlies gecompenseerd worden.[149] In dit scenario, zoals critici van het ‘grenzen aan de groei’-denken in het mondiale Zuiden al heel lang vrezen, zal een postgroeitransitie de bestaande mondiale ongelijkheid wellicht vergroten door de groeivooruitzichten te beperken van die landen die nog steeds onder energiearmoede en tekortschietende basisvoorzieningen voor hun bevolking gebukt gaan.
Ondertussen blijft het rechts-populisme in Noord-Amerika en Europa een geduchte factor, waardoor veel linkse partijen zich genoopt zien om een middenpositie in te nemen, waarbij de garantie van een versnelde decarbonisatie en universele openbare dienstverlening wordt uitgeruild tegen ‘harde’ grenzen, minder bescherming voor asielzoekers en gespierde vormen van terrorismebestrijding. Hoewel deze ecosocialistische staten in naam wellicht de taal van de mondiale solidariteit spreken, zullen ze in de praktijk weinig anders te werk gaan dan de rijke kapitalistische landen nu, bijvoorbeeld door de stromen van ecologisch ongelijke uitwisseling veilig te stellen, door autoritaire regimes in cruciale grondstoffenrijke staten te steunen, door met regeringen in het Zuiden samen te werken aan gemilitariseerde migratiebeperkingen en door militairen in te zetten voor de bestrijding van ’terroristische’ groeperingen en opstanden die de belangen van het Noorden bedreigen.
Gezien de aantrekkingskracht van de ‘reddingsboot-ethiek’ in een context van toenemende socio-ecologische schaarste – dat wil zeggen, de overtuiging dat een natie ‘vooral voor zijn eigen mensen moet zorgen’ en dat het aan boord nemen van ‘drenkelingen’ van buitenaf het ‘scheepje’ tot zinken kan brengen – zal het een hele uitdaging zijn om een gefortificeerde versie van het ecosocialisme te vermijden. Binnen het linkse kamp in Europa en Noord-Amerika zullen er zeker stemmen opgaan die stellen dat dit in een grimmige situatie het beste is waarop we kunnen hopen; een strategie die in elk geval te verkiezen valt boven het alternatief van een reactionaire tegenreactie en een klimaatcatastrofe.
Toch zijn er niet enkel ethische redenen te bedenken waarom we anti-imperialistische en abolitionistische ecosocialismen nodig hebben. Ten eerste, willen overheden in het mondiale Noorden zich daadwerkelijk hard maken voor een versnelde wereldwijde decarbonisatie en een planetaire herverwildering om de temperatuurstijging onder de 2°C te houden, dan lukt dat alleen via een klimaatfonds voor herstelbetalingen dat groot genoeg is om voor biljoenen dollars aan schulden in het mondiale Zuiden kwijt te schelden, klimaatmitigatie en -adaptatie te financieren, verlies en schade te compenseren en duurzame technologieën te delen.[150] Ten tweede is het onwaarschijnlijk dat een prolongatie, laat staan een uitbreiding, van de militair-politionele assemblages – gezien hun hoge energie- en CO₂-intensiteit – te verenigen valt met een versnelde decarbonisatie. En in het licht van het grote beslag dat deze instituties op een afkalvende grondstoffen- en energiebasis leggen, en de hieraan gerelateerde opportuniteitskosten van de defensie-uitgaven (dat wil zeggen, de alternatieven waaraan dat geld anders had kunnen worden uitgegeven), valt die prolongatie wellicht al helemaal niet te rijmen met de belofte van een hoge kwaliteit van leven en het garanderen van universele basisvoorzieningen.[151]
Dus zullen activisten voor klimaatrechtvaardigheid in een uitgelezen positie verkeren om hard te maken dat een waarlijk duurzame oplossing voor de crises van het klimaat en het aardsysteem uitsluitend gelegen is in een abolitionistische en anti-imperialistische vorm van ecosocialisme. Naast het winnen van het intellectuele debat zal het succes of falen van deze concrete utopie uiteraard vooral afhangen van de kracht, de omvang en de coherentie van bewegingen en organisaties die zich inspannen om de strijd voor klimaatrechtvaardigheid, economische democratie, demilitarisering, dekolonisatie en de afschaffing van politie en gevangenissen met elkaar te verbinden. Gegeven het feit dat emotionele investeringen in ras, nationalisme en mannelijkheid aan de basis liggen van het ontstaan en de reproductie van de gemilitariseerde mondiale apartheid, zal het niet mogelijk zijn om aan deze aantrekker te ontsnappen zonder dat er een grootschalige dekoloniale transitie van deze cognitief-affectieve patronen in gang wordt gezet.
149. Zoals besproken in: Albert, ‘Geopolitics of Renewable Energy’.
150. Taiwo en Bigger, ‘Debt Justice’.
151. Ceyhun Elgin, Adem Elveren, Gokcer Ozgur e.a., ‘Military Spending and Sustainable Development’ (Review of Development Economics 26, no. 3, 2022). Pag. 1466-1490.
Dus hoe zou zo’n best-case toekomst enigszins plausibel tot stand kunnen komen? Zoals we in hoofdstuk 4 zagen, zullen zich tussen 2035 en 2040 wellicht enkele kansen voor een ecosocialistische transitie voordoen, wanneer groene keynesiaanse regimes worstelen met de gekoppelde problemen van groene inflatie, stagnatie, werkloosheid, gestrande activa en populistische agitatie. De eerder in dit hoofdstuk beschreven geopolitieke spanningen zullen de transitie naar een ecosocialistische toekomst echter bemoeilijken, aangezien die spanningen oorlogszuchtige coalities in de VS en Europa kunnen versterken; omdat ze existentiële angsten onder bevolkingen kunnen aanwakkeren die aan conservatieve instincten appelleren; en omdat ze het perspectief kunnen bevorderen dat economische groei nu eenmaal een noodzakelijke voorwaarde is voor de nationale veiligheid, terwijl ontgroeien slechts een utopische ‘geitenwollen sokken’-fantasie is.
Ecosocialisten zullen op dergelijke (tegen)reacties voorbereid moeten zijn, al zijn die op zichzelf genomen niet onoverkomelijk. Zoals ik eerder al opmerkte, zullen de VS, China, Rusland en Europa wellicht te kampen krijgen met een ongekende economische tegenwind en een slinkende begrotingsruimte als gevolg van vergrijzing, aanhoudende groene inflatie die geregeld dubbele cijfers bereikt, stagnerende economieën, een opwarming van een kleine 2°C en stijgende defensie- en politiebudgetten. Zoals we zagen, is China tegen die tijd mogelijk te zeer in beslag genomen door binnenlandse beslommeringen om zich aan een invasie van Taiwan te wagen, vooral wanneer grootscheepse stakingen en milieuprotesten aan de legitimiteit van de Partij beginnen te tornen.[152]
Evenzo is er een scenario denkbaar waarin Poetin in Rusland wordt opgevolgd door een gematigde hervormer of waarin de Russische geopolitieke neergang niet met een ‘knal’ maar met een ‘zachte kreun’ verloopt. En gezien de ongekende binnenlandse spanningen waaronder zowel de VS als Europa gebukt zullen gaan, vormen geopolitiek wapengekletter en het opvoeren van de uitgaven aan bewapening, politie en grensbewaking in de ogen van de meer weldenkende burgers en beleidsmakers een almaar minder rationele en adequate respons op de problemen.
Hebben ecosocialisten en bewegingen voor klimaatrechtvaardigheid tegen die tijd voldoende populariteit verworven en zijn ze goed genoeg georganiseerd, dan bevinden ze zich mogelijk in de juiste positie om groene, sociaaldemocratische en arbeiderspartijen meer in de richting van postgroei en demilitarisering te bewegen. In tegenstelling tot het verhogen van de uitgaven aan de wapenproductie en een gemilitariseerde grensbewaking – die in de rijke landen op dit moment dertig keer meer bedragen dan de klimaatfinanciering voor het mondiale Zuiden (leningen niet meegerekend) –, kunnen initiatieven voor klimaatherstelbetalingen daadwerkelijk helpen om de onderliggende oorzaken van de fragiliteit van staten, interstatelijke conflicten, migratie en niet-statelijk terrorisme in het mondiale Zuiden aan te pakken.[153] En door binnenlands de ongelijkheid te verminderen, economische zekerheid voor iedereen te garanderen en meer middelen vrij te maken voor de geestelijke gezondheidszorg en het terugdringen van gezondheidsschade bij drugsgebruik, zullen problemen als vuurwapengeweld, geweld tegen vrouwen en drugsmisbruik wellicht aanzienlijk afnemen. Binnen een dergelijke context kan het politiek haalbaarder worden om de omvang van het politie- en gevangenisapparaat geleidelijk terug te brengen en te vervangen met initiatieven voor herstelrecht en alternatieve, gemeenschapsgerichte strategieën voor het aanpakken en tegengaan van interpersoonlijk geweld.[154] Hoewel er momenteel lastig te ontsnappen valt aan de terugkoppelingslus tussen kapitalisme, militarisering en ordehandhaving, kan een hevige polycrisisstorm die alle grootmachten tegelijk treft, in combinatie met de aanwezigheid in deze staten van grote, krachtige en populaire bewegingen voor klimaatrechtvaardigheid, de voorwaarden scheppen voor ontgroei- en abolitionistische transities.
De bovenstaande schets geeft een idee van hoe ecosocialistische ontgroei-trajecten in de overontwikkelde wereld en abolitionistische strategieën elkaar wederzijds kunnen aanvullen en versterken. Maar we moeten ook bedenken hoe ecosocialistische regimes op mogelijke bedreigingen van andere staten en niet-statelijke actoren zullen reageren. Zelfs in het gunstigste scenario, waarin de VS, China, de EU en andere staten gezamenlijk een ecosocialistische koers inzetten, zullen er wellicht andere machtige naties zijn die zich hiertegen verzetten. Zoals we gezien hebben, zal met name Rusland een bedreiging kunnen vormen voor ecosocialismen-in-transitie vanwege zijn afhankelijkheid van kelderende olie- en gasopbrengsten, zijn latente wrok jegens het Westen en zijn machtige positie op het vlak van kernwapens, digitale oorlogsvoering en desinformatiecampagnes. Dus is het mogelijk dat ontluikende ecosocialistische regimes in Europa en Noord-Amerika hun militaire en nucleaire afschrikkingsstructuren in stand zullen moeten houden, zij het wel tot een minimum beperkt – waarbij ze zich én verplichten tot een ondubbelzinnig ‘afzien van eerste gebruik’-beleid én tot het stopzetten van de permanente paraatheid van kernraketten én tot een beëindiging van de programma’s voor de modernisering van kernwapens en hypersonische raketten én tot afspraken met andere staten om op termijn tot verregaande nucleaire ontwapening te komen.[155]
152. Li, China in the 21st Century; Klare, ‘China 2049’.
153. Akkerman e.a., Climate Collateral; Blakeley e.a., Leaving the War on Terror.
154. Davis, Are Prisons Obsolete?; Elliot-Cooper, Black Resistance; M4BL, ‘Policy Platform’.
155. Deudney, Bounding Power, pag. 255-259; Union of Concerned Scientists, ‘Reducing the Risk of Nuclear War: Taking Nuclear Weapons Off High Alert’, februari 2016. www.ucsusa.org/sites/default/files/attach/2016/02/Reducing-Risk-Nuclear-War-full-report.pdf.
Dit scenario zal er natuurlijk aanmerkelijk gecompliceerder op worden wanneer de VS een trumpiaanse backlash te verduren krijgt en dit land onvermurwbaar tegen een rond China en de EU gecentreerd ecosocialistisch blok ageert. In dat geval kan een wereldwijde ecosocialistische transitie nog steeds tot de mogelijkheden behoren, maar alleen als de militaire en geopolitieke macht van de VS drastisch afneemt. Dit is niet ondenkbaar wanneer én China en andere staten hun Amerikaanse schuldpapier massaal van de hand doen én de vraag naar Amerikaanse dollars terugloopt naarmate de wereldeconomie minder om olie draait (wat de petrodollar ondermijnt, die historisch gezien de basis vormt van de Amerikaanse financiële hegemonie), want dat zal het vermogen van de VS aantasten om zijn gigantische defensiebudget te consolideren.[156] Het voor de hand liggende gevaar hierbij is dat een Amerikaanse dollarcrisis de nationalistische gevoelens aanwakkert en de macht van een Trump-achtig politicus versterkt door een terugkeer naar de ‘gloriejaren’ te beloven en vol in te zetten op de slagkracht van het Amerikaanse leger. Het is dus heel wel denkbaar dat er tijdens de transitie naar een ecosocialistisch systeem een oorlog tussen de grote mogendheden uitbreekt – vooral als de wereld uiteenvalt in twee elkaar bestrijdende fossiel nationalistische en ecosocialistische machtsblokken – en het is onwaarschijnlijk dat ecosocialismen een dergelijke wereldwijde machtsstrijd zullen overleven (althans in hun meer wenselijke vorm).
Maar ook als een contra-hegemonische strijd erin slaagt om de VS in de richting van een democratisch ecosocialisme te duwen, en zelfs als ook Rusland een sociaaldemocratische revolutie doormaakt, is het met de dreigingen niet gedaan. Voor de stabiliteit van ecosocialismen-in-transitie is het namelijk ook van cruciaal belang dat er een veilig digitaal communicatie-ecosysteem bestaat: risico’s op het vlak van de cyberveiligheid, zoals desinformatiecampagnes en cyberaanvallen op de kritieke infrastructuur, kunnen deze regimes destabiliseren door niet alleen de polarisatie te voeden, maar ook de onenigheid tussen arbeiders en milieubeschermers binnen rood-groene coalities uit te vergroten, met name in hun beginfase wanneer hun veerkracht relatief gering is. Deze bedreigingen kunnen bijvoorbeeld van een petrostaat als Saoedi-Arabië afkomstig zijn, maar ook van extreemrechtse groeperingen, fossiele kapitalisten, netwerken van conservatieve miljardairs en andere elementen binnen de kapitalistische klasse die hun macht en privileges willen herstellen. Cyberverdediging blijft dus van eminent belang. Onderdeel van die verdediging zou kunnen bestaan uit wat Ron Deibert internationaal samenwerkende ‘epistemische gemeenschappen’ van experts op het gebied van de cyberveiligheid noemt – een gedistribueerde cyberveiligheidsassemblage die opgebouwd is uit lokale, nationale en regionale verdedigingscapaciteiten die bedoeld zijn om de digitale infrastructuur tegen bovengenoemde bedreigingen te beschermen. [157]
Op een vergelijkbare manier zullen ecosocialismen-in-transitie ook hun voordeel kunnen doen met opensource-synthetische biologie en -3D-printing – technologieën die staten en lokale gemeenschappen in de gelegenheid stellen om zich te ontkoppelen van verafgelegen toeleveringsketens, meer lokale en minder energie-intensieve medische infrastructuren op te tuigen en een impuls te geven aan het scheppen van lokaal aanpasbare en klimaatbestendige gewasvariëteiten.'[158] Risico’s rond de bioveiligheid zijn hiermee niet uitgebannen (al zullen ze geringer zijn dan in een wereld die in grotere mate afhankelijk is van de synthetische biologie en die een hoger niveau van structureel geweld kent) en ze blijven groot genoeg om het instellen van nieuwe organisaties te rechtvaardigen die de veiligheid en de voordelen van ‘open source’-synthetische biologie moeten garanderen. Daarbij zal een moeilijke afweging gemaakt moeten worden tussen toegankelijkheid en bioveiligheid, omdat strengere overheidsregels en stringente inspectie- en verificatieregimes de toegang tot de voordelen van deze technologieën zullen beperken. Daar staat tegenover dat een gedecentraliseerd model voor biotoezicht – vergelijkbaar met dat voor cyberveiligheid van Deibert – een realistische weg voorwaarts kan zijn. Ik pretendeer niet alle antwoorden te hebben, want die zullen in de loop van een ecosocialistische transitie door bio- en cyberveiligheidsexperts en gebruikersgemeenschappen ontwikkeld moeten worden. Maar om tot creatieve oplossingen te kunnen komen, moeten deze vragen wel eerst gesteld worden.
156. Tim Di Muzio, Carbon Capitalism: Energy, Social Reproduction, and World Order (London: Rowman & Littlefield International, 2015).
157. Ronald Deibert, ‘Divide and Rule: Republican Security Theory as Civil Society Cyber Strategy’ (Georgetown Journal of International Affairs: International Engagement on Cyber 3, 2014). Pag. 39-50.
158. Thomas Birtchnell en John Urry, ‘Fabricating Futures and the Movement of Objects’ (Mobilities 8, no. 3, 2013). Pag. 388-405.
Het voorafgaande biedt slechts een beknopte schets van de veiligheidsproblemen waarvoor ecosocialismen-in-transitie zich gesteld kunnen zien. Nogmaals, staten en gemeenschappen zullen elk met hun eigen, relatief autonome veiligheidsproblematiek te maken krijgen die bepaald wordt door hun uiteenlopende problemen, geschiedenissen en geografieën. Zo zal een ecosocialistisch regime in de VS bijvoorbeeld het hoofd moeten bieden aan de bijzonder lastige uitdaging van extreemrechtse terroristen en opstandelingen, aangezien extreemrechtse gewapende milities in de VS momenteel naar schatting honderdduizenden leden tellen, onder wie tal van militairen en politieagenten.[159] De aanpak van dit probleem vraagt zowel om een abolitionistische strategie als om een gedegen socialistische politiewetenschap: door én de onderliggende oorzaken van het rechts-extremisme aan te pakken – zoals een onderinvestering in plattelandsgebieden, oligopolies binnen de agro-industrie die desastreus zijn voor de landbouweconomie en economische onzekerheid die voeding geeft aan een uit overcompensatie voortkomende emotionele investering in witte suprematie[160] – én surveillance- en openbare veiligheidspraktijken te ontwikkelen die democratische verantwoording verschuldigd zijn, zal het mogelijk zijn om het extreemrechtse geweld dat onvermijdelijk toch plaatsvindt, in te perken en er adequaat op te reageren.
Hiermee zullen de drijvende krachten achter extreemrechts geweld echter niet van de ene op de andere dag verholpen zijn en dus zijn er verdergaande ecosocialistische veiligheidsstrategieën nodig die dit geweld kunnen terugdringen. Anders zullen ecosocialismen-in-transitie van alle kanten door reactionaire tegenreacties bestookt worden, die angst en twijfel zaaien onder de bevolking en verwoestende conflicten kunnen aanjagen, met als gevolg dat deze transities mogelijk hun momentum verliezen en terugglijden naar een kapitalistisch regime met zijn militair-politionele assemblages. Deze problemen worden nog steeds onvoldoende onderkend door marxisten en anderen die zich inzetten voor een egalitaire postkapitalistische toekomst. Toch vereist een coherente analyse van de toekomstige mogelijkheidsruimte juist dat we deze kwesties aankaarten, moeilijke vragen stellen en gezamenlijk proberen om er creatieve oplossingen voor te ontwikkelen – en niet dat we de obstakels waarmee deze bewegingen te kampen zullen krijgen uit de weg gaan of bagatelliseren.[161]
Samengevat zal de veiligheidsproblematiek binnen een traject van een zwalkend neoliberalisme een wereldwijde ineenstorting dichterbij brengen, doordat het een fossiele stagflatiecrisis intensiveert, de energietransitie vertraagt, de militaire CO₂-emissies opstuwt en het steeds krappere netto energierendement en schaarser wordende minerale reserves aan militair-politionele assemblages verkwist. De uitkomst zal ofwel een ‘ontwrichtingsscenario’ zijn dat in een desastreuze oorlog tussen de grootmachten uitmondt, dan wel een neofeodaal scenario waarin bevoorrechte elites samenwerken om zichzelf tegen het aanzwellende legioen van ‘overtolligen’ te beschermen.
Dragen door de vierde industriële revolutie aangejaagde technologische doorbraken anderzijds bij aan het stabiliseren van een opkomende groene keynesiaanse hegemonie, dan zal dat hoogstwaarschijnlijk een neerwaartse spiraal van onveiligheid en securitisatie in gang zetten die na verloop van tijd in een techno-leviathan resulteert, die in verschillende staten meer of minder totalitaire vormen kan aannemen.
Tot slot kunnen ecosocialistische transities, met name die van een meer ecomodernistische slag, elementen van de huidige mondiale gemilitariseerde apartheid bestendigen, terwijl ontgroei-trajecten binnen de G7-landen zich beter laten verenigen met abolitionistische oplossingen voor de planetaire problematiek, al zullen die oplossingen zelf ook weer abolitionistische veiligheidsassemblages vereisen om de bedreigingen van statelijke en niet-statelijke actoren te verijdelen die uit zijn op het destabiliseren van de ontluikende ecosocialistische regimes.
Gezien de kwalitatieve complexiteit van de planetaire problematiek en haar oplossingsruimte, zal het inmiddels geen verrassing meer zijn dat we inderdaad behoefte hebben aan een ‘methodologie’ die theorie, transdisciplinaire synthese, geschiedenis, verbeelding en intuïtie combineert. Sociale theoretici kunnen niet om kwantitatieve modellen heen, bètawetenschappers kunnen niet om de sociale theorie en de kritische politieke economie heen, en niemand kan om de onontkoombare rol heen die intuïtie en verbeelding in dit project spelen. Dit voert ons naar een onderzoeksagenda van een onuitputtelijke complexiteit die voortdurend bijgewerkt moet worden naarmate de geschiedenis voortschrijdt en er nieuwe gegevens aan het licht komen – kijk alleen al naar wat er zeer recent allemaal gebeurd is. Dit boek kan daarbij slechts een tipje van de sluier van de toekomst oplichten. Toch laten deze laatste twee hoofdstukken zien dat we door verbanden te leggen tussen deze uiteenlopende vormen van kennis, die theorieën en data uit de natuur- en de sociale wetenschappen combineren, nieuwe inzichten in mogelijke toekomsttrajecten kunnen verkrijgen die zonder een transdisciplinaire synthese ondenkbaar zijn.
159. Kundnani, ‘Abolish National Security’.
160. Bill Hogseth, ‘Why Democrats Keep Losing Rural Counties Like Mine’ (Politico, 1 december 2020). www.politico.com/news/magazine/2020/12/01/democrats-rural-vote-wisconsin-441458?mc_cid=988bb52047&mc_eid=0d70a348da.
161. Albert, ‘Ecosocialism for Realists’.