De vloek van Goliath: hoe dominantiehiërarchiën samenlevingen ten val brengen

FLORIAN U. JEHN*

 

Wanneer we de ineenstorting van samenlevingen bestuderen, bekijken we die meestal door de lens van de elite. We gebruiken daarvoor de verslagen en fysieke nalatenschap van keizers, edelen en de geletterde klassen, die het meest te verliezen hadden toen hun wereld ten einde kwam. Maar stel dat we al die tijd de verkeerde vraag hebben gesteld? Na jarenlang literatuur over ineenstorting te hebben bestudeerd, variërend van kwantitatieve databases zoals Seshat tot casestudy’s die millennia omspannen, komen steeds weer bepaalde patronen naar voren. Toen ik op Luke Kemp’s Goliath’s Curse: The History and Future of Societal Collapse stuitte, kwam zijn analyse overeen met veel van de conclusies die in deze blog worden onderzocht: dat ongelijkheid de broosheid van samenlevingen in de hand werkt, dat democratische participatie de veerkracht vergroot en dat ons huidige mondiale systeem wellicht kwetsbaarder is dan het lijkt. Maar Kemp voegt nog een belangrijk perspectief toe dat in het meeste onderzoek naar ineenstorting over het hoofd wordt gezien. Hij vecht de door de lens van de elite gekleurde visie op de geschiedenis aan. In plaats van simpelweg te kijken naar waarom samenlevingen ineenstorten, vraagt hij zich af of een ineenstorting wel echt de ramp is die we denken dat het is. Misschien is de echte vraag niet waarom ineenstortingen zo catastrofaal zijn, maar voor wie die catastrofaal zijn?

De ineenstorting van een samenleving wordt meestal als iets ergs gezien. Ze brengt chaos, geweld en ellende met zich mee. Dat geldt zeker voor delen van de bevolking, maar lang niet voor iedereen. Historisch gezien waren de meeste staten behoorlijk akelige plekken om te leven. Zo was zowel de Romeinse republiek als het Romeinse Rijk vrijwel voortdurend in oorlogen verwikkeld, terwijl ze ook een nog eens een fiks deel van hun bevolking tot slaaf hadden gemaakt. Zelfs voor een gewone boer was het leven doorgaans niet bepaald rooskleurig. Je moest veel belasting betalen, terwijl je daar vaak niet veel voor terugkreeg. Voor de gemiddelde ingezetene in het Romeinse Rijk was de kans dus groot dat je leven in een oorlog, in armoede of in slavernij eindigde. Maar dit is niet het Rome dat we gewoonlijk voor ons zien. Denken we aan de Romeinen, dan denken we aan alle monumenten die ze hebben opgetrokken, de kunst die ze hebben voortgebracht en aan hun politiek. Maar deze aspecten waren slechts representatief voor een klein deel van de inwoners van het rijk. We hebben het over hun culturele prestaties in plaats van over oorlogen, armoede en slavernij, omdat de geschiedenis nu eenmaal niet geschreven wordt door een arme boer in de Alpen of een tot slaaf gemaakte in de mijnen in Spanje, maar door de rijken, de landeigenaren, de priesters en de politici. En dit gaat voor vrijwel elk imperium op.

We zien de ineenstorting van samenlevingen als iets uitgesproken slechts, omdat we de verslagen van de rijkste mensen uit het verleden als graadmeter voor de hele bevolking beschouwen. Maar hoe ziet zo’n ineenstorting eruit als we ons in plaats daarvan richten op de levensomstandigheden van de gemiddelde persoon? Wat gebeurt er als we de geschiedenis van ineenstortingen vanuit het perspectief van het gewone volk bestuderen? Dat is de vraag die Kemp in zijn boek probeert te beantwoorden.

Dit betekent niet dat Kemp denkt dat ineenstortingen geen schaduwzijden kennen. Ze kunnen zonder meer met vreselijke consequenties gepaard gaan. Neem een regio die gespecialiseerd is in een bepaald gewas en die de oogst aan andere delen van het imperium verkoopt om zo in de eigen behoeften te voorzien. Zo’n regio zal het zwaar te verduren krijgen wanneer de handel over grote afstanden stopt omdat het rijk ineen is gezegen. Maar toch kan deze ineenstorting voor veel van de armere mensen het einde van slavernij en een algehele verbetering van hun levensomstandigheden betekenen.

De effecten van een ineenstorting hangen sterk af van waar je je geografisch en in de tijd bevindt, aangezien ook de gevolgen van ineenstortingen gaandeweg zijn veranderd.

Wanneer we nadenken over hoe de levens van mensen eruitzagen voordat we onze geschiedenis begonnen te boekstaven, is één idee behoorlijk dominant: de natuurtoestand. Het iconische concept van de natuurtoestand is afkomstig van de filosoof Thomas Hobbes. Hij gaat ervan uit dat de levens van mensen vóór de vestiging van staten akelig, vies, wreed en kort waren aangezien de mensheid in een oorlog van allen tegen allen verwikkeld was. Daarom hebben we een sociaal contract nodig tussen de staat en zijn burgers. De staat zorgt voor orde, terwijl de burgers zich aan de staat onderwerpen om zichzelf tegen elkaar te beschermen. Hoewel deze visie op de mens knap populair is (vooral aan de rechterzijde van het politieke spectrum), is ze niet op historische gegevens gebaseerd. Hobbes extrapoleerde gewoon zijn persoonlijke ervaring die hij tijdens de Engelse Burgeroorlog had opgedaan en concludeerde dat die voor de hele mensheid moest gelden. Het mooie is dat we nu over de gegevens beschikken om deze beweringen te verifiëren en dat deze data een heel ander beeld schetsen dan Hobbes voor ogen had.

Voordat de mensheid zich in permanente nederzettingen vestigde, struinden egalitaire banden van maximaal tweehonderd jager-verzamelaars het land af. We weten dat ze regelmatig contact hadden met andere banden, omdat de lichamelijke overschotten van deze groepen een behoorlijk grote genetische diversiteit vertonen. Maar genen waren niet het enige wat ze uitwisselden. Ook hebben we bewijs gevonden dat ze 200 duizend jaar geleden al over grote afstanden handel dreven, waarbij goederen zoals obsidiaan of schelpen over afstanden van zo’n tweehonderd kilometer vervoerd werden. Ze kenden ook gemeenschappelijke projecten, waarvoor duizenden mensen samenkwamen. Het bekendste voorbeeld hiervan is Göbleki Tepe. Een enorm tempelcomplex dat gebouwd werd door samenwerkende stammen van jager-verzamelaars.

Mensen werkten niet alleen samen en dreven onderling handel, ook waren hun levens bepaald niet akelig, vies, wreed en kort. Over het algemeen vinden we juist vrij weinig bewijs voor geweld, hoewel dit sterk varieert. Kijken we naar het antropologisch bewijs voor hedendaagse jager-verzamelaars, dan vinden we waarden van tussen de 0 en 55 procent. Deze studies zijn echter onbetrouwbaar aangezien veel van het geweld of wel door kolonisten en boeren wordt gepleegd dan wel het effect is van alcohol. De grootste systematische archeologische studies naar het paleolithicum wijzen op een geweldsratio met dodelijke afloop van ongeveer 1 procent. Bijna alle dodelijke slachtoffers zijn terug te voeren tot één locatie, Jebel Sahaba, waar een golf van geweld plaatsvond tijdens het turbulente einde van de ijstijd, toen de aarde een overgang doormaakte naar de stabiele warme periode die we nu als het Holoceen kennen. De hedendaagse ‘dodelijk geweld’-ratio bedraagt 0,9 procent (of 2,2 procent wanneer ook zelfmoord wordt meegerekend).

Wat al even opmerkzaam is aan deze gegevens, is dat er geen bewijs is voor oorlogvoering tussen groepen jager-verzamelaars. Als er al geweld voorkwam, dan was dat eerder tussen individuen, niet tussen groepen.

Dit relatief vreedzame bestaan werd wellicht mogelijk gemaakt door het feit dat mensen van origine uitgesproken egalitair zijn. Pas sinds zo’n 11 duizend jaar terug zien we de eerste consistente tekenen van hiërarchie, voornamelijk in de vorm van grotere graven of huizen. Hedendaagse nomadische jager-verzamelaars genieten nog steeds een egalitaire levensstijl. Ze zorgen ervoor dat iedereen die probeert in de egalitaire verhoudingen te domineren op zijn plek wordt gezet. Eerst door middel van sociale druk, maar blijven leden van een stam proberen om zichzelf boven anderen te verheffen, dan gaan die anderen zelfs zo ver dat ze ter dood worden gebracht. Deze afkeer van dominantie wordt ook in de hand gewerkt door de levensstijl van jager-verzamelaars. Probeert iemand je te domineren, dan kun je gewoon ergens anders heen gaan. We zien dit ook terug in onze biologie. Mensenmannen missen over het algemeen de kenmerken die soorten met een strikte hiërarchie wel bezitten, zoals mannetjes die veel groter zijn dan vrouwtjes en die over natuurlijke wapens zoals grote en scherpe tanden beschikken. Bovendien zijn onze ogen veel witter dan die van gorilla’s of chimpansees. Dit is waarschijnlijk een evolutionaire aanpassing, zodat anderen hierdoor kunnen inschatten waar we ons op richten, waardoor we onze intenties blootleggen en er vertrouwen ontstaat.

Maar naast deze egalitaire inslag zijn we ook geobsedeerd door status. Ook dit valt vanuit een evolutionair perspectief te begrijpen. Als je status in je groep te laag wordt, kan de groep je verstoten, wat in veel omgevingen een wisse dood betekent. Tegelijkertijd geldt ook dat hoe hoger je status is, hoe groter de kans is dat mensen je geven wat je wilt.

Wat betreft status zijn er over het algemeen twee manieren om die te bemachtigen: via dominantie of prestige. Beide hebben heel verschillende implicaties. Op prestige gebaseerde status is de meer prosociale en behulpzame variant. De hele groep is erbij gebaat als mensen die iets bijzonder goed kunnen, meer status krijgen. Bovendien kan deze vorm van status niet echt overgeërfd worden en dus krijg je geen accumulatie van status over de generaties heen. Dominantie daarentegen is het verwerven van status door middel van brute kracht. Deze variant is gebaseerd op geweld, intimidatie en het verkrijgen van macht over middelen. Indien mogelijk trachten mensen die individuen te vermijden die status nastreven op basis van dominantie en richten ze zich bij voorkeur op personen die status verwerven aan de hand van prestige. Niet iedereen heeft een even groot verlangen naar status: het verlangen naar status door middel van dominantie is groter bij mannen en bij diegenen die hoger scoren op de ‘duistere triade’-schaal.*

Onze oorsprong lijkt te zijn gevormd door mensen die op zoek waren naar prestige en samenwerking binnen een egalitaire omgeving. Helaas begon dit allemaal te veranderen toen mensen eenmaal toegang kregen tot nieuwe hulpbronnen.

Het concept van maatschappelijke ineenstorting is pas echt op mensen van toepassing sinds we ons op vaste plaatsen gingen vestigen. Hoewel de bevolkingsaantallen van jager-verzamelaars sterk fluctueerden, werden deze veranderingen door andere processen beïnvloed dan wat we doorgaans als een maatschappelijke ineenstorting beschouwen. De toe- en afname van hun aantal werd bepaald door de algehele productiviteit en het klimaat van de regio waarin ze verbleven. Koelde het klimaat af, dan daalde de productiviteit van de omgeving en nam ook het aantal mensen af. Hoewel dergelijke factoren ook van invloed zijn op sedentaire mensen kunnen die – zelfs onder nog ongunstigere omstandigheden – langer een grotere bevolkingsomvang handhaven omdat ze voorraden kunnen aanleggen voor noodgevallen. Jagers-verzamelaars hadden gemiddeld genomen een veel gezonder voedingspatroon dan landbouwers. De andere kant van de medaille was dat ze ook vaker met hongersnoden te kampen hadden. Al met al betekent dit dat wanneer je je op één plek vestigt en je op één voedingsbron concentreert, je er gemiddeld slechter aan toe bent, maar dat schokken je minder hard treffen.

Het stichten van een nederzetting heeft alleen zin als er in de buurt overvloedige hulpbronnen aanwezig zijn. Dat kunnen vruchtbare landbouwgronden zijn, maar elke betrouwbare hulpbron is geschikt. Veel van de eerste nederzettingen werden gevestigd in de buurt van plekken met een overvloed aan natuurlijke rijkdommen, zoals bij rivieren met veel vis. Hoewel dit de mens weerbaarder maakte tegen de schommelingen van het klimaat, zette het ook de deur open voor de opkomst van op dominantie gebaseerde hiërarchieën. Daarbij was het ontstaan van een voedselsurplus op zich niet zozeer het probleem. Dat surplus werd pas een probleem op het moment dat het makkelijk te zien, op te slaan en te stelen was. In combinatie met afgebakend land en wapens die exclusief in handen zijn van een kleine groep (verderop ‘gemonopoliseerde wapens’ genoemd) legde dit de basis voor het ontstaan van een Goliath. Woon je eenmaal generaties lang op dezelfde plek en is je hele levensstijl gericht op een paar belangrijke hulpbronnen, dan wordt het mogelijk om rijkdom te vergaren. En zodra je de beschikking hebt over meer natuurlijke hulpbronnen dan anderen, kun je die inruilen voor macht.

Stel je een vissersdorp voor. Eén familie vindt een plek waar het visbestand bijzonder rijk is en weet die vissen ook op te slaan (bijvoorbeeld door ze te roken). Daardoor kunnen ze meer vis vergaren dan de anderen. Dit biedt hen kansen, zoals het organiseren van een feestmaal of het helpen van anderen in tijden van nood. Deze kansen creëren een ‘sociale schuld’ die nu aan die familie verschuldigd is. De familie kan deze sociale macht aanwenden om de beslissingen in het dorp te beïnvloeden. Om hun invloed te bestendigen, moeten ze niet alleen die extra vis bemachtigen, maar er ook voor zorgen dat niemand anders er de hand op legt. Om je hulpbronnen te verdedigen, heb je wapens nodig en mensen die daar raad mee weten. Heeft iemand hier bezwaar tegen, dan is er niet veel wat zij of hij kan doen.

Ze kan niet zomaar vertrekken, omdat ook haar leven draait om de lokale middelen, en ze kan de leidende familie niet uitdagen, aangezien die de wapens en de sociale macht in het dorp in handen hebben.

We begonnen met een familie die net iets meer vis ving dan de anderen en eindigden ermee dat die familie nu over een kleine militie beschikt, terwijl iedereen in het dorp hen een gunst verschuldigd is. Dit laat zien hoe makkelijk op dominantie gebaseerde statushiërarchieën ontstaan zodra je over bewaarbare middelen beschikt, mensen niet eenvoudigweg kunnen vertrekken en gemonopoliseerde wapens het moeilijk maken om in verzet te komen. Ten slotte kunnen deze middelen en dominantiestructuren eenvoudig worden geërfd, wat het makkelijker maakt om ze in de loop van generaties verder uit te bouwen en te verfijnen.

Dit betekent niet dat we altijd in een dergelijke situatie terechtkomen, Het wil alleen maar zeggen dat het een sterke natuurlijke aantrekker vormt voor de manier waarop samenlevingen georganiseerd worden. Dit is wat Luke Kemp een Goliath noemt: een verzameling van op elkaar afgestemde, op dominantie gebaseerde hiërarchieën, die in het bijzonder levensgebieden als arbeid en energie in hun greep houden.

Zodra een Goliath zich eenmaal gevestigd heeft, streeft deze ernaar om steeds meer middelen te vergaren. Dit leidt vaak tot meer geweld, zowel binnen als tussen samenlevingen. Dat geweld neemt binnen samenlevingen toe omdat de dominantie moet worden afgedwongen teneinde mensen in het gareel te houden, en het neemt tussen samenlevingen toe, omdat andere samenlevingen een potentiële bedreiging vormen die het beste preventief kan worden afgeweerd. Dit is wat het archeologisch bewijs ons vertelt: over de hele linie laait het geweld op en duiken er ook plots massamoorden en mensenoffers op, die voor de concentratie van middelen in principe niet voorkwamen.

Dit betekent dat Goliath de focus heeft verlegd van geweld tussen individuen naar geweld tussen groepen, en daarmee aan de wieg staat van het fenomeen oorlog. De empirische gegevens wijzen uit dat dit proces zich zowel in Japan, Europa, Meso-Amerika, China, Noord-Amerika als het Nabije Oosten heeft voorgedaan.

Hoewel de geschiedenis laat zien dat menselijke samenlevingen de neiging hebben om in de valkuil van dominantiehiërarchieën* te trappen, laat ze ook zien dat deze hiërarchieën vooral in het begin behoorlijk kwetsbaar waren. Vanaf de eerste nederzettingen duurde het duizenden jaren voordat de meerderheid van de mensen niet langer als jager-verzamelaar leefden. Dit betekent dat boeren en jager-verzamelaars lange tijd naast elkaar hebben bestaan. Als ze de keuze hadden, gaven de meeste mensen er de voorkeur aan om jager-verzamelaar te blijven, aangezien deze levenswijze hen niet alleen meer zeggenschap over hun leven gaf, maar hen – in goede tijden – ook een veel comfortabeler bestaan bood. Bovendien maakte deze co-existentie van levenswijzen het mogelijk om je aan op dominantie gebaseerde hiërarchieën te onttrekken. Woonde je in een nederzetting die naar jouw smaak te hiërarchisch werd, dan vertrok je gewoon.

Naast een dergelijke vreedzame afwijzing van hiërarchische structuren, werd de tegenspraak in veel vroege nederzettingen op een meer gewelddadige wijze opgelost. Weer andere lijken eenvoudigweg langzaam en geweldloos te zijn leeggelopen, als gevolg van een gestage stroom mensen die besloot te vertrekken. Kemp baseert zich hier op een hele reeks voorbeelden, waarbij het patroon steeds hetzelfde is. Een plunderbare natuurlijke hulpbron leidt tot de stichting van een nederzetting. Deze nederzetting is aanvankelijk egalitair, maar na verloop van tijd zien we steeds meer bewijzen van hiërarchie opduiken (in de vorm van bijvoorbeeld tempels of grotere huizen voor enkelingen), maar slechts tot op zekere hoogte. Zodra de ongelijkheid te groot wordt, komen de mensen in opstand en doden ze hun onderdrukkers, of ‘stemmen ze met hun voeten’ en verlaten ze de nederzetting. De aanleiding is meestal een schok van buitenaf, zoals een droogte. Soms resulteert dit niet in het verlaten van de nederzetting, maar juist in een periode van voorspoedige en egalitaire groei. Maar in veel gevallen maakt de hiërarchie na verloop van tijd een voorzichtige comeback en begint de cyclus opnieuw. Wat hieraan vooral opvalt, is de eenvormigheid van het patroon. Je ziet het overal ter wereld terugkeren, of het nu in Amerika, Europa of Azië is. Wat we ook zien, is dat meer egalitaire samenlevingen de neiging vertonen om het langer uit te houden, wat op een inherente instabiliteit van dominantiehiërarchieën wijst.

Zowel in egalitaire als in op dominantie gebaseerde samenlevingen zien we dat er specifieke instrumenten en mythen ontwikkeld worden die de manier van leven versterken. Een van de belangrijkste daarvan is religie, die vooral in dominantiehiërarchieën met succes wordt ingezet. Je kunt religie gebruiken om ervoor te zorgen dat mensen zich aan een hogere macht onderwerpen en verhalen te creëren, zoals dat een vorst onontbeerlijk is voor een goede oogst.

Zodra zo’n hiërarchie omver is geworpen, zullen mensen er alles aan doen om in alle facetten van hun leven decentralisatie te benadrukken. Hoe gedecentraliseerder je samenleving, hoe lastiger het immers is om gedomineerd te worden.

Na verloop van tijd verdrongen agrarische samenlevingen de banden van jager-verzamelaars omdat ze beter tegen voedselcrises bestand waren, een grotere bevolking in stand wisten te houden, de grotere schaal coördinatievoordelen met zich meebracht en ze zich actief op (militaire) expansie richtten. Dit betekende dat Goliath groter kon worden, omdat er nu, in welke richting ze zich ook uitbreidde, meer plunderbare hulpbronnen voorhanden waren, aangezien mensen overal op landbouw waren overgestapt. Maar er speelden nog meer factoren die Goliath in staat stelde om groter te groeien. Brons maakte het mogelijk om betere wapens te maken, gedomesticeerde dieren en gewassen maakten het plunderen van hulpbronnen makkelijker en een hogere bevolkingsdichtheid maakte het overheersen van een gebied lucratiever. Dit alles is duidelijk terug te zien in de gegevens uit de Seshat-database. De beste voorspellers voor de opkomst van meer hiërarchische machtsverhoudingen in een regio zijn de landbouwproductiviteit en de ontwikkeling van militaire innovaties.

Deze verschuivingen maakten dominantiehiërarchieën op grotere schaal mogelijk. Waar je tot dan toe hooguit een of twee nederzettingen kon domineren, kon je nu hele regio’s overheersen. Deze nieuwe en grote, op geweld gebaseerde dominantiehiërarchieën waren wat we nu de eerste staten noemen. Met name in Egypte kwamen al deze factoren precies zo samen dat daaruit de eerste grote staat werd geboren.

Om nog even op Hobbes terug te komen; hier zien we dat het tegenovergestelde van diens sociale contract plaatsvond. De vroege staten brachten niet zozeer barbaren in het gareel, eerder creëerden ze systemen die middelen onttrokken aan boeren, die daar weinig voor terugkregen en gemakkelijk zonder deze staten hadden kunnen leven. Vergelijk je dit met een hedendaagse organisatiestructuur, dan hadden die staten veel weg van de maffia, de georganiseerde misdaad van nu. Heb je eenmaal een dergelijke maffia-achtige staatsstructuur op poten gezet, dan is slavernij de volgende logische stap, omdat die je in staat stelt tot de ultieme uitbuiting van een ander mens (hoewel je natuurlijk ook slavernij kunt hebben zonder staten).

Een andere factor die deze vroege staten mogelijk maakte, houdt verband met hoe mensen op vermeende dreigingen reageren. Leef je in een op dominantie gebaseerde staat, dan ben je je ervan bewust dat er andere staten zijn die je zouden kunnen aanvallen. Dit leidt ertoe dat mensen ontvankelijker raken voor autoritarisme, aangezien autoritaire staatsstructuren de belofte van meer veiligheid in zich dragen en mensen de neiging hebben om autoritairder te worden als ze zich bedreigd voelen. De vroege staten werden allemaal door vergelijkbare krachten gevormd. Elk van deze staten kende een of andere vorm van autoritaire hiërarchie (politieke macht), die met geweld werd afgedwongen (geweldsmacht), werd ondersteund door rituelen en verhalen die hun autoriteit legitimeerden (informatieve macht), en middelen onttrok (economische macht) aan een bepaalde bevolkingsgroep (demografische macht).

Een argument dat vaak ter rechtvaardiging van hiërarchieën wordt aangevoerd, is dat ze nodig zijn om grootse zaken mogelijk te maken. Maar dat klopt niet echt. In veel regio’s vinden we restanten van grote projecten zoals tempels of irrigatiesystemen, vóórdat we tekenen van hiërarchieën aantreffen. Het is vaak juist andersom. Egalitaire groepen bouwen iets waardevols, waardoor anderen er een begerig oog op laten vallen en een dominantiehiërarchie vestigen om er de controle over te bemachtigen.

Een ander belangrijk punt is dat de archeologische gegevens uitwijzen dat de bloederigste en dodelijkste fase van deze vroege staten niet hun ineenstorting was, maar hun stichting. Hun opkomst ging gepaard met veroveringen en oorlogen, terwijl hun ondergang meestal alleen maar betekende dat de mensen van hun onderdrukkers verlost waren – althans, totdat de volgende Goliath zijn opwachting maakte.

Het proces van hoe de vroegste staten ineenstortten, leek over het algemeen genomen sterk op hoe dat bij nederzettingen gebeurde, zij het op een grotere schaal en met meer variatie als gevolg van het klimaat en veroveringen.

De volgende logische ontwikkelingsstap in menselijke organisaties waren imperia. In wezen maken imperia gebruik van hetzelfde extractieve mechanisme dat we bij nederzettingen en vroege staten hebben zien langskomen, zij het op een veel grotere schaal. Meestal is er een machtscentrum dat de hulpbronnen uit alle hoeken van het rijk opzuigt, zoals Rome in het Romeinse Rijk. Imperia zijn grootschalige dominantiehiërarchieën. Voor de meeste mensen die binnen de grenzen van een rijk leefden, ging dat gepaard met een lagere levensstandaard en een grotere ongelijkheid.

Hoewel hun algehele op dominantie gebaseerde structuur veel weg had van die van vroege nederzettingen en staten, was de manier waarop ze ineenstortten aan veranderingen onderhevig. Waar vroege nederzettingen en sommige van de eerste staten te maken kregen met opstanden, die tot een terugkeer leidden naar een meer egalitaire structuur, traden die steeds minder vaak op naarmate staten en later imperia meer macht verwierven. Ze stortten nog steeds regelmatig ineen, maar dat was minder te wijten aan egalitaire opstanden en meer aan externe factoren.

Kijken we naar de eerste verzameling rijken die allemaal rond dezelfde tijd van de vroege bronstijd opkwamen (denk aan het Akkadische Rijk of het Oude Egypte), dan gingen die vaak ten onder als gevolg van een lang aanhoudende, ernstige droogte (de zogenaamde 4,2 ka-gebeurtenis), die een te grote schok vormde voor deze zeer ongelijke samenlevingen. De droogte ontwrichtte de voedselproductie, waardoor de basis onder deze complexere staten wegviel en de hiërarchieën desintegreerden (hoewel de precieze gevolgen van plek tot plek sterk konden verschillen). Anders lag dat bij de imperia uit de late bronstijd (denk aan de Babyloniërs, Hettieten enz.). Zij kenden een complexere ineenstorting, die we nu doorgaans de ‘ondergang van de late bronstijd‘ noemen. Deze ineenstorting werd teweeggebracht door invallen van zeevolken, klimatologische veranderingen, problemen met de voedselproductie en andere factoren. Een van die andere factoren die hier van groot belang is, is dat deze imperia voor zaken als voedsel of tin sterk van elkaar afhankelijk waren. Toen deze onderlinge verbindingen verstoord raakten, gingen de meeste van hen ten onder, omdat ze de gevolgen van de eerde genoemde factoren zonder deze steun in de rug niet konden doorstaan.

Zowel in de staten uit de vroege als de late bronstijd ontstonden er dominantiehiërarchieën die zo sterk waren dat ze zich veel lastiger van binnenuit omver lieten werpen. Deze hiërarchieën konden echter wel ten val worden gebracht door druk van buitenaf, en net als bij onze eerdere voorbeelden van ineenstortingen op kleinere schaal, wijst het archeologisch bewijs uit dat deze ineenstortingen voor de meeste mensen juist gunstig uitpakten, wat blijkt uit de toename van hun lichaamslengte na de ineenstortingen en een algehele verbetering van hun gezondheid.

Plotseling waren ze bevrijd van de parasiterende Goliath, waardoor ze meer middelen voor zichzelf overhielden en beter konden omgaan met de moeilijkere klimatologische omstandigheden. Al laten de archeologische gegevens ook zien dat er sprake is geweest van bloedvergieten en conflicten.

Naast de ineenstorting van imperia als gevolg van externe omstandigheden, speelde ook interne druk een niet te onderschatten rol. Deze interne druk was ziet zozeer gelegen in een verlangen van het volk om terug te keren naar een meer egalitaire samenleving, maar eerder het resultaat van de subversieve kracht van corruptie en een systeem dat op eindeloze groei gebaseerd was.

Het duidelijkste voorbeeld van een imperium dat op deze manier aan zijn eind kwam was het Romeinse Rijk, dat gebouwd was op veroveringen. Het had een sterk leger dat nagenoeg permanent in oorlog was. De constante stroom van veroveringen leverde voldoende nieuwe natuurlijke hulpbronnen op om én de belastingen laag te houden én ruimte bieden aan grootschalige corruptie. Maar deze hulpbronnen vloeiden voornamelijk naar de elites. De situatie was stabiel zolang de veroveringen aanhielden en iedereen beter af was dan voorheen. Na verloop van tijd werd het echter moeilijker om almaar nieuw grondgebied te blijven veroveren. Daarnaast waren veel gebieden die in deze late fase aan het rijk grensden ofwel arm (Germaanse stammen, bijvoorbeeld) of zo machtig dat ze niet veroverd konden worden (zoals het Sassanidische Rijk). Dit betekende dat de constante instroom van middelen door veroveringen afnam. Terwijl de elites via corruptie en dominantie nog altijd almaar meer middelen konden verwerven, werd de algehele bevolking steeds armer. Dit ging tevens gepaard met een overexploitatie van de landbouwgrond. De algehele afname van natuurlijke hulpbronnen leidde tot verdeeldheid onder de elites. Dit alles verzwakte het Romeinse Rijk zodanig dat het de druk van buitenaf niet langer kon weerstaan en ineenstortte. In dit geval pakte de ineenstorting voor een groot deel van de bevolking zeer nadelig uit, met name voor diegenen die al honderden jaren deel van het rijk hadden uitgemaakt, omdat zij afhankelijk waren geworden van een grote, onderling verbonden markt van gespecialiseerde productie. Toen deze markt verdween, moesten veel regio’s hun productie volledig herzien.

Dit patroon was niet alleen voorbehouden aan het Romeinse Rijk, maar kwam in veel imperia uit de oudheid voor. China is in dit verband een boeiend geval. Het kampte met soortgelijke problemen als Rome, maar hield het langer vol. Deze langere tijdsspanne levert ook de nodige interessantere data op over hoe exploitatief het Chinese rijk was. We zien een duidelijke correlatie tussen hoe zeer de staat op de exploitatie van de bevolking gericht was en hoe lang individuele keizers aan de macht bleven. Hoe minder exploitatief hun beleid, hoe langer ze de troon behielden. Dit leidde echter tot het probleem dat een minder op exploitatie gericht imperium doorgaans ook een zwakker imperium is, omdat het niet voor langere tijd grotere legers op de been kan houden. Daardoor is het kwetsbaarder voor verovering en daarom hebben zoveel staten zich in de loop van de menselijke geschiedenis verlaten op dominantiehiërarchieën. In een dominantiehiërarchie kun je jezelf makkelijker verdedigen, omdat het eenvoudiger is om manschappen en geweld te mobiliseren. Dus waar een egalitaire samenleving het leven er voor het gewone volk aanmerkelijk aangenamer op maakt, wordt ze hierdoor in potentie ook kwetsbaarder voor de dominantiehiërarchieën om haar heen.

Wat ook opvalt als we naar de ineenstorting van imperia kijken, is dat verschillende delen ervan op uiteenlopende tijdschalen ineenstortten en vooral dat hun algehele cultuur nooit echt volledig ten gronde ging, maar gewoon in een nieuw systeem overging. Politieke ineenstorting verliep vaak snel, meestal binnen enkele jaren of decennia. Economische ineenstortingen volgden doorgaans binnen een eeuw. Terwijl veranderingen in de informatiesystemen en bevolkingsdynamiek zich over meerdere eeuwen voltrokken, waarbij sommige aspecten volledig onaangetast bleven.

We zien ook dat er sprake is van een duidelijk onderliggend patroon. Imperia stortten ineen wanneer de interne ongelijkheid zo groot werd dat hun veerkracht afnam. Was hun veerkracht eenmaal ernstig gecompromitteerd, dan gingen ze ten onder door eender welke ramp die zich voordeed – ongeacht of die klimaatgerelateerd, een oorlog of iets anders was.

Zoals we tot nu toe hebben gezien, groeide het bereik van Goliath mee met de capaciteiten en mogelijkheden van mensen. Toen we nog vroege boeren waren, was Goliath zo groot als een nederzetting, daarna nam hij de vorm aan van vroege staten en vervolgens van imperia die zich over continenten uitstrekten. De volgende stap werd gevormd door koloniale rijken die de hele wereld omspanden. De koloniale veroveringen door imperia als het Spaanse en het Britse rijk waren sterk afhankelijk van hun verbeterde technologie, maar ook van het verzwakken van andere rijken door ziekten en het aanwakkeren van interne onenigheden. Deze wereldwijde veroveringen behoren wellicht tot de gruwelijkste zaken waaraan de mensheid zich ooit schuldig heeft gemaakt. Schattingen geven aan dat tot zo’n 90 procent van de oorspronkelijke bevolking op het Amerikaanse continent en in Australië en Hawaï de dood heeft gevonden, waarna hun bevolkingsaantal nog eeuwenlang gering bleef omdat ze zo gewelddadig werden onderdrukt. De ontwrichting was zo groot dat zelfs regio’s die nooit rechtstreeks gekoloniseerd zijn, wel zwaar getroffen werden door geïmporteerde ziekten en politieke instabiliteit. Interessant genoeg wordt de geboorte van deze wereldomspannende Goliath zelden als een ineenstorting gezien, aangezien deze vanuit Europees perspectief een periode van groei en verstedelijking in gang zette, ook al was de prijs daarvoor het uitsterven van complete culturen. Misschien is het beter om ons meer te richten op het begin van imperia en minder op hun einde, want als we naar de geschiedenis kijken, is hun opkomst vrijwel altijd veel wreder en gruwelijker dan hun einde.

Tegelijkertijd zien we het kapitalisme ontluiken. Kapitalisme en kolonialisme gingen goed samen. Kapitalisme was gebaseerd op groei en het winnen van grondstoffen, terwijl kolonialisme toegang gaf tot grote hoeveelheden grondstoffen tegen lage kosten. Het luidde ook een nieuwe vorm van ongelijkheid in die voorheen niet bestaan had. Het vroege kapitalisme pakte voor slechts een klein aantal mensen voordelig uit. Zelfs in het hart van imperia leefde de meerderheid van de bevolking onder erbarmelijke omstandigheden. Hoewel Engeland van alle landen zonder meer het meeste profijt heeft getrokken van het kolonialisme en het vroege kapitalisme, daalde de levensverwachting er niettemin met een kleine 20 jaar en slonk de lengte van volwassen mannen met bijna 10 centimeter.

Gelukkig duurde het merendeel van de gruwelen van het kolonialisme slechts zo’n 100 tot 200 jaar. Sindsdien is de wereld grotendeels (althans formeel) gedekoloniseerd en zijn de levensomstandigheden wereldwijd weer verbeterd. Deze periode bracht echter een blijvende verandering met zich mee. Afhankelijk van hoe je het definieert, is er sindsdien geen enkele staat meer definitief ineengestort. Natuurlijk, landen hebben grondgebied gewonnen en verloren, en van tijd tot tijd zijn landen tot de status van failed state – mislukte staat – vervallen, maar geen enkel land heeft een ineenstorting doorgemaakt zoals de staten en imperia uit het verleden. We kennen duidelijke machtswisselingen en die soms gewelddadig zijn. Maar zelfs mislukte staten behouden nog altijd enige toegang tot de wereldmarkten en blijven meestal maar een paar jaar ‘mislukt’, voordat er een nieuwe regering wordt gevormd.

Heeft ons moderne systeem dan het einde van ineenstortingen ingeluid? Hebben we Goliath verslagen? Niet echt. We kennen nog altijd imperia (denk aan Rusland, China of de Verenigde Staten), we noemen ze alleen niet meer zo. Veel van onze moderne instellingen zijn nog steeds op dominantie gebaseerde hiërarchieën, die opgericht zijn en in stand worden gehouden om hulpbronnen te onttrekken. Wat er in werkelijkheid is gebeurd, is dat het product van het kolonialisme en de conflicten van de 20ste eeuw een wereldomspannende Goliath hebben gecreëerd, die elk land op deze planeet omvat. Deze Goliath stabiliseert zichzelf. Verkeren staten in moeilijkheden, dan springen andere staten bij om de stabiliteit te herstellen, aangezien dit vaak kansen biedt om geld te verdienen. In veel mislukte en worstelende staten vindt er een grote privatiseringsgolf plaats, waarna ze weer deel uitmaken van de wereldeconomie. Maar er zijn ook andere redenen waarom een ineenstorting van op dominantie gebaseerde onttrekkingssystemen nu veel minder waarschijnlijk is. Modern wapentuig maakt het bijvoorbeeld veel moeilijker om, al dan niet geweldloos, in verzet te komen.

Maar de belangrijkste reden is wellicht dat we op dominantie gebaseerde hiërarchieën als iets vanzelfsprekends zijn gaan zien, omdat ze de mensheid al duizenden jaren in hun greep houden. Dit betekent niet dat een ineenstorting nu onmogelijk is. Het wil alleen maar zeggen dat er een schok voor nodig is die het hele mondiale systeem in één keer treft.