Erger dan verwacht – de staat van het klimaat I:
Gematigden, alarmisten en het IPCC
GERTJAN COBELENS
Eerder dan verwacht, sneller dan verwacht, erger dan verwacht, dat zijn de treurige steekwoorden van klimaatverandering in de 21ste eeuw.*
Een kleine greep uit de deprimerende ontwikkelingen van 2025:
Op het moment dat ik dit schrijf (eind januari 2026) is duidelijk dat het voortschrijdend gemiddelde van de opwarming over de afgelopen drie jaar (2023-2025) ruim 1,5 graad Celsius (°C) bedraagt.* En dat ook de CO₂-concentratie in de atmosfeer (sinds de metingen in 1957 begonnen zijn) de afgelopen drie jaar telkens met een recordhoogte gestegen is.
2025 was het jaar dat uit onderzoek bleek dat de energie-onbalans van de aarde zo’n twee keer sneller is toegenomen dan zelfs de beste modellen voorspeld hadden. En dat de albedo, de reflectiviteit van de planeet veel sneller daalt dan verwacht.
2025 was ook het jaar dat algemeen erkend werd dat de opwarming van de aarde een versnelling doormaakt, al zijn de meningen verdeeld over de omvang van die versnelling (zie aflevering 4).
2025 was eveneens het jaar dat werd aangetoond dat het kantelpunt voor de AMOC, de Atlantische meridionale omkerende circulatie (waar de golfstroom een onderdeel van uitmaakt), niet pas ergens in de volgende eeuw ligt, maar waarschijnlijk al tijdens de jaren veertig van deze eeuw (zie de proloog van artikel 2), met desastreuze gevolgen voor de landbouw in West-Europa.
2025 was tevens het jaar dat twee eerbiedwaardige Duitse wetenschappelijke genootschappen, de Deutsche Meteorologische Gesellschaft en de Deutsche Physikalische Gesellschaft, een gezamenlijk rapport uitbrachten waarin ze expliciet waarschuwen dat een opwarming van 3°C in 2050 een plausibele optie is. Een echo van die waarschuwing is terug te vinden in een rapport van The Institute and Faculty of Actuaries in samenwerking met de Universiteit van Exeter, waarin ook nog onomwonden verteld wordt wat ons te wachten staat wanneer dat somberste scenario werkelijkheid word, bijvoorbeeld dat zo’n beetje de helft van de wereldbevolking dat niet overleeft. Een groep risico-experts van (godbetert) JPMorgan en Morgan Stanley komt trouwens tot eenzelfde conclusie en stelt ook dat 3°C in 2050 op basis van hun risicomodellen tot de mogelijkheden behoort.
Er is een steeds bredere kloof tussen de buitengewoon verontrustende ontwikkelingen aan het klimaatfront en hoe de politiek en media daarop reageren – niet of nauwelijks. Dat het er almaar meer naar uitziet dat alle prognoses op een te optimistische waarde voor de klimaatgevoeligheid (zie de volgende aflevering) zijn gebaseerd, zie ik als mijn rechtvaardiging om in de pen te klimmen en me er als geïnteresseerde leek (nou ja, ik heb het wel door een deskundige na laten kijken) tegenaan te bemoeien. Het resultaat van dat bemoeien is een reeks van twee korte artikelen en een lange.
Het eerste, korte artikel, ‘Gematigden, alarmisten en het IPCC’, gaat over de vraag waarom de ontwikkelingen rond het klimaat bijna altijd erger zijn dan verwacht. Volgens mij heeft dat deels te maken met de oprichting in 1988 van het IPCC, dat impliciet de opdracht meekreeg om ‘haalbare en realistische doelen’ (dat wil zeggen, doelen die een maximale economische groei niet in de weg te staan) na te streven (zie aflevering 5). De erfenis hiervan is dat in prognoses en risico-analyses doorgaans een sterke terughoudendheid wordt betracht. Het was binnen deze context dat de Amerikaanse econoom William Nordhaus tijdens de jaren negentig en nul een grote en fnuikende stempel op het klimaatbeleid kon drukken (aflevering 6). En aangezien hij ook de vader is van het idee van een ‘veilige’ grens van 2°C, gaan de laatste drie afleveringen over de totstandkoming van die grens en of er überhaupt zoiets als een veilige grens bestaat.
Verder is het geen toeval is dat rapporten die voor de mogelijkheid van een opwarming van 3°C in 2050 waarschuwen steevast van buiten de klimaatwetenschap afkomstig zijn. Want waar risico-experts uit de verzekerings- en de bankenwereld altijd naar de slechtst mogelijke uitkomsten kijken, is dat binnen de klimaatwetenschap nadrukkelijk not done. Kwalificaties als ‘alarmist’ of ‘doomer‘ liggen binnen de klimaatgemeenschap akelig snel op de loer. Met als gevolg dat de klimaatwetenschap sterk gefixeerd is op 1,5°C en 2°C, en dat een risico pas als een risico erkend wordt wanneer het met 95 procent zekerheid is aangetoond.
In de volgende aflevering komen artikel twee en drie aan bod.
Het tweede, korte artikel, ‘Een wereld van sneeuw en ijs’, gaat voornamelijk over de ontwikkelingen aan de Zuidpool en in de Zuidelijke Oceaan. Er zijn steeds meer klimaatwetenschappers* die stellen dat wat hier gebeurt bepalend is voor het verdere verloop van de opwarming van de aarde. En die ontwikkelingen doen weinig goeds vermoeden. De directe aanleiding voor dit artikel is een toevallige bijvangst van mijn research. In de zomer van 2025 hoorde ik een radio-interview met Edward Doddridge, hoofdwetenschapper van een Australische expeditie naar Antarctica. Het was niet eens zozeer wat hij zei, meer de urgentie die in zijn woorden doorklonk – geen bezorgdheid, eerder een lichte paniek (‘It’s really, really bad out there, mate.’).
Dit artikel sluit af met wat er kan gebeuren wanneer een gezaghebbende stem binnen de klimaatwetenschap een verkeerde afslag neemt. In 1998 weidde de eminente klimaatwetenschapper David Rind een al even eminent artikel aan de vraag hoeveel sneller de polen opwarmen dan de rest van de aarde. Simpel gesteld had hij de keuze tussen een ‘gematigd’ model (twee maal sneller) en een ‘alarmistisch’ model (vier maal sneller). Het paleoklimaatonderzoek wees in de richting van het alarmistische model, toch koos hij voor de gematigde optie. Met als resultaat dat de klimaatwetenschap tot en met 2022 met de verkeerde factor heeft gerekend (het alarmistische model bleek juist) en de opwarming van de polen, en in het bijzonder het smelten van permafrost stelselmatig heeft onderschat.
Het derde, lange artikel gaat over klimaatgevoeligheid. Dit begrip heeft betrekking op de relatie tussen de CO₂-concentratie in de atmosfeer en de mate van opwarming. In het bijzonder gaat klimaatgevoeligheid over de vraag hoeveel de wereldwijde temperatuur stijgt wanneer de CO₂-concentratie van een pre-industrieel 280 deeltjes per miljoen (parts per million, afgekort tot ppm) naar 560 ppm verdubbelt.
Omdat die relatie met heel veel onzekerheid omgeven is, geldt ze als de ‘heilige graal’ van de klimaatwetenschap. En met reden. De klimaatgevoeligheid is een belangrijke indicatie voor hoe snel de aarde opwarmt, hoe snel kantelpunten bereikt worden, maar bijvoorbeeld ook voor hoe groot het koolstofbudget is van de hoeveelheid fossiele brandstoffen die nog verbrand mag worden voordat de 2°C-grens doorbroken wordt.*
In 1979 kwam het Charney-rapport tot een schatting van de klimaatgevoeligheid van tussen de 1,5°C en 4,5°C, met 3°C als meest waarschijnlijke waarde. Sindsdien is er aan die ‘beste schatting’ niet veel veranderd. In het recentste IPCC-rapport uit 2021 ligt de klimaatgevoeligheid ‘waarschijnlijk’ tussen de 2,5-4°C en ‘zeer waarschijnlijk’ tussen de 2-5°C, met 3°C als beste schatting. En de belangrijkste studie ooit op het gebied van klimaatgevoeligheid, ‘An Assessment of Earth’s Climate Sensitivity Using Multiple Lines of Evidence‘ (Reviews of Geophysics, 2020), komt tot een beste schatting van 3,1°C.
Prognoses voor 2100, geïntegreerde beoordelingsmodellen die economische voorspellingen doen, de gedeelde socio-economische paden – eigenlijk alles in het klimaatbeleid is gebaseerd op een klimaatgevoeligheid van 3°C. Maar stel nu dat die gevoeligheid geen 3 maar 4°C bedraagt, dan wordt die veelgehoorde prognose van 2,7°C in 2100 plots 3,5°C, slinkt het koolstofbudget met een derde en moeten alle financiële doorberekeningen op de schop.
De vraag die dit derde artikel onderzoekt is of die 3°C nog wel realistisch is. Het is niet mijn bedoeling om er een nieuw cijfer op te plakken, alleen maar om te laten zien dat de ontwikkelingen in het klimaat en in de klimaatwetenschap van de laatste jaren aangeven dat die gevoeligheid eerder in de hogere, zo niet hoogste regionen van de bovengenoemde waarschijnlijkheidsintervallen gezocht moet worden.
De klimaatgevoeligheid wordt vastgesteld aan de hand van drie bewijslijnen: modellen, paleoklimaatonderzoek en waargenomen opwarming (de opwarming sinds 1850). Dit artikel is een diepe duik in elk van deze bewijslijnen. De opzet is steeds hetzelfde. Eerst volgt er een cursus-achtige uiteenzetting van de basiskennis, vervolgens een bespreking van alle onzekerheden en tot slot een overzicht van de belangrijkste wetenschappelijke ontwikkelingen van de jongste jaren op deze drie gebieden. Aan het eind vergelijk ik de nieuwe inzichten met het bovengenoemde artikel van Sherwood en collega’s, ‘An Assessment of Earth’s Climate Sensitivity Using Multiple Lines of Evidence‘ uit 2020, dat als de gouden standaard op dit gebied geldt.
Het is helaas ondoenlijk om de hele klimaatwetenschap in één artikel te proppen, daarvoor is zowel het klimaat als de klimaatwetenschap veel te complex en te veelomvattend. Het voordeel van klimaatgevoeligheid als invalshoek is dat zowel de belangrijkste aspecten van, als de grootste onzekerheden binnen de klimaatwetenschap uitvoerig aan bod komen en dat je op deze manier een behoorlijk goed beeld van de stand van het klimaat en de klimaatwetenschap krijgt.
Veel komt hierbij ook niet aan de orde, zoals een analyse van de rol van de oceanen, de atmosfeer, de ijskappen en zo meer. Ook is de focus sterk gericht op CO₂, terwijl methaan, ozon, lachgas, stikstofoxiden en andere broeikasgassen nauwelijks aan de orde komen. Daarnaast volg ik tamelijk slaafs de natuurkundige benadering van het klimaat en kleur ik netjes binnen de lijnen van de hoofdstroom in de klimaatwetenschap.
In een nog te schrijven vierde artikel zal ik proberen om tot een meer biofysische benadering van klimaatverandering te komen.
Ergens halverwege de jaren zeventig, ik was een jaar of vijftien, verhuisden we van de grote stad naar een streng christelijk plaatsje; zo’n gehucht waar christenen zichzelf gristenen noemen, waar beduidend meer kerken dan kroegen zijn en waar je als puber je eigen vertier maar moet produceren.
Aan kerkbezoek viel, in schoolverband, niet helemaal te ontkomen. Gelukkig maar, want in een saai stadje vormen donderpreken tenminste nog een soort van amusement, helemaal omdat alle clichés die ik op tv over dat soort preken had opgepikt stuk voor stuk bleken te kloppen: de dominee die met trillende stem en in schrille bewoordingen alle verschrikkingen schilderde die de zondaar in het hiernamaals te wachten stonden, en de abrupte overgang naar een zalvende toon, wanneer hij de geneugten beschreef die eenieder zouden toevallen die de Heere Jezus in het hart ontvangen had.
In de jaren 0 en 10 zag een hele trits documentaires over klimaatverandering het licht die naar het stramien van dit soort donderpreken was gemodelleerd. In mijn herinnering lopen ze allemaal in elkaar over. Oké, een trillende vertelstem ontbrak, maar die werd ruimschoots goedgemaakt door onheilspellende muziek en een veelheid aan snel gesneden, duistere beelden van schichtige wolken, stormwinden, uitlaatgassen, met her en der wat rode tinten om de dreiging extra aan te zetten. Om in het laatste deel plots om te slaan naar een arcadisch toekomstbeeld – met veel vlinders en vogels en fluitspel, gevangen in trage, overbelichte beelden – dat ons voorland is wanneer we het evangelie van duurzame energie eenmaal in ons hart gesloten hebben.
Ik zal niet beweren dat niemand ooit door zo’n donderpreek ‘bekeerd’ is, maar erg effectief is die aanpak over het algemeen niet.* En toch is dit het stramien dat im- of expliciet nog altijd de blauwdruk vormt voor veel ‘klimaatcommunicatie’, zij het dat de ‘hel’ die in die documentaires ergens in de verre toekomst was voorzien, nu rap werkelijkheid aan het worden is en dat de ‘hemel’ tot een ‘We kunnen het nog redden als we er allemaal NU de schouders onder zetten’ is verbleekt. Neem de voortreffelijke Ted Talk van Johan Rockström, de grondlegger van de negen planetaire grenzen en directeur van het invloedrijke Potsdam Instituut. Zijn verhaal is zo somber stemmend dat je de toehoorders moeilijk zonder een optimistisch slotakkoord de nacht in kunt sturen. Dus: ‘Ja, ik ben een optimist. Sterker nog, ik ben nog nooit zo optimistisch geweest, want we weten wat moeten doen […] We kunnen het nog redden.’ Of lees het al even indrukwekkende ‘The 2024 state of the climate report: Perilous times on planet Earth.’ Een eersteklas synthese van de staat van het klimaat en het klimaatonderzoek anno 2025. Veel somberder kun je het niet krijgen en toch gloort ook hier een beetje optimisme. 2,7°C in 2100 is weliswaar niet best maar het had, aldus de auteurs, veel erger gekund.
Niet dat er met die voorstelling van zaken per se iets mis is, ware het niet dat dit model zo’n beetje tot een paradigma van de klimaatwetenschap is uitgegroeid: de situatie is beroerd maar ‘we’ kunnen het nog redden. En wie aan dit paradigma tornt, wie bijvoorbeeld op wetenschappelijke gronden stelt dat de ‘hel’ nog weleens een paar graadjes warmer kan worden, of wie oppert dat het bereiken van de ‘hemel’ met haken en ogen gepaard gaat waarmee geen of onvoldoende rekening wordt gehouden, wordt als alarmist, doemdenker of doomer weggezet. En dat is niet zomaar een kwalificatie. Volgens invloedrijke klimaatwetenschappers als Michael Mann* en Zeke Hausfather* is doemdenken een uiterst gevaarlijke en besmettelijke pathologie, veel erger nog dan klimaatontkenning, die koste wat kost uitgebannen moet worden.*
Ze claimen zich te richten tegen fatalisme en defaitisme, maar dat is niet wat er in de praktijk gebeurt. In een interview vertelt Luke Kemp, die onder meer onderzoek doet naar existentiële risico’s, dat hij ernstig gekapitteld is omdat hij de euvele moed had een studie naar worst case klimaatscenario’s te publiceren. (Fascinerend in dit verband is dat een studie van een internationaal gezelschap van actuarissen, risico-experts in dienst van verzekeringsbedrijven, schamper stelt dat een gemiddeld bedrijf meer doet aan risico-analyse dan het IPCC.*) James Hansen, de nestor van de moderne klimaatwetenschap, valt eenzelfde behandeling ten deel, omdat hij stelt dat de klimaatgevoeligheid (zie artikel 3) significant hoger is dan door het IPCC wordt aangenomen. Dat riekt naar het monddood maken van wie niet in de pas loopt.
Dat is allemaal niet zo erg wanneer je de leidende figuren bent binnen een postzegelclub, maar wanneer het én om een existentieel risico gaat én de onzekerheid groot is (opnieuw, zie artikel 3) dan geldt het voorzorgsbeginsel. Dan ben je simpelweg verplicht om ook deze stemmen serieus te nemen.
Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat deze ‘kruistocht’ tegen doemdenkerij een voortzetting is van een ideologische strijd tussen wat je de ‘gematigden’ en de ‘alarmisten’ zou kunnen noemen, die al sinds de tweede helft van de jaren zeventig speelt (zie aflevering 5 en verder). En dat hoe meer barsten het paradigma van de gematigden vertoont, hoe wilder ze om zich heen slaan.
Stel je voor dat Nasa de maanmissies had gepland zonder naar worstcasescenario’s te kijken. Dat is simpelweg ondenkbaar. Of dat een actuaris in haar risico-analyses voor een verzekeringsmaatschappij niet ook de slechtst mogelijke uitkomsten meeweegt. Haar carrière zou een kort leven beschoren zijn. Maar in de klimaatwetenschap is dit staande praktijk.
Het is dus niet verwonderlijk dat de dwang tot optimisme ook in de meest ontnuchterende en alarmerende rapporten de kop op steekt. Zo stelt het in de vorige aflevering genoemde ‘The 2024 state of the climate report: Perilous times on planet Earth‘ (2025) in de inleiding:
‘Ondanks deze waarschuwingen gaan we nog steeds de verkeerde kant op; de uitstoot van fossiele brandstoffen is tot recordhoogte gestegen, de drie warmste dagen die ooit werden gemeten vonden in juli 2024 plaats en met het huidige beleid zijn we op weg naar een piek in de opwarming van ongeveer 2,7 graden Celsius (°C) in 2100 (UNEP, 2023).’
Mijn steen des aanstoots is de 2,7°C in 2100. Het is een cijfer dat regelmatig opduikt als de te verwachten opwarming in 2100. De bron voor dit cijfer is het ‘Emissions Gap Report 2023: Broken Record: Temperatures Hit New Highs, yet World Fails to Cut Emissions (Again)‘ (UNEP, 2023). En dit rapport baseert het cijfer weer op het Sixth Assessment Report (hst 4) van het IPCC uit 2021. In deze paragraaf worden vijf scenario’s – zogenaamde gedeelde socio-economische paden (SSP’s) – uitgewerkt, die op hun beurt weer afkomstig zijn uit ‘The Shared Socioeconomic Pathways and their energy, land use, and greenhouse gas emissions implications: An overview‘ (2017). En die SSP’s zijn weer een bewerking van de Representative Concentration Pathways (RCP’s) uit ‘The representative concentration pathways: an overview‘ (2011) van Detlef van Vuuren en collega’s. Die 2,7°C hoort bij de middelste SSP (SSP2-4.5).*
SSP2-4.5 (de benaming 2-4,5 heeft betrekking op het aantal watts per vierkante meter aan extra opwarming in 2100) wordt wel omschreven als het ‘middle of the road’-scenario en komt overeen met wat landen (in 2020) hebben ‘toegezegd’ te zullen doen. Als elk land daadwerkelijk aan zijn bestaande verplichtingen voldoet – wat momenteel zeker niet het geval is – dan zou dat in 2100 tot een opwarming van tussen de 2,1°C en 3,5°C moeten leiden, met 2,7°C als meest waarschijnlijke cijfer. De vijf scenario’s gaan vergezeld van een verwachte temperatuurontwikkeling voor de rest van deze eeuw. In het geval van SSP2-4.5 is dat 1,5°C in 2040, 2°C in 2060 en 2,7°C in 2100.
Behalve dat deze temperatuurontwikkeling gebaseerd is op een twijfelachtige klimaatgevoeligheid van 3°C, zijn er nog twee redenen die dit temperatuurverloop problematisch maken. De eerste reden is dat er in 2023 een ongekende temperatuursprong van 0,2°C in een enkel jaar heeft plaatsgevonden die alle cijfers op losse schroeven zet. De tweede dat je geen doemdenker hoeft te zijn om je af te vragen of de wereld nog wel het spoor van SSP2-4.5 volgt.
Ook begin 2025 moet al duidelijk zijn geweest dat 1,5°C in 2040 wel buitengewoon optimistisch is. Zeker, officieel is die 1,5°C nog niet bereikt, want die is gebaseerd op een langjarig gemiddelde berekend over de voorafgaande 20 jaar. Maar de World Meteorological Organization verwacht in haar jongste rapport dat dit later dit decennium wel zal gebeuren.
Zo’n langjarig gemiddelde is bedoeld om jaarlijkse fluctuaties uit te middelen. Het probleem ervan is echter, zo schrijft het Britse Met Office, dat hiermee ook de temperatuursprong van 0,2°C sinds 2023 gedeeltelijk aan het zicht wordt onttrokken en zo’n cijfer dus vooral iets over het verleden zegt en weinig over het heden. Om die reden stelt het Met Office, de Britse evenknie van het KNMI, een nieuwe rekenmethode voor, waarin de gemiddelde temperatuur van de voorafgaande tien jaar gecombineerd wordt met het gemiddelde van de geraamde temperatuurstijging van de erop volgende tien jaar.
Maar dat leidt weer tot nieuwe vragen, want hoe ziet een realistische trendlijn voor de komende 10 jaar eruit? Dat de opwarming van de aarde sinds 2010 een versnelling doormaakt, daar is iedereen het wel over eens. Maar hoe groot is die versnelling? Zeke Hausfather houdt het op een sprong van 0,18°C per decennium tussen 1970 en 2008 naar 0,24°C nu. Volgens James Hansen en collega’s verloopt de huidige opwarming met een snelheid van rond de 0,32°C per decennium.* En Foster en Rahmstorf van het Potsdam Instituut komen op 0,40°C* per decennium uit.
Of je deze cijfers simpelweg naar het volgende decennium kunt extrapoleren, hangt af van de vraag in welk scenario we ons bevinden. Is dat nog steeds SSP2-4.5, waarin landen min of meer eensgezind samenwerken om in 2050 tot ‘netto nul‘ te komen? Of vindt er momenteel een verschuiving plaats naar SSP3-7.0, waarin ‘het nationalisme herleeft en landen zich steeds meer uit internationale samenwerkingsverbanden terugtrekken’ om zich op hun eigen economische doelen te richten? In 2021 gaf Hausfather, directeur Klimaat en Energie bij het Breakthrough Institute en hoofdauteur van het IPCC AR6-rapport, aan dit scenario de kwalificatie Trump-wereld mee. Als Mike Albert het in Linksom of rechtsom door de polycrisis een beetje bij het rechte eind heeft, dan is Trump-wereld precies waar we op afstevenen, compleet met een steiler temperatuurprofiel.
Kortom, dat bovengenoemde rapport uit 2025 ging er impliciet vanuit dat 1,5°C pas rond 2040 bereikt wordt, maar in werkelijkheid mag je je handen fijn knijpen als we tegen die tijd niet voorbij de 2°C zijn geschoten.
In een studie van The Institute and Faculty of Actuaries merken de actuarissen op dat veel klimaatprognoses zich baseren op achterhaalde cijfers. Die 2,7°C lijkt me een schoolvoorbeeld van zo’n achterhaald cijfer.
De eerste keer dat een Amerikaanse president door zijn wetenschappelijke adviseurs voor de mogelijk desastreuze gevolgen van klimaatverandering gewaarschuwd werd, was in 1965, toen Lyndon B. Johnson het rapport ‘Restoring the Quality of Our Environment‘ ontving.* Toen volgde daar geen reactie op.
Twaalf jaar later deed Frank Press, wetenschappelijk adviseur van president Carter, een nieuwe poging. Op 7 juli 1977 stuurde hij zijn baas een notitie. De strekking ervan luidde dat klimaatverandering een solide wetenschappelijke onderbouwing heeft, met catastrofale gevolgen gepaard kan gaan en dat een energietransitie weg van fossiele brandstoffen, op termijn weliswaar, onontkoombaar is.
De directe aanleiding van Press’ waarschuwing was dat Carter in 1977 besloten had om de Amerikaanse energievoorziening te borgen door 20 miljard dollar beschikbaar te stellen voor het opzetten van een eigen industrie voor de productie van synthetische olie uit steenkool. Dit keer vond de wetenschappelijk adviseur wel een luisterend oor.
Gealarmeerd door de waarschuwing organiseerde het Congres een tweetal hoorzittingen, de eerste in juli 1979, de tweede in april 1980. Dat klimaatverandering echt was en in potentie een groot gevaar stond niet ter discussie. Centraal stond de vraag hoe snél de opwarming zou verlopen. Tijdens de eerste hoorzitting stak een andere wetenschappelijk adviseur van Carter, James Gustave Speth, een gepassioneerd pleidooi af. ‘Uitstel is geen optie,’ aldus Speth, want we hebben hier te maken met het ‘ultieme milieuprobleem’.* Heel anders was de reactie van de klimaatwetenschappers die voor de hoorzittingen waren uitgenodigd. Toen Roger Revelle, een van de meest vooraanstaande klimaatwetenschappers van zijn tijd, gevraagd werd wat hij van het ‘synthetische olie’-plan vond, gaf hij aan geen bezwaar te hebben. Zijn reactie was tekenend voor het denken in de klimaatwetenschap in die tijd:
‘Kijken we naar de geschiedenis van energie […] dan hebben we de afgelopen vijftig jaar een grote transitie doorgemaakt […] van steenkool naar olie. Dit laat zien dat het mogelijk is om tijdig, voordat CO₂ een probleem wordt, opnieuw een transitie door te maken.’*
Andere genodigden, zoals de klimaatwetenschappers William Kellog en Stephen Schneider, tevens hoofdredacteur van het wetenschappelijke tijdschrift Climatic Change, deelden deze mening. Ja, klimaatverandering was een serieus probleem, maar een energietransitie zou zo’n vijftig jaar in beslag nemen (een cijfer dat overigens in het geheel niet wetenschappelijk onderbouwd was) en de gevolgen zouden zich pas ergens halverwege de eenentwintigste eeuw echt doen voelen, dus was er nog ruim voldoende tijd.
Tijdens de eerste mondiale klimaatconferentie in 1979 in Genève groeide de belofte van een ‘soepele transitie’ in vijftig jaar – ruim voordat klimaatverandering onbeheersbaar zou worden – tot een waar mantra uit.* Tijdens een andere mondiale klimaatconferentie in 1985 in Oostenrijk luidde de conclusie – ondanks het hartstochtelijke pleidooi in de openingsspeech van de Egyptische bioloog Mostafa Tolba* (over wie meer in de volgende aflevering) om onmiddellijk te beginnen met de afbouw van fossiele brandstoffen – dat er geen haast geboden was. Ze zouden het probleem verder bestuderen en mocht de opwarming onverhoeds sneller verlopen dan verwacht, dan was er altijd nog die ‘soepele transitie’ in vijftig jaar die uitkomst zou bieden.*
Toch dacht niet iedereen er zo over. Voor een conferentie in oktober 1982 waren twee sprekers uitgenodigd om een gezelschap van klimaatwetenschappers toe te spreken, Edward David, hoofd R&D van Exxon, en David Rose, een kernfysicus van MIT. David stak de bekende riedel af: het ‘Amerikaanse kapitalisme is erin geslaagd om twee energietransities te bewerkstelligen [van hout naar steenkool en van steenkool naar olie] en als we het kapitalisme maar ruim baan geven dan zal dat ook een derde transitie voor elkaar krijgen.’ De grote vraag was alleen: ‘Wat komt eerst, de klimaatcatastrofe of de transitie?’ David verzekerde het gehoor dat Exxon er alles aan zou doen om ervoor te zorgen dat die transitie eerst kwam.* Hij herhaalde daarmee de woorden van Henry Shaw, hoofd van het klimaatprogramma van Exxon, die tijdens de tweede hoorzitting in 1980 had gesteld dat synthetische olie in de beginfase van de transitie, van 1990 tot 2010, noodgedwongen een brugfunctie zal moeten vervullen en dat de transitie naar duurzame energie daarna snel op stoom zal komen.
De tweede spreker, kernfysicus David Rose, plaatste grote vraagtekens bij het idee van een ‘soepele transitie’. Hij verweet het IIASA, de instelling die de modellen voor de transitie leverde, dat ze ‘wel hun curves plotten, maar dat ze daar stoppen. Ze vragen zich niet af wat er allemaal bij komt kijken om al deze technologie te installeren […] wat dit precies betekent voor de verschuiving in de mondiale productiecapaciteit. […] Nordhaus heeft niet echt berekend hoeveel – hoe snel je deze nieuwe energiefaciliteiten moet ontwikkelen.’* Aan de hand van een paar grafieken liet Rose zien wat het voor de transitie betekent als je die pas na 2010 begint. Om alleen al om onder de ‘veilige’ grens van 600 ppm te blijven moet jaarlijks 1600 gigawatt aan nieuw vermogen worden geïnstalleerd. Ter vergelijking, in 1980 nam de VS jaarlijks 30 GW aan nieuw vermogen in gebruik. Het uitstellen van de transitie was in de woorden van Rose het ‘recept voor een klimaatcatastrofe’.
Terwijl de klimaatwetenschappers nog altijd hun naadloze transitie in vijftig jaar als panacee opvoerden, werd er achter de schermen een andere weg ingeslagen. In 1979 was de presidentiële adviescommissie JASON al tot de slotsom gekomen dat een volledige energietransitie te complex en te duur was, en bovendien schade zou toebrengen aan de Amerikaanse economische belangen en de concurrentiepositie.* Deze conclusie werd in 1982 bevestigd door de energiemodelleurs van het Oak Ridge Labatory* en door het Changing Climate-rapport*, en in 1985 nog eens door de vooraanstaande natuurkundige Alvin Weinberg.* Voorkomen of ‘mitigeren’ van werd stilzwijgend ingeruild voor aanpassen of ‘adaptatie’ aan.
Illustratief voor deze wende is het seminar dat in april 1989 op verzoek van Margaret Thatcher in Londen plaatsvond. De teneur luidde dat de strijd tegen klimaatverandering op voorhand al verloren was, dat alleen hele rigoureuze maatregelen soelaas zouden bieden, maar dat dergelijke ingrepen rampzalige gevolgen zouden hebben voor de concurrentiepositie van de Britse economie.*
Natuurlijk werd dit niet hardop gezegd. Uit een geheim memorandum: ‘Het zou verkeerd zijn om de indruk wekken dat de Britse reactie op de risico’s van klimaatverandering er een van aanpassing is in plaats van preventie.’*
Midden jaren tachtig speelde de Egyptische bioloog Mostafa Kamal Tolba als directeur van UNEP, het VN-milieuprogramma, een doorslaggevende rol bij de totstandkoming van het Verdrag van Wenen (1985) voor de bescherming van de ozonlaag en hij vatte het plan op om dit succes in de strijd tegen broeikasgassen te herhalen. Onder zijn leiding ging UNEP in 1986 een verbond aan met de World Meteorological Organization (WMO) en de International Council for Science (ICSU) om een adviesgroep over broeikasgassen – de Advisory Group on Greenhouse Gases of AGGG – op te richten. Voor de wetenschappers die hiervoor waren uitgenodigd, onder wie de Zweedse meteoroloog Bert Bolin, de latere directeur van het IPCC, was de ernst van klimaatverandering een uitgemaakte zaak, en ze riepen op tot de oprichting van een klimaatpanel en een onmiddellijke afbouw van de CO₂-uitstoot.*
Deze activistische houding werd kracht bijgezet door de grote klimaatconferentie in Toronto (1988), waar de Noorse premier Gro Harlem Brundtland de gevolgen van klimaatverandering vergeleek met die van een kernoorlog en een Amerikaanse senator stelde dat willen we klimaatverandering binnen de perken houden de uitstoot van broeikasgassen in 2005 met een kwart gedaald moet zijn. De slotverklaring riep op tot een afname in 2005 van 20 procent en de invoering van een koolstofbelasting.*
Overheden, de Amerikaanse voorop, zagen deze ontwikkeling met lede ogen aan. Voor hen was het onaanvaardbaar om de wet voorgeschreven te krijgen door VN-technocraten en een handvol wetenschappers en ngo’s. Op 27 januari 1988 ging er een brief uit van het toenmalige ministerie van OES (Ocean, Environment and Science) naar de Amerikaanse afgevaardigde bij de WMO.
‘Ik vind het belangrijk dat we een actieve rol spelen bij het samenstellen van dit klimaatpanel, opdat het in lijn is met de doelstellingen van de Amerikaanse overheid […] Niet individuen maar regeringen moeten uitgenodigd worden om aan dit panel deel te nemen. De overheidsafgevaardigden moeten een afspiegeling vormen van het volledige spectrum van de beleidsbelangen van hun regering, waaronder de belangen op het terrein van bijvoorbeeld het energie- en landbouwbeleid, maar ook op het vlak van wetenschaps- en milieubeleid.’*
Helemaal aan het eind van de missive kwam de aap uit de mouw: de AGGG moest ontbonden worden (de groep publiceerde haar laatste rapport in 1990) en de op te richten Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering (IPCC – met de I voor intergouvernementeel als de belangrijkste letter) werd geacht ‘redelijke en haalbare doelen op te stellen’.* Onder Amerikaanse druk gingen UNEP en de WMO door de bocht en gezamenlijk richtten ze het IPCC op. Daarbij werd het IPCC opgedeeld in drie werkgroepen: de (klimaat)wetenschappelijke basis (WG1); gevolgen en effecten (WG2); en oplossingen en mitigatie (WG3).
Het IPCC kwam onder voorzitterschap te staan van voornoemde klimaatwetenschapper Bert Bolin, maar voor werkgroep 2 en 3 werd een radicaal andere keuze gemaakt. De Sovjet-Unie kreeg het voorzitterschap van WG2 toebedeeld en wist daarvoor een van de weinige uitgesproken klimaatsceptici in het veld van klimaatwetenschappers te strikken, Yuri Izrael. Ondanks dat Izrael Poetin in 2004 had geadviseerd om het Kyoto Protocol niet te ratificeren, bleef hij tot 2008 vice-voorzitter van het IPCC.*
De VS ontfermde zich over het voorzitterschap van WG3 aangezien deze werkgroep politiek gezien de meeste invloed heeft. De Reagan-regering wees kernenergie-deskundige Frederick Bernthal als directeur aan. In een memo van het Witte Huis werden de richtlijnen voor WG3 vastgesteld:
‘Het beschermen van het klimaat an sich is niet ons doel – dat doel is veeleer gelegen in het beschermen van het sociale en economische welzijn tegen de negatieve gevolgen die wellicht uit de wereldwijde klimaatverandering zullen voortvloeien.’
Het doel was dus niet om de opwarming te stoppen, maar om deze te vertragen. Adaptatie middels technologische vooruitgang was daarbij het belangrijkste instrument. Verder had Bernthal weinig op met klimaatwetenschap. Toen Tolba tijdens een plenaire vergadering van het IPCC de conclusies van de WG1 samenvatte – om de temperatuur te stabiliseren moet de CO₂-uitstoot met 60 procent worden verminderd, de ‘feiten zijn angstaanjagend. Ze eisen dat we nu actie ondernemen’ – wierp Bernthal tegen dat we toch vooral ook de positieve effecten van een opwarmende aarde niet mogen veronachtzamen.*
Het jaar erop werd Bernthal opgevolgd door de econoom Robert Reinstein. In een interview twintig jaar later schetste Reinstein openhartig de Amerikaanse onderhandelingsstrategie rond de totstandkoming in 1992 van het Raamverdrag van de Verenigde Naties (het UN Convention Framework on Climate Change). Dankzij Reinsteins interventie bevatte het klimaatverdrag nadrukkelijk geen bindende doelstellingen en was de strekking ervan mijlenver verwijderd van de ambitieuze doelstellingen van de conferentie in Toronto in 1988. In Reinsteins woorden:
‘De hele wereld had het op ons voorzien en wel om verschillende redenen. De ontwikkelingslanden wilden het geld en de technologie gratis krijgen, de Europeanen wilden bindende doelstellingen, omdat ze al tot de conclusie waren gekomen dat ze niet langer concurrerend waren op het vlak van energie-intensieve industrieën en zouden gaan de-industrialiseren. Ook waren ze jaloers op ons omdat wij energierijk waren en zij energiearm en ze zo ons voordeel wilden afnemen.’
In de strijd tussen de gematigden en de alarmisten stond het IPCC nadrukkelijk aan de kant van de gematigden. In de volgende aflevering komt de rol van William Nordhaus aan bod.
Voordat het begrip energietransitie de betekenis kreeg die het nu heeft, had het al een lange geschiedenis. In de jaren vijftig begonnen energiedeskundigen, kernfysici voorop, zich zorgen te maken over de eindigheid van fossiele brandstoffen. Vroeg of laat zou er een energietransitie moeten plaatsvinden en idealiter zou die de vorm krijgen van een overgang naar kernenergie. Met de ontwikkeling van snellekweekreactoren leken de mogelijkheden eindeloos. Onder leiding van de Italiaanse natuurkundige Cesare Marchetti werd een plan opgesteld voor een wereldomspannend netwerk van snelle kweekreactoren die voldoende waterstof zouden produceren om de hele wereldeconomie van energie te voorzien. William Nordhaus, de latere ‘Nobelprijswinnaar’ en toentertijd werkzaam als energiemodelleur, pleitte er in 1973 voor om de transitie zover mogelijk naar de toekomst door te schuiven en te wachten tot de benodigde technologie volwassen en betaalbaar was geworden. Volgens Nordhaus was er een ‘vangnet’ voorhanden in de vorm van het kweekreactor/waterstof-plan van Marchetti dat snel verwezenlijkt kon worden. Dus was er niets mis mee om voorlopig vol op fossiele brandstoffen in te blijven zetten (wat uiteraard een steeds hogere winning en almaar grotere CO₂-uitstoot opleverde).
In diezelfde periode zag een hele trits instellingen en organisaties het levenslicht die deze transitie moesten vormgeven, van het internationale IIASA in Oostenrijk, CIRED in Frankrijk, het Tata Energy Institute in India tot het Energy Research Institute in China. Dezelfde instellingen en hoofdrolspelers die plannen hadden gemaakt voor een energietransitie vanwege de eindigheid van fossiele brandstoffen, moesten nu een energietransitie in goede banen leiden vanwege een teveel aan fossiele brandstoffen. Dit vormde de basis voor de eenzijdige focus van het IPCC op technologische oplossingen. Nog steeds omarmt het IPCC liever volkomen onrealistische techno-fixes zoals BECCS dan de heilige westerse levensstijl ter discussie te stellen.*
Nadat Nordhaus in 1974 bij het IIASA in dienst was gekomen, werd hij door Marchetti in het klimaatvraagstuk ingewijd. Met zijn achtergrond als energiemodelleur groeide Nordhaus al snel uit tot een van de voornaamste hoofdrolspelers rond het klimaatbeleid en had hij een grote invloed op Werkgroep 3 (WG3, ‘Oplossingen’) van het IPCC.* De aanpak die hij voorstond was dezelfde als die hij in de jaren zeventig voor de aanpak van de energietransitie had gehuldigd: uitstellen en afwachten tot nieuwe technologieën tot wasdom kwamen en betaalbaar werden. Begin jaren negentig was Nordhaus de belangrijkste adviseur van Reinstein (zie de vorige aflevering) en tijdens bijeenkomsten van WG3 in het IIASA instituut zette hij vol in op vertraging – helemaal nadat hij zijn DICE-model had ontwikkeld. Dit model verschafte de ‘wetenschappelijke’* basis voor zijn programma van uitstel en hij gebruikte het om de temperatuurstijging te berekenen waarbij de economische ontwikkeling en het klimaat ‘optimaal’ in balans waren. Dit optimum zou bereikt worden bij een temperatuurstijging van 3,5°C. ‘Dat mag fors klinken,’ zo stelde Nordhaus, maar vergeet niet dat ‘de mens een technologische en nomadische soort is […] Gedijt Homo adaptus niet in alle klimaten, van Hongkong tot Helsinki?* (In 2001 weigerde president Bush het Protocol van Kyoto te ratificeren op basis van de aanbevelingen van Nordhaus.)
Een andere invloedrijke econoom (en milieuwetenschapper) Jesse Ausubel, die een belangrijke rol had gespeeld bij de organisatie van de klimaatconferentie van Genève in 1979, deelde Nordhaus’ visie. Ausubel combineerde Nordhaus’ vertrouwen in het aanpassingsvermogen van de mens met een rotsvaste overtuiging dat het energiesysteem een snelle omslag van koolstof naar waterstof kon maken.* Ook muntte hij de term ‘decarbonisatie’ om deze door Marchetti bedachte historische transitie een naam te geven, waarmee het begrip als een extra argument kon worden ingezet om uitstel te bepleiten.
Hoewel de greep van Nordhaus en Ausubel op het IPCC tijdens de jaren nul geleidelijk afnam, bleef de invloed van WG3 groot. Op voorspraak van WG3 werd de Indiase econoom en ingenieur Rajendra Pachauri in 2002 benoemd tot de nieuwe voorzitter van het IPCC. Deze voormalige medewerker van het Tata Energy Research Institute combineerde zijn werk voor het IPCC met een plek in de raad van bestuur van de Indiase Oil and Natural Gas Corporation en de National Thermal Power Corporation – een van de grootste CO₂-uitstoters van India. Zijn opvolger, de Zuid-Koreaanse econoom Hoesung Lee (2015-2023), begon zijn carrière als econoom bij Exxon en paarde het voorzitterschap aan zijn rol in de raad van bestuur van Hyundai – een chaebol (industrieel conglomeraat) met belangen in de auto-industrie zowel als de staalproductie en steenkoolwinning. Ook kon het in 2007 nog voorkomen dat de hoofdauteur van het IPCC/WG3-rapport Brian Flannery tegelijkertijd bij Exxon in dienst was.* Daarnaast is iemand als de Nederlandse econoom Richard Tol – een adept van Nordhaus die geen kans onbenut laat om de gevolgen van klimaatverandering te bagatelliseren – nog altijd een van de hoofdauteurs van WG3.
Toch nam het IPCC in de jaren nul geleidelijk de gedaante aan van het instituut zoals we het nu kennen – de stem van het klimaat. Het Nordhaus-recept van uitstel en adaptatie maakte voorzichtig plaats voor een hernieuwde focus in WG3 op de energietransitie en mitigatie – al bleven de voorgestane oplossingen overwegend van technologische aard en is de greep van neoklassieke economen op WG3 onverminderd groot.
Mede dankzij economen zoals Minh Ha-Duong, Michael Grubb en Jean-Charles Hourcade, die de nadruk legden op de economische prijs van uitstel, activistische klimaatwetenschappers, eilandstaten en de EU kwam in 2015 het akkoord van Parijs tot stand, waarin besloten werd om alles in werk te stellen om de opwarming bij voorkeur tot 1,5°C en in elk geval tot ruim onder de 2°C te beperken (zie ook aflevering 8 over ‘veilige’ grenzen).
Dit laat onverlet laat dat het IPCC zich te lang door nationale economische belangen heeft laten gijzelen. En het is ironisch dat de diepe afkeer van Michael Mann, Zeke Hausfather, Hannah Ritchie, Jonathan White en vele anderen van door alarmisten ‘aangejaagd’ defaitisme overbodig zou zijn geweest als het IPCC eerder naar die alarmisten had geluisterd.
Een veilige grens veronderstelt een veilige manoeuvreerruimte waarbinnen je niet al te veel, en in elk geval geen onomkeerbare schade aanricht, en de agency, het handelingsvermogen om binnen die grens te blijven. In deze aflevering bekijken we hoe die ‘veilige’ grenzen van 2°C en 1,5°C tot stand zijn gekomen, en in de volgende waar die wel zou kunnen liggen en of er überhaupt zoiets als een veilige grens bestaat.
William Nordhaus speelde niet alleen een hoofdrol bij de totstandkoming van het klimaatbeleid in de jaren negentig en nul, hij was ook de eerste die een ‘veilige’ grens postuleerde voor hoe hoog de opwarming mocht oplopen. Die grens duikt voor het eerst op in een paper* van Nordhaus uit 1975 voor het IIASA. In dit stuk en een vervolgartikel* uit 1977 kwam Nordhaus op 2°C uit – ‘hardop denkend’, zonder veel wetenschappelijke onderbouwing en op basis van weinig meer dan een intuïtie, zoals hij zelf toegaf. Toch is het niet toevallig dat die grens samenviel met het toenmalig geldende idee dat een verdubbeling van de CO₂-concentratie in de atmosfeer (van 280 naar 560 ppm) ook gepaard zou gaan met een temperatuurstijging van grofweg 2°C* (De veilige grens van 600 ppm die David Rose in de aflevering ‘Gematigden en alarmisten‘ noemde is hiervan afgeleid.)
Hoewel Nordhaus zelf benadrukte dat ‘het proces voor het vaststellen van de normen die in dit artikel gebruikt worden, hoogst onbevredigend is,’* zou zijn grens, die min of meer uit de lucht was geplukt, uiteindelijk tot een hoeksteen van het internationale klimaatbeleid uitgroeien. De aanzet daartoe liep niet via het IPCC – de 2°C-grens is geen enkel IPCC-rapport ooit ter sprake gekomen – maar via het allerlaatste rapport van haar voorloper, de AGGG uit 1990.* In dit rapport werd gesteld dat het beperken van klimaatverandering tot 1°C de veiligste optie zou zijn, maar aangezien dat ook toen al onwaarschijnlijk werd geacht (gebrek aan agency), opteerden de auteurs voor 2°C als de op één na beste limiet, aangezien het overstijgen van 2°C kantelpunten in gang kon zetten, waarna de temperatuurstijging onbeheersbaar kan worden.
Het systeemdenken had zijn intrede gedaan in de klimaatwetenschap en het risico van kantelpunten overtuigde de Duitse Adviesraad voor Klimaatverandering (WBGU), want in 1995 nam de raad de ‘veilige’ grens van 2°C over*, een jaar later gevolgd door de Europese Raad: ‘Gezien het ernstige risico van een dergelijke stijging en met name de zeer hoge snelheid waarmee deze verandering plaats zal vinden, is de Raad van mening dat de gemiddelde temperatuur op aarde niet meer dan 2°C boven het pre-industriële niveau mag uitkomen.’*
De 2°C-grens was nu officieel beleid geworden.
Met de opkomst in de jaren negentig van steeds geavanceerdere geïntegreerde beoordelingsmodellen was het nu ook mogelijk om allerhande kosten-batenanalyses op die 2°C-grens los te laten en te berekenen wat de economische prijs in termen van gederfd bbp van het overschrijden van die 2 graden zou zijn.* Omdat beleidsmakers dachten dat die 2°C een robuuste wetenschappelijke onderbouwing had en klimaatwetenschappers meenden dat dit de enige politiek haalbare grens was, leek de grens, aldus Carlo en Julia Jaeger,* in steen gebeiteld.
In de tweede helft van de jaren nul kwam de veilige 2°C-grens echter steeds meer onder vuur te liggen. Nieuw onderzoek naar kantelpunten door Tim Lenton* en anderen wees uit dat verschillende van die kantelpunten al vóór de ‘veilige’ 2°C-grens bereikt konden worden. Daarnaast luidde James Hansen de noodklok. In het geval van Hansen vanwege alle verborgen opwarming die door uitlaatgassen aan het zicht onttrokken wordt, wat een aanmerkelijk hogere klimaatgevoeligheid* impliceerde. In combinatie met nieuw paleoklimaatonderzoek concludeerde Hansen: ‘Als de uitstoot van broeikasgassen nog eens tien jaar blijft stijgen, is het vrijwel ondenkbaar dat de samenstelling van de atmosfeer op korte termijn weer onder het punt komt waarop er rampzalige gevolgen ontstaan. […] Als de mensheid een planeet wil behouden die vergelijkbaar is met die waarop de beschaving zich ontwikkeld heeft en waaraan het leven op aarde is aangepast, dan wijzen paleoklimaatgegevens en de huidige klimaatverandering erop dat de CO₂-uitstoot moet worden teruggebracht van de huidige 385 ppm naar maximaal 350 ppm, en wellicht nog minder.’
Aan het begin van de jaren 10 is er onzekerheid over waar die veilige grens wel zou moeten liggen. In 2015 vertelde David King, voormalig hoofdwetenschapper van het VK en adviseur van drie regeringen, aan een journalist van The Independent dat hij vond dat de ‘1,1°C waarop we nu zitten al te gevaarlijk is. James Hansen had gelijk toen hij in 1988 stelde dat we niet boven de 350 ppm moeten uitkomen.’ Die veilige grens van 350 ppm van Hansen (met op termijn een opwarming van grofweg 1°C) werd extra kracht bijgezet door de oprichting in 2008 van de ngo 350.org en door het onderzoek naar de negen planetaire grenzen uit 2009, waarin 350 ppm eveneens als de ‘veilige’ manoeuvreerruimte werd gehanteerd.
In de onderhandelingen richting de klimaatconferentie van Parijs (2015) bleek 350 ppm politiek niet haalbaar en werd er een compromis van 1,5°C bereikt. Maar net zoals de 2°C-grens in de jaren nul op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten geen stand hield, geldt nu hetzelfde voor 1,5°C. Opnieuw spelen die irritante kantelpunten daarbij een hoofdrol.
In de volgende afleveringen kijken naar waar die grens wel zou kunnen liggen en of er überhaupt zoiets als een veilige grens bestaat.
Tijdens een klimaatconferentie in Canberra in mei 2008 vertelde het toenmalige hoofd van het Arctische Programma van het Wereld Natuur Fonds, Neil Hamilton, dat het WWF zijn missie om het Arctische ecosysteem te beschermen had opgegeven, aangezien ‘dat niet langer mogelijk was.’ Volgens Hamilton was het kantelpunt voor het Arctisch gebied al gepasseerd – bij een opwarming van toentertijd 0,8°C. Een jaar later stelde ’s werelds prominentste onderzoeker van koraalriffen Charlie Veron in een voordracht aan de Royal Society in Londen dat de veilige grens voor koraalriffen 0,5°C bedroeg.
In september 2022 concludeerde David Armstrong McKay van de Universiteit van Stockholm dat ook een opwarming van 1°C het risico met zich meebrengt dat bepaalde kantelpunten overschreden worden. In datzelfde jaar waarschuwde Johan Rockström, directeur van het Potsdam Instituut, dat ‘we bij 1,5°C onherroepelijke drempels voor unieke en bedreigde systemen zullen overschrijden.’ En in mei 2025 bevestigde nieuw onderzoek dat een opwarming met 1,5°C ‘een aanzienlijk risico met zich meebrengt dat delen van het Amazonewoud zullen afsterven’, terwijl een ander onderzoek uit mei 2025 stelde ‘dat 1,5 °C te hoog is voor de poolkappen’ en dat de doelstelling van Parijs onvoldoende is om ze te beschermen. Daarnaast speelt er een specifiek kantelpunt, waarover hieronder meer, dat de basis onder het huidige klimaatbeleid vandaan kan trekken, namelijk dat het koolstofabsorberend vermogen van de oceanen en de landvegetatie dreigt af te nemen.*
In 2008 al concludeerde de toenmalige directeur van het Potsdam Instituut John Schellnhuber: ‘Alleen een terugkeer naar het pre-industriële CO₂-niveau volstaat om een veilige toekomst voor de planeet te garanderen […] zelfs een kleine temperatuurstijging kan verschillende klimatologische kantelpunten triggeren, zoals het vrijkomen van koolstof en methaan* uit smeltend permafrost, en een veel ernstigere opwarming van de aarde teweegbrengen. Het is een zeer verstrekkend argument, maar niemand kan met zekerheid zeggen dat 350 ppm veilig is […] Uiteindelijk maakt het wellicht niet uit of we op 270 ppm of 320 ppm zitten, maar ver buiten het [historische] bereik van CO₂-concentraties opereren is riskant zolang we de relevante terugkoppelingsmechanismen niet volledig begrijpen.’
Met andere woorden, er is een gerede kans dat zelfs 1°C geen veilige grens is. De vraag is dan waar die wel ligt en of die überhaupt bestaat. Misschien dat daar via een andere route iets over te zeggen valt. Zoals ik in de vorige aflevering schreef, impliceert een ‘veilige’ grens ook het handelingsvermogen om erbinnen te blijven. Momenteel is dat handelingsvermogen gelegen in een soepele energietransitie die ons, zoals dat tegenwoordig heet, naar ‘netto nul’ moet brengen.
De basis van het ‘netto nul’-concept is de hypothese van onder anderen Zeke Hausfather dat wanneer mensen geen extra CO₂-uitstoot meer veroorzaken ook de opwarming tot stilstand komt. Het idee is dat opwarmende terugkoppelingen wegvallen tegen afkoelende terugkoppelingen, in het bijzonder dat wanneer de (door mensen veroorzaakte) uitstoot stopt, ecosystemen en de oceanen nog een tijd lang op een hoger niveau CO₂ blijven absorberen.* (De oceanen en de landvegetatie nemen respectievelijk zo’n 25 en 30 procent van de CO₂-uitstoot op. Dit is een min of meer vast percentage, wat wil zeggen dat wanneer de uitstoot stijgt de natuurlijke CO₂-absorbeerders steeds harder werken om het ‘evenwicht’ in stand te houden, om de simpele reden dat meer CO₂ tot een snellere plantengroei leidt en meer planten meer CO₂ uit de lucht halen.*)
De enige keer dat deze hypothese getest is, tijdens de eerste maanden van de coronapandemie toen de CO₂-uitstoot in maart en april 2020 wereldwijd met 17 procent daalde (en over heel 2020 gemeten met 5 procent), bleef ze niet overeind. Want terwijl de uitstoot daalde steeg de CO₂-concentratie in de atmosfeer evenveel als het jaar ervoor. De reden is waarschijnlijk dat de oceanen minder CO₂ uit de atmosfeer absorbeerden dan in voorgaande jaren – ‘waarschijnlijk als een onverwacht snelle reactie op de verminderde druk van CO₂ in de lucht aan het oppervlak van de oceaan.’*
Ook geeft nieuw onderzoek aan dat zowel het absorptievermogen van de oceanen als dat van ecosystemen op het land nu al terugloopt. Een studie uit januari 2025 wijst uit dat de CO₂-sekwestratie door landvegetatie in 2008 een piek bereikte en nu zo’n 0,25 procent per jaar daalt. Wat in de praktijk betekent dat ‘de stijging van de CO₂-concentratie in de atmosfeer [in 2023] zonder deze daling geen 2,5 ppm had bedragen, maar 1,9 ppm.’ Een analyse uit juli 2025 door het World Resources Institute bevestigt dit beeld: ‘We zien we dat bossen op wereldschaal nog steeds een netto koolstofput zijn, maar dat dit effect afneemt. […] Sommige bosgebieden – waaronder delen van China en het oosten van de Verenigde Staten – zijn relatief sterke netto koolstofputten gebleven. Andere, zoals de tropische bossen van Bolivia en de boreale bossen in Canada, zijn van netto koolstofputten veranderd in netto koolstofbronnen.’*
Een andere studie die in september 2025 in Nature Climate Change verscheen, laat zien dat de oceanen in 2023 grofweg 10 procent minder CO₂ absorbeerden dan op basis van de voorgaande jaren verwacht werd – wat overeenkomt met ongeveer de helft van de totale CO₂-uitstoot van de EU. ‘De hoge temperaturen verminderden de oplosbaarheid van CO₂, wat resulteerde in abnormale CO₂-ontgassing en een vermindering van de rol van de oceanen als koolstofput.’
Misschien dat die hypothese van het Hausfather wel werkt onder ‘gelijkblijvende omstandigheden’. Maar helaas zijn die omstandigheden helemaal niet gelijkblijvend omdat mensen met vaak desastreuze gevolgen in ecosystemen ingrijpen. Zo laat een recente studie zien dat de overvloedige aanwezigheid van microplastics in de oceanen fnuikend is voor het functioneren van hun koolstofpomp, waardoor het vermogen van oceanen om CO₂ te absorberen nog verder wordt aangetast.
Terzijde, het onderstaande is pure speculatie mijnerzijds.
De hypothese van Hausfather e.a. uit de vorige aflevering is gebaseerd op het idee van CO₂ als dé temperatuurregelaar van het klimaat. Dat CO₂ een uitermate belangrijke rol speelt staat buiten kijf, maar daarmee is niet het hele verhaal verteld. Elders op 4eco doet Alpha Lo een poging om de klimaatwetenschap te verenigen met de niet-evenwicht thermodynamica en in de rubriek Ontwrichting hanteert Jan een onderscheid tussen drie benaderingen van het klimaat: De aarde als natuurkundig verschijnsel, als complex systeem en als levend systeem. De aanpak van Lo valt in de derde benadering. Maar waar de meeste klimaatwetenschappers het klimaat inmiddels wel als een complex systeem opvatten, volgt daar niet, of te weinig, de realisatie uit dat complexe systemen geen enkelvoudige of eenduidige oorzaak-gevolgrelaties kennen. In een later vervolgartikel kom ik hierop terug, hier wil ik slechts aanstippen dat CO₂ als drijvende kracht achter het klimaat een nuancering behoeft en dat de rol van CO₂ zowel over- als onderschat wordt.
In zijn boek De kanteling: hoe samenlevingen kunnen veranderen (september 2025) maakt Marten Scheffer duidelijk dat de relatie tussen CO₂ en temperatuur wordt overschat aangezien deze in werkelijkheid, zoals hij stelt, een ‘kip of ei’-situatie is.
‘In de loop van miljoenen jaren van ijstijdencycli gingen de temperatuur op aarde en de koolstofdioxideconcentratie in de atmosfeer telkens samen op en neer. In de beroemde documentaire An Inconvenient Truth beging klimaatactivist en voormalige vicepresident van de Verenigde Staten Al Gore de vergissing te beweren dat dat het bewijs zou vormen van het opwarmende effect van broeikasgassen. In werkelijkheid is het omgekeerde net zo goed waar [zoals Scheffer beschrijft in M. Scheffer et al., ‘Positive feedback between global warming and atmospheric CO₂-concentration inferred from past climate change‘ (Geophysical Research Letters 33, 2006)]. Een warme aarde geeft meer koolstofdioxide af en neemt er minder van op. De synchrone stijgingen en dalingen in miljoenen jaren weerspiegelen die intieme tango. Wie leidde de dans? Eigenlijk niemand.’
Met andere woorden, de afgelopen 2,5 miljoen jaar is er een continue afwisseling geweest van glacialen – ijstijden – en interglacialen, de relatief warme perioden tussen twee glacialen in. De overgang van een glaciaal naar een interglaciaal (en vice versa) wordt doorgaans in gang gezet door variaties in de baan van de aarde rond de zon, beter bekend als de milanković-cycli of parameters. Die leiden ertoe dat er iets meer zonnestraling op het noordelijk halfrond valt, waardoor ijskappen en gletsjers in het Noorden beginnen af te smelten en de albedo van de planeet daalt, de aarde meer warmte absorbeert en er een terugkoppelingslus in gang wordt gezet waarbij er meer CO₂ vrijkomt en de temperatuur verder stijgt. Maar dat gebeurt alleen, zoals Scheffer schrijft, ‘wanneer de ijskappen toch al kwetsbaar waren. In dit geval wordt een langzaam verlies aan veerkracht dat tot het kantelpunt leidt, veroorzaakt doordat de ijskappen in de loop der tijds groeien, waardoor ze minder stabiel worden.’
In hun artikel ‘Antarctic and global climate history viewed from ice cores‘ (Nature, 2018) bevestigen Brook en Buizert dat ijsboorkernen aangeven dat bij de omslag van een glaciaal naar een interglaciaal de versterking van de temperatuurstijging door CO₂ doorgaans – en soms pas na eeuwen – volgt op andere factoren die de initiële opwarming in gang hebben gezet.
Deze keer is het duidelijk dat de opwarming door een kunstmatige CO₂-puls getriggerd is; een puls die ruim voldoende is om de veerkracht van de ijskappen aan te tasten en een reeks terugkoppelingslussen in gang te zetten. In de vorige aflevering stelde Neil Hamilton in 2008 dat de toenmalige opwarming van 0,8°C al voldoende was om het verlies van de Arctische ijskappen in gang te zetten.
Je zou hier uit kunnen afleiden dat Schellnhuber wel een punt had toen hij 320 ppm (grofweg een halve graad opwarming) als maximaal veilige grens voorstelde. En je zou er ook uit kunnen afleiden dat de rol van CO₂ wordt onderschat, aangezien het systeem aarde meer dan voldoende CO₂ en CO₂-equivalenten (methaan, ozon, lachgas, stikstofoxiden etc.) bevat om de temperatuur na die eerste schok net zolang op te drijven totdat er een nieuw stralingsevenwicht is bereikt.
Anders gezegd, na die eerste puls verloopt het proces autonoom. We versnellen het door heel veel extra koolstofdioxide de atmosfeer in te pompen, maar vanwege de terugkoppelingen* stopt het niet als de CO₂-uitstoot door mensen ten einde loopt, het verloopt dan alleen maar trager (als het meezit). Eigenlijk is dat het idee van de drie klimaatstanden van James Lovelock uit The revenge of Gaia (2006): glaciaal (-5°C), interglaciaal (0°C) en een ‘hete’ stand (+5°C). In de modelsimulaties die Lovelock samen met Lee Kump heeft gedaan, zou er ergens tussen 400 en 500 ppm een temperatuursprong optreden die deze hete toestand stabiliseert.
Hopen maar dat Lovelock het helemaal bij het verkeerde eind had.
Gerelateerd
Energie:
• Opgevoerde entropie
• De economie van piekolie
• Energie, piekolie en transitie
• Kernenergie uiteengezet
• Kernenergie in Nederland
Ontwrichting:
• Intermezzo: Klimaat tussen covid en complot