De nationale voedselzekerheid, schrijft George Monbiot in het artikel ‘De hongerkloof’ in de rubriek Complexiteit, is meer dan van enige andere factor afhankelijk van een veerkrachtig mondiaal voedselsysteem. Inzicht in dit systeem is cruciaal voor effectieve besluitvorming en het vermijden van crises, maar voor velen is dit onbekend terrein. Lees erover is aflevering 1 tot en met 4. Hoe zit dat? Complexe systemen beschikken over emergente eigenschappen. Middels de netwerken die onopzettelijk door miljarden willekeurig verdeelde beslissingen ontstaan zijn, organiseert het voedselsysteem zichzelf. Onder bepaalde omstandigheden opereert het veilig, maar veranderende omstandigheden kunnen elk systeem naar een drempel duwen, waarbij systeembehoudende negatieve terugkoppelingslussen omslaan in afbrekende positieve terugkoppelingslussen. Zodra een systeem zijn veerkracht heeft verloren, kan een kleine verstoring het dan over de kritische drempel duwen, waarop het plotsklaps en onverbiddelijk ineenstort.

Wetenschappers stellen complexe systemen voor als netwerken van knooppunten en verbindingen, als in een ouderwets visnet. Gedragen de knooppunten zich op uiteenlopende manieren en zijn hun onderlinge verbindingen zwak, dan is de kans groot dat het systeem veerkrachtig is. Gedragen de knooppunten zich op vergelijkbare manieren en zijn ze nauw met elkaar verbonden, dan is het systeem waarschijnlijk broos.

Dan is er nog ‘modulariteit’: in welke mate is het systeem in compartimenten opgedeeld? Zijn er ‘brandschotten’ die de uitwaaiering tegenhouden? En is er een back-up of reservesysteem dat volgens geheel andere principes functioneert? Is er verder voldoende overtolligheid (reservecapaciteit) in het systeem als schokdemper? Dat hebben complexe systemen nodig.

Het wereldwijde voedselsysteem – dat wil zeggen de manieren waarop we ons voedsel verbouwen, verhandelen, verwerken, verpakken, distribueren, kopen en opeten – heeft alle kenmerken van een complex systeem. En de zes elementen van systemische veerkracht boeten snel aan kracht in. Het gaat om diversiteit, asynchroniteit, overtolligheid, modulariteit, brandschotten, en back-up systemen.

Door de opkomst van een ‘mondiaal standaarddieet’ is ons voedsel op lokaal niveau diverser geworden, maar mondiaal is het andersom. Slechts vier gewassoorten – tarwe, rijst, maïs en sojabonen – nemen bijna 6o procent van alle calorieën voor hun rekening. Amper vier landen zijn verantwoordelijk voor 76 procent van de maïs die naar andere landen geëxporteerd wordt, vijf landen voor 77 procent van de rijst, vijf andere voor 65 procent van alle tarwe, en slechts drie landen verbouwen 86 procent van de sojabonen (die weer dienen voor driekwart van al het veevoer ter wereld). Grofweg 40 procent van de wereldbevolking is nu afhankelijk van voedsel uit andere landen, en de wereldwijde import van granen zal tegen 2050 waarschijnlijk nog eens verdubbelen. Landen vallen in toenemende mate uiteen in super-importeurs en super-exporteurs. En dat zorgt voor kwetsbaarheid.

Een aanwijzing dat een complex systeem een kantelpunt nadert, is dat het begint te ‘flikkeren’. Met andere woorden, zijn gedrag wordt volatieler: kleine, willekeurige veranderingen die een systeem voorheen probleemloos zou hebben geabsorbeerd, worden nu versterkt tot steeds grotere schokken. En ‘flikkeren’ is wat het wereldwijde voedselsysteem nu lijkt te doen. Zie hierover in Ecopedia hongerkloof, marktmacht destabiliseert het systeem en hongerkloof, klimaatverandering en irrigatie.