Linksom of rechtsom door de polycrisis 6 – Conclusie
MICHAEL J. ALBERT*
Uiteindelijk weet niemand van ons wat de toekomst brengen zal, hooguit dat we geregeld voor verrassingen zullen komen te staan. Toch kunnen we niet zomaar onbesuisd een turbulente planetaire toekomst binnentreden zonder op zijn minst over een ruwe kaart te beschikken van waar we naartoe gaan, van de crises waarop we waarschijnlijk zullen stuiten, van de vormen van probleemverschuiving die uit de huidige en toekomstige oplossingen voort kunnen vloeien, van de kansen voor een progressieve transformatie die voor bewegingen voor sociale rechtvaardigheid op zullen doemen en de obstakels en gevaren die deze bewegingen zullen moeten zien te overwinnen. Of we het ons nu realiseren of niet, we gaan allemaal met een of andere kaart van de toekomst te werk, in de zin dat we aannemen dat onze huidige acties met bepaalde gevolgen in de toekomst gepaard gaan.[1] De vraag is dus niet of we kaarten van mogelijke toekomsten in ons hoofd ontwikkelen, maar of we dit bewust, systematisch en op een op synthese gerichte manier doen, waarbij we alle relevante parameters meewegen.
Ik beweer niet dat ik alle mogelijke parameters in dit boek verdisconteerd heb, noch dat ik alle parameters die ik wel heb opgenomen even grondig geïntegreerd heb. Mijn doel was bescheidener in de zin dat ik slechts gepoogd heb om een stap verder te gaan dan andere benaderingen bij het komen tot een synthetische, transdisciplinaire analyse van de toekomstige mogelijkheidsruimte. Het planetair systeemdenken kan hierbij opgevat worden als een meta-theoretisch kader dat transdisciplinaire synthese vergemakkelijkt en dat ons kan helpen om kwalitatieve modellen van de planetaire problematiek en haar mogelijke toekomsten te construeren. Naarmate de tijd verstrijkt, de gebeurtenissen in de wereld zich ontrollen en onze kennis van de planetaire polycrisis toeneemt, zullen veel van de specifieke scenariotrajecten die ik in hoofdstuk 4 en 5 bespreek in toenemende mate achterhaald of gedateerd zijn. Maar het theoretisch kader en de ’toekomsten-methodologie’ die ik in dit boek presenteer, zullen hun relevantie onverminderd behouden. Om die reden hoop ik dat anderen zullen voortbouwen op de toekomstenkaart in dit boek en deze zullen verrijken en verfijnen door de theoretische en methodologische fundamenten ervan te verdiepen, de scenario’s te actualiseren en nieuwe te ontwikkelen, nieuwe parameters te integreren, andere terugkoppelingen te benadrukken of dieper in te gaan op sommige van de feedbacks die ik wel (maar onvoldoende) behandel, andere theoretische perspectieven in te brengen en fijnmazigere analyses te ontwikkelen van de mogelijkheidsruimte in uiteenlopende staten en regio’s in het wereld-systeem.
1. Bell, Foundations of Futures.
Het is niet eenvoudig om de trajecten die we in de afgelopen twee hoofdstukken verkend hebben tot een beknopte reeks scenario’s in te dikken. ‘Ineenstorting’, ’techno-leviathan’ en ‘ecosocialisme’ mogen dan de drie belangrijkste aantrekkers zijn voor de richting waarin de planetaire problematiek het wereld-systeem dwingt, maar op alle drie zijn talloze varianten denkbaar – met uiteenlopende tijdlijnen, parametrische aanpassingen en geografisch ongelijke combinaties. De toekomstige mogelijkheidsruimte is inderdaad een ondoorzichtige multipliciteit van een overweldigende complexiteit, en wil je daar representatieve scenario’s uit abstraheren, dan zijn die per definitie selectief en loop je het risico andere mogelijkheden uit te sluiten of te blokkeren. Toch wil ik opperen dat we op basis van de trajecten die in de voorgaande hoofdstukken onderzocht zijn, zeven hoofdscenario’s kunnen identificeren. Ik noem ze de Ongelijke en Gecombineerde Paden van het Wereld-Systeem, omdat elk wereld-systeempad het resultaat zal zijn van een geografisch ongelijke en gecombineerde strijd – al kort ik ze hier af tot WSP’s (wereld-systeempaden) aangezien OGPWS wel een hele mondvol zou zijn.
In navolging van de gedeelde sociaaleconomische paden (SSP’s) noem ik ze wereld-systeempaden (en niet wereld-aarde-systeempaden) om hiermee aan te geven dat elk WSP in principe gepaard kan gaan met verschillende trajecten van het klimaat- en aardsysteem (als gevolg van uiteenlopende aannames over bijvoorbeeld de inzet van zonnestralingsbeheer en CO₂-verwijderingstechnieken – CDR – en de terugkoppelingen binnen het aardsysteem). Maar net als bij de SSP’s van het IPCC neem ik hier aan dat elk van deze trajecten hoogstwaarschijnlijk een specifiek planetair pad zal volgen.[2] Verder moet ik benadrukken dat geen van deze WSP’s als het ‘einde van de geschiedenis’ moet worden opgevat (met de mogelijke uitzondering van ‘ineenstorting’, mocht dit pad het uitsterven van de mensheid tot gevolg hebben). Eerder moeten ze gezien worden als voorlopige aantrekkertoestanden van het wereld-systeem, die op termijn aan een eigen ontwikkelingsgang onderhevig zijn en waartussen kritische transities mogelijk zijn. Zo kan een instabiele techno-leviathan bijvoorbeeld mettertijd naar een neofeodale modus verschuiven, en een neofeodale modus naar een ineenstorting – of kan een abolitionistisch ecosocialisme naar een ecomodernistisch socialisme verschuiven, en een ecomodernistisch socialisme naar een of andere vorm van een techno-leviathan, et cetera. Tezamen geven deze scenario’s ons een voorlopige navigatiekaart van de mogelijkheidsruimte van het wereld-systeem – een kaart die voortdurend bijgewerkt en aangepast zal moeten worden naarmate we ons dieper de toekomst in bewegen.
2. IPCC, Climate Change 2022: Mitigation, pag. 18-19.
We beginnen met het slechtst denkbare scenario, dat van een ineenstorting, dat nauw aansluit bij wat Raskin ‘ontwrichting’ noemt.[3] In dit scenario zet een mondiaal ineenstortingstraject – of dat nu veroorzaakt wordt door een fossiele stagflatiecrisis op de korte termijn of een convergentie op de langere termijn van zelfversterkende socio-ecologische crises – een reeks etno-nationalistische reacties in gang die de geopolitieke spanningen aanwakkert en polarisatie en conflicten binnen en tussen staten intensiveert. Het gevolg is een neerwaartse spiraal tussen socio-ecologische crises, statelijk en niet-statelijk geweld en oorlog, wat vervolgens in een verheviging van de socio-ecologische ontwrichting culmineert.
Het is waarschijnlijker dat zo’n ineenstortingsscenario plaatsvindt binnen een traject van trage en stapsgewijze technologische innovatie, al kan het zich ook voordoen binnen een context van exponentiële technologische doorbraken – in dat geval is het het resultaat van destabiliserende innovaties in de cyber-AI-kernwapen nexus of van een onafgebroken opmars en democratisering van massavernietigingswapens (MVW – in het vervolg van dit slothoofdstuk wordt terrorisme met behulp van massavernietigingswapens afgekort tot MVW-terrorisme), of mogelijk zelfs van de opkomst van een kwaadaardige kunstmatige superintelligentie. Existentiële crises en de verharding van de relaties tussen het zelf en de ander vormen in dit scenario de sleutelfactoren, aangezien socio-ecologische crises en technologische risico’s op zich niet tot een ineenstorting zullen leiden. Maar door existentiële angsten aan te wakkeren die door opportunistische elites aangegrepen worden om verdeeldheid te zaaien en nationalistische hartstochten op te zwepen, en die op hun beurt weer een stimulans vormen voor MVW-terrorisme door niet-statelijke actoren, kunnen socio-ecologische crises inderdaad vicieuze spiralen in gang zetten die mogelijk een verergering van het gewelds-, oorlogs- en planetaire ontwrichtingstraject tot gevolg hebben.
Vindt dit plaats in de loop van een traject van een zwalkend neoliberalisme, dan ligt er wellicht een mondiale temperatuurstijging van 3,5°C+ in het verschiet. In dat geval zitten we uiteindelijk opgescheept met een wereld die rond de hogere breedtegraden her en der nog wat plukjes overlevenden telt – met een wereldbevolking van misschien een paar miljoen mensen, waarvan James Lovelock in een van zijn eco-dystopische waarschuwingen gewag maakte.[4] Hoewel het uitsterven van de mensheid in de loop van de tweeëntwintigste en de daaropvolgende eeuwen tot de mogelijkheden behoort, is dat niet het meest waarschijnlijke scenario, zij het wel één dat niet genegeerd kan worden.
3. Raskin, Journey to Earthland, pag. 27.
4. James Lovelock, The Vanishing Face of Gaia: A Final Warning (Philadelphia: Basic Books, 2010).
Dit ineenstortingsscenario is vergelijkbaar met Raskins ‘fort aarde’-archetype, al vormt de term neofeodalisme mijns inziens een preciezere beschrijving van de geopolitieke en economische structuur ervan. In dit scenario leidt de ineenstorting van het wereld-systeem – of die nu het gevolg is van een fossiele stagflatiecrisis op de korte termijn of van een polycrisis-versterking op de langere termijn – tot samenwerking tussen de wereldwijde kapitalistische elites met het doel om de geopolitieke spanningen in te dammen en de ‘echte en potentiële opstanden’ van de overtollige mensheid te beteugelen.[5] Daarbij culmineert een kettingreactie van verergerende polycrises in combinatie met een verheviging van het MVW-terrorisme mettertijd in een ‘zachtere’ ineenstorting van het kapitalistische wereld-systeem, dat uiteenvalt in een veelheid aan regionale, nationale en lokale politiek-economische en veiligheidsassemblages. Sommige natiestaten zullen wellicht over een effectieve bestuurscapaciteit blijven beschikken, maar de meeste zullen uiteindelijk verbrokkelen en plaats maken voor een complexe neofeodale geografie die samengesteld is uit politiek-economische en veiligheidsassemblages die met elkaar samenwerken en/of elkaar beconcurreren over grondgebied en grondstoffen – waaronder door machtige bedrijfsentiteiten bestierde quasi-staten, stadstaten, feodale kapitalistische renteniers en krijgsheren die tribuut van hun onderdanen innen in ruil voor de bescherming van hun bestaansmiddelen, en talloze gemeenschappen van overtollige bevolkingsgroepen die aan hun lot zijn overgelaten en hun eigen overlevingsstrategieën maar moeten zien te ontwikkelen.
Net zoals er in het dertiende- en veertiende-eeuwse Europa al kapitalistische tendensen aan het werk waren, zo kunnen we in het wereld-systeem nu al neofeodale tendensen ontwaren.[6] Dit zal dan een toekomst zijn waarin de ineenstorting van de wereldeconomie de gestage neergang van de kapitalistische sociale relaties en hun historische ‘bewegingswetten’ inluidt, terwijl neofeodale structuren overal op planeet ecologisch dominant worden. Deze toekomst kan op termijn naar een dieper ineenstortingstraject bifurceren, zodra een mondiale temperatuurstijging van ruim 2,5°C een cascade van kantelpunten ontketent. Anderzijds kan een combinatie van succesvolle imperiale projecten en technologische doorbraken in de loop van de tweeëntwintigste eeuw of later tot een re-integratie en regeneratie van het wereld-systeem leiden (bijvoorbeeld in het geval dat de terugkoppelingen in de CO₂-cyclus beperkt blijven en grootscheepse herverwilderingsprojecten ervoor zorgen dat de mondiale temperatuurstijging tot stilstand komt). Dat zal dan mogelijk een tweeëntwintigste-eeuwse variant op het zestiende-eeuwse mercantilisme te zien geven.[7] Maar in een optimistischer scenario zal een regionale of mondiale opstand van onderaf dit neofeodale ‘fort aarde’ ook kunnen overmeesteren en weg kunnen vagen, waardoor een meer egalitaire ecosocialistische wereld mogelijk wordt.
5. Robinson, Global Police State.
6. Morozov, ‘Critique of Technofeudal Reason’.
7. Arrighi, Long Twentieth Century, pag. 208.
We kunnen ons talloze varianten op een techno-leviathan inbeelden die verschillende hegemonische configuraties combineren (bijvoorbeeld een wereldorde onder leiding van China, de VS of de G7, of een bipolaire wereld van ‘competitieve co-existentie’) en die elk wisselend succes hebben bij het beheersen van de klimaat- en biodiversiteitscrises, bij het beteugelen van het gevaar van gedemocratiseerde massavernietigingswapens en bij het terugdringen van de uiteenlopende niveaus van binnenlandse en mondiale ongelijkheid, en die daarnaast verschillende gradaties van kapitalistische of etatistische controle over de economie kennen. Hier focus ik me echter op twee ideaaltypen. Het eerste noem ik een instabiele techno-leviathan, een bijzonder duistere en volatiele variant die op termijn uitermate ontvankelijk zal zijn voor een neofeodale terugval en een ineenstorting. Dit scenario kan als het antwoord worden opgevat op deze ‘wat als’-vraag: Wat als het wereld-systeem een combinatie van een aanhoudend zwalkend neoliberalisme én indrukwekkende technologische doorbraken doormaakt? In dit scenario stellen technologische doorbraken de naties in de kern en de semi-periferie van het wereld-systeem in staat om door een verergerende polycrisis ‘heen te modderen’ en een ineenstorting te voorkomen.
Het resultaat hiervan zal echter een licht ontvlambare cocktail van stressfactoren zijn: de geopolitieke spanningen tussen de VS, China en Rusland blijven hoog oplopen; een mondiale temperatuurstijging van 2,5°C+ dwingt overheden om vol in te zetten op zonnestralingsbeheer en CDR om een cascade van kantelpunten af te wenden; doorbraken rond AI en robotica leiden in de tweede helft van de eeuw tot een technologische werkloosheid van 15 à 25 procent, wat met een ongekende ongelijkheid en populistische woede gepaard zal gaan; en voorts leiden diezelfde innovaties niet alleen tot destabiliserende verbeteringen op het vlak van gedemocratiseerde massavernietigingstechnologieën, maar ook tot een uitbreiding van de militaire AI-kernwapen-robotica-arsenalen van staten, terwijl een wereldwijd toezicht op de ontwikkeling van gevaarlijke nieuwe technologieën niet of nauwelijks van de grond komt. Als gevolg hiervan neemt het aantal geracialiseerde ‘overtollige’ bevolkingsgroepen hand over hand toe, wat een drijvende factor vormt achter een nieuwe golf van niet-statelijk MVW-terrorisme, dat op zijn beurt weer een spiraal van onveiligheid en techno-autoritaire securitisatie in gang zet. Verder creëren oplopende geopolitieke rivaliteiten en destabiliserende AI-kernwapen-cybertechnologieën een vrijwel voortdurende dreiging van desastreuze hete oorlogen, blijken interventies door middel van zonnestralingsbeheer niet goed coördineerbaar en instabiel, stagneert de economische groei door een combinatie van een afnemende consumentenvraag, klimaatchaos en een verstikkend rentierisme. Het wereld-systeem muteert geleidelijk aan van kapitalisme naar een bipolaire of multipolaire configuratie van concurrerende techno-leviathans die meer waarde hechten aan veiligheid, macht en geopolitieke rivaliteit dan aan economische groei.
Dit scenario vormt een soort tussenpad tussen WSP2 (neofeodalisme) en WSP4 (stabiele techno-leviathan), met een snellere technologische innovatie dan in WSP2 en een grotere mate van ongelijkheid, geopolitieke rivaliteit en klimaatchaos dan in WSP4. De kans is gering dat dit tussenpad een stabiele aantrekker voor het wereld-systeem zal vormen. Dat komt enerzijds doordat een onbeheersbare technologische wapenwedloop, ongebreideld terrorisme, een almaar instabieler nucleair afschrikkingsevenwicht en kantelpunten in het klimaat dit pad in de richting van een ineenstorting duwen. Besluiten mondiale elites anderzijds tot samenwerking om daarmee de geopolitieke spanningen in te tomen en met succes zonnestralingsbeheer en CDR in te zetten om klimaatkantelpunten af te wenden, dan zal dit scenario gaandeweg meer trekken krijgen van een stabiele techno-leviathan. Zij het wel van een bijzonder barbaarse en ongelijke variant erop, waarbij de vruchten van de aanhoudende technologische vooruitgang aan een kleine elite voorbehouden blijven. De film Elysium – die een wereld verbeeldt waarin het overgrote deel van de wereldbevolking onder armoede en techno-autoritaire onderdrukking gebukt gaat, terwijl de mondiale elites in techno-weelde baden en deelgenoot zijn van transhumane experimenten en de verovering van de ruimte – vormt wellicht een treffende (zij het enigszins extreme) weergave van deze toekomst.
Dit scenario vormt het tweede ideaaltype en kan gezien worden als een politiek en ecologisch stabielere vorm van een techno-leviathan, waarin groene keynesiaanse transities in combinatie met door de vierde industriële revolutie voortgestuwde innovaties de drijvende krachten vormen achter een lange golf van exponentiële groei, waarbij het lukt om de wereldwijde temperatuurstijging rond 2°C te stabiliseren. Geopolitieke spanningen worden in toom gehouden – waarschijnlijk binnen een scenario van ‘competitieve co-existentie’ tussen door de VS en China geleide blokken, hoewel een ‘democratisch reveil’ dat de aanzet geeft tot een hernieuwde wereldorde onder leiding van de G7 eveneens aannemelijk is.[8] Pogingen om de ontwikkelingen op het vlak van de synthetische biologie en andere gevaarlijke nieuwe technologieën aan regels te binden hebben meer succes, maar worden ingeperkt door zorgen over het belemmeren van innovatie. De binnenlandse ongelijkheid wordt aanvankelijk gereduceerd door een progressiever belastingstelsel en andere fiscale hervormingen, maar die kunnen niet verhinderen dat de almaar voortschrijdende automatisering de polarisatie aanwakkert door de technologische werkloosheid op te voeren, de lonen te drukken en de economische onzekerheid van de meeste werknemers te vergroten.
In de periferie van het wereld-systeem nemen extractivistische ‘zones van ecologische vernietiging’ in omvang toe, terwijl de uitstervingsgolf massaal aanhoudt doordat de doorvoer van grondstoffen en energie blijft stijgen. Maar een opgevoerde verdichting van megasteden; een overvloedig aanbod van zonne-, kern- en mogelijk ook kernfusie-energie; verticale landbouw en alternatieve eiwitten uit precisiefermentatie; en het plunderen van de minerale reserves in het Noordpoolgebied en de diepzee vertalen zich in een levensstijl van ongekend comfort en gemak – zij het ook van lusteloosheid en digitale afzondering – voor zo’n 20 tot 50 procent van de wereldbevolking (al blijft het erg lastig om hier vooraf een percentage op te plakken, aangezien dit zal afhangen van een politieke strijd over lonen, toegang tot een universeel basisinkomen, inkomensherverdeling en de financiering van adaptatiemaatregelen en ‘verlies en schade’ door het mondiale Noorden aan het Zuiden).
Het overige deel van de wereldbevolking zal echter uit een geracialiseerde onderklasse bestaan die permanent verdacht wordt van terroristische impulsen en die dus aan buitengewoon intensieve surveillance en mobiliteitsbeperkingen wordt onderworpen. Genetische modificatie en transhumane experimenten ten behoeve van de bevoorrechte klassen – ter verbetering van hun levensverwachting, gezondheid en cognitieve en fysieke vermogens – zullen de raciale verdeeldheid op termijn verder versterken.[9] Het betreft hier kortom een meer uitvergrote, meer panopticum-achtige en (na verloop van tijd) meer transhumane variant op de huidige mondiale, gemilitariseerde apartheid. Zal de ‘groei’ in dit pad voor altijd aanhouden? In zekere zin wel, hoewel het bbp veel van zijn relevantie zal verliezen aangezien de geautomatiseerde overvloed, de technologische werkloosheid, universele basisinkomens en toenemende veiligheidszorgen over terrorisme met gedemocratiseerde massavernietigingswapens tot een prioriteitsverschuiving onder de heersende klassen zullen leiden. Met de vergroting van ons leefgebied door de exploratie en exploitatie van de ruimte, bestaat er wellicht niet langer een fundamentele grens aan hoe ver deze technologische beschavingsassemblage in termen van haar geografische bereik en grondstoffen- en energiedoorvoer opgerekt kan worden, maar de aarde en haar minder fortuinlijke bewoners zullen daar ongetwijfeld een verwoestende prijs voor betalen.
8. NIC, Global Trends 2040.
9. Webb en Hessel, The Genesis Engine, pag. 163, 206-213.
De laatste drie WSP’s behelzen verschillende ecosocialistische scenario’s. WSP5 kan worden opgevat als een ecomodernistisch en niet-abolitionistisch socialistisch traject. Dit scenario vertoont de nodige overlap met WSP4 – vooral in een Chinese context, waar een techno-leviathan wellicht een autoritair-socialistische gedaante zal aannemen. Maar binnen de democratische sfeer van het wereld-systeem kunnen ecomodernistische socialismen in elk geval meer egalitaire politieke economieën vormen die zich van een mix van democratische en algoritmische planning bedienen om de vruchten van de kapitalistische overvloed te herverdelen, de technologische innovatie op het gebied van ‘groene’ industrieën op te voeren en de vergroting van het sociaal welzijn te prioriteren boven veiligheid en macht. Transities naar ecomodernistische socialismen kunnen op de kortere termijn mogelijk voortvloeien uit een groene inflatiecrisis, of uit een crisis van gestrande activa binnen een traag verlopend groen keynesiaans innovatietraject. Op een langere termijn en binnen een exponentieel innovatietraject kunnen ze voortvloeien uit een snelle stijging van de technologische werkloosheid, of zelfs – halverwege deze eeuw of later – uit een crisis binnen een zwalkend neoliberalisme. Er zijn meer of minder technologisch revolutionaire uitvoeringen van dit scenario mogelijk, van ‘volledig geautomatiseerd’ tot meer sobere varianten. Ook kunnen ze op wereldschaal meer of minder egalitair uitpakken – met inbegrip van scenario’s waarin de rijke landen hun materiële doorvoer uiteindelijk weten te stabiliseren, opdat opkomende economieën een ‘inhaalslag’ kunnen maken of, aan het andere uiteinde, varianten waarin een grote mate van ongelijkheid qua grondstoffen- en energieverbruik in stand wordt gehouden.
Maar al deze scenario’s zullen hoe dan ook met een grootscheepse grondstoffenwinning gepaard gaan die de kern-periferie structuur zal reproduceren, zij het niet noodzakelijkerwijs tussen het mondiale Noorden en Zuiden in de gebruikelijke zin van het woord, maar tussen rijke, verstedelijkte gebieden en hun ‘extractieve achterland’ of ‘opgeofferde groene zones’.[10] En de druk die ecomodernistische socialistische regimes zullen ondervinden als gevolg van de uitbuiting van de periferie door de kern; van de afbraak van de biosfeer, ook wanneer de mondiale temperatuurstijging rond de 2°C gestabiliseerd wordt; van een verergerende geweldsinterafhankelijkheid; en van technologische vorderingen op het vlak van de militair-politionele repressie, kan ze uiteindelijk in een meer techno-autoritaire richting dwingen. In dit scenario zal het onderscheid met een techno-leviathan dus geleidelijk vervagen, vooral in het geval van ‘volledig geautomatiseerde’ varianten op een ecomodernistisch socialisme.[11] Anderzijds is het ook mogelijk om je een scenario te verbeelden waarin de materiële voetafdruk van de kernlanden rond het midden van de eeuw een ‘stationaire staat’ bereikt, waarin er een eind komt aan de relaties van ecologisch ongelijke uitwisseling tussen het Noorden en het Zuiden, waarin de meeste landen, zo niet alle, uiteindelijk een Europees consumptieniveau behalen en waarin het grondstoffen- en energieverbruik tot op zekere hoogte getemperd wordt door een grootschalige uitbreiding van de recyclinginfrastructuur.[12] Hoewel deze wereld er nog steeds een zal zijn van modernistische monoculturen en uitputting van de biosfeer,[13] biedt ze een veel aanlokkelijkere toekomst dan de meeste andere.
10. Zografos en Robbins, ‘Green Sacrifice Zones’.
11. Zie bijvoorbeeld: Bastani, Fully Automated Luxury.
12. Matthew Hubers suggesties in ‘Ecosocialism: Dystopian and Scientific’ zijn wellicht in staat om iets als dit scenario mogelijk te maken.
13. Escobar, Pluriversal Politics.
Dit scenario behelst een niet-abolitionistisch ecosocialistisch ontgroei-pad in de kernregio’s van het wereld-systeem. Dit pad zal zich wellicht voordoen binnen een context van een wereld die zich op de rand van een ineenstorting bevindt als gevolg van een traject van neoliberaal voortmodderen (waarschijnlijk ergens tussen 2050 en 2080, wanneer de polycrisis-storm epische proporties aanneemt), maar het kan ook voortkomen uit een bijzonder ernstige stagflatiecrisis binnen een groen keynesianisme. Aanzwellende ecosocialistische bewegingen vormen dan de katalysator voor een ontgroei-transitie in de kern van het wereld-systeem, maar compromissen met conservatieve machtsblokken – aangezwengeld door angst voor ecologische schaarste en ongecontroleerde migratie – dwingen hen ertoe om gemilitariseerde grenzen en geracialiseerde praktijken van terrorismebestrijding jegens de periferie in stand te houden. Gezien het feit dat ecosocialistische ontgroei-trajecten vrijwel zeker hun oorsprong zullen hebben binnen de context van een hevige crisis die de materiële en existentiële onzekerheden naar grote hoogten opstuwt, zal het inderdaad een hele uitdaging zijn om te voorkomen dat deze regimes in gefortificeerde of reddingsbootachtige ecosocialismen ontaarden. Ook zijn er extreemrechtse ecofascistische varianten denkbaar, waarvan sommige, in elk geval in Europa, bepaalde aspecten van een ontgroei-platform lijken te onderschrijven.[14] De meeste ecosocialistische ontgroeiers zullen (begrijpelijkerwijs) weigeren om dit ontgroei-varianten te noemen. Maar welke naam we er ook aan geven, ecosocialisten zullen hoe dan ook proactief strategieën moeten ontwikkelen om te voorkomen dat hun ontgroei-transities – die, als ze al plaatsvinden, zo goed als zeker zullen voortkomen uit een epische en ongeëvenaarde polycrisis-storm – tot reddingsboten voor de bevoorrechten verworden.
Wereld-systeempad 7: abolitionistisch ecosocialisme
Tot slot vertegenwoordigt WSP7, zoals ik in hoofdstuk 4 en 5 uitgebreid besproken heb, de ideale oplossing voor de planetaire problematiek: een ecosocialistisch wereld-systeem dat ontgroei-trajecten in het mondiale Noorden combineert met abolitionistische veiligheidsassemblages en een alternatieve ‘Nieuwe Internationale Economische Orde’ die zowel krimp in het Noorden als convergentie tussen het Noorden en het Zuiden nastreeft. Hier ga ik uit van de aanname dat een abolitionistisch ecosocialisme het product zal zijn van een diepe en lang aanhoudende stagflatiecrisis binnen een groen keynesianisme, die ergens in de jaren dertig zijn beginpunt heeft. Maar dit pad laat zich ook verenigen met transitiescenario’s op de langere termijn die met een opwarming van 2,5°C+ gepaard gaan. Een dergelijk klimaattraject zal een forse rem zetten op het adaptatievermogen van een groot deel van het mondiale Zuiden. Maar als de noordelijke ecosocialistische staten het mondiale gemilitariseerde apartheidsapparaat afschaffen, migranten verwelkomen, in samenwerking met de overheden en de inwoners van het mondiale Zuiden hervestigingsprogramma’s ontwikkelen en nieuwe steden bouwen in het steeds beter bewoonbare hoge noorden, dan kan een meer rechtvaardige en leefbare wereld voor de inmiddels 9 à 10 miljard aardbewoners nog steeds tot de mogelijkheden behoren, zelfs wanneer de mondiale temperatuurstijging de 3°C akelig dicht benadert.[15]
Een andere optie is dat ecosocialistische regimes er in een wereld van 2,5°C+ gezamenlijk in slagen om de mondiale temperatuur met behulp van zonnestralingsbeheer te verlagen, terwijl ze tegelijkertijd de programma’s opschalen voor planetaire herverwildering, koolstofabsorberende agro-ecologie en het machinaal uitfilteren van CO₂ om zo een op hol slaand klimaat te voorkomen en de hoeveelheid CO₂ in de atmosfeer op termijn naar een veilig niveau terug te brengen.[16] Ongetwijfeld vereisen beide langetermijn-scenario’s ‘een orkestratie die zo complex en zozeer van geluk afhankelijk is dat mensen ze wellicht als een fantastische, utopische hersenschim zullen afdoen,’ zoals Holly Jean Buck in haar verkenning van de mogelijkheden van toekomstige ecosocialistische geo-engineering stelt.[17] Toch moeten we beide scenario’s niet zomaar terzijde schuiven, want daarmee sluiten we ook onze ogen en onze verbeelding voor andere mogelijke (zij het minder wenselijke) ecosocialistische toekomsten.
14. Zie: Malm en The Zetkin Collective, White Skin, Black Fuel, pag. 167-168.
15. Zoals Gaia Vince voorstelt. Zie: Vince, Nomad Century, pag. 105.
16. Buck, After Geoengineering.
17. Buck, After Geoengineering, pag. 34.
Dit is het moment om te bekijken hoe deze provisorische kaart van de planetaire toekomst een basis kan vormen voor een contra-hegemonische navigatiepraktijk. Beginnen we met het concrete utopische streven naar een ecosocialistisch pad, dan heb ik in de voorgaande paragrafen geopperd dat de beste hoop voor een dergelijke transformatie gelegen is in een groene inflatie- of stagflatiecrisis binnen een groen keynesianisme, die de ideologische hegemonie van het concept van groene groei ondermijnt en die een cascade van kantelpunten voor radicale postgroei-beleidsinterventies in gang zet. Dit impliceert twee zaken.
De eerste is de noodzaak om zo snel mogelijk de strijd aan te gaan voor de invoering van een groen keynesianisme (of voor een wereldomspannende Green New Deal), dat minimaal de volgende punten moet omvatten: het uitfaseren en afschaffen van fossiele subsidies; het gecoördineerd verhogen van de koolstofbeprijzing in de belangrijkste economieën; het opvoeren van de R&D-uitgaven voor groene technologieën; het moderniseren en uitbreiden van het elektriciteitsnet en de elektrificatie van het openbaar vervoer; een klimaatfinanciering voor het mondiale Zuiden die in 2030 de 1,3 biljoen dollar per jaar zo dicht mogelijk benadert; en het optuigen van binnenlandse herverdelingsmechanismen.[18]
De tweede zaak die hieruit voortvloeit is dat bewegingen voor klimaatrechtvaardigheid zich vervolgens zullen moeten voorbereiden op een crisis binnen het groene keynesiaanse traject – hoogstwaarschijnlijk een convergentie van groene inflatie, stagnatie, banenverlies, transitierisico’s en populistisch verzet. Hoe kunnen ecosocialisten en bewegingen voor klimaatrechtvaardigheid erin slagen om én een fossiele tegenreactie te voorkomen én overheden tot een meer egalitaire postkapitalistische koers te bewegen? Zoals ik in hoofdstuk 4 heb aangegeven, is onze beste hoop daarvoor gelegen in het proactief smeden van een brede coalitie van bewegingen voor een postgroei-sociaaldemocratie, om zo de voorwaarden te scheppen voor een heel ander antwoord op een groene inflatie- of stagflatiecrisis – een respons die gebaseerd is op prijsbeheersing, het terugdringen van het energieverbruik, het vervangen van het bbp door alternatieve indicatoren van welzijn, het waarborgen van collectieve economische zekerheid bij ontstentenis van bbp-groei en het verlagen van de defensie-uitgaven. In samenspraak met een anti-imperialistische strijd in het mondiale Zuiden kan deze reactie er mogelijk voor zorgen dat de omstandigheden rijp zullen zijn voor een metamorfose naar een op ontgroeien gericht abolitionistisch ecosocialisme dat tevens een convergentie tussen het Noorden en Zuiden nastreeft. Al zal dit met een langdurige strijd gepaard gaan, en met talrijke ’tijdelijke haltes op een voortdurende, zij het hobbelige reis’ naar de verhoopte utopische bestemming.[19]
Maar slagen groene keynesiaanse regimes er anderzijds in om met behulp van ‘vierde industriële revolutie’-doorbraken een lange golf van kapitaalaccumulatie te ontketenen, dan zullen deze bewegingen een strategie moeten ontwikkelen om te voorkomen dat dit regime na verloop van tijd steeds meer techno-autoritaire trekken krijgt. Tot de belangrijkste strijdpunten voor het voorkomen of op zijn minst afzwakken van een ontluikende techno-leviathan behoren: een proactieve strijd voor een leefbaar en onvoorwaardelijk universeel basisinkomen; het verzekeren van afdoende klimaatfinanciering voor het mondiale Zuiden; het onder druk zetten van overheden om de Conventie over Biologische Wapens te moderniseren of nieuwe wereldwijde initiatieven te ontplooien om de gevaren van de synthetische biologie te reguleren, ook als de innovatie daardoor trager verloopt; en de strijd aangaan voor het institutionaliseren van beperkingen op de inzet van gezichts- en emotieherkenning, voorspellende politietechnologieën, drone-zwermen en neurotechnologieën door veiligheids- en politiediensten. Het doel van deze strijdpunten is niet alleen het terugdringen van de ongelijkheid, maar ook het ontmoedigen van het imperialistisch geweld dat anders terrorisme door niet-statelijke actoren zou ontlokken, en om overheden te dwingen om gezamenlijk de gevaren van ongecontroleerde ‘vierde industriële revolutie’-innovaties in te dammen én de pogingen aan banden te leggen van veiligheids- en politiediensten om ongelimiteerd techno-autoritaire macht uit te oefenen.[20]
18. Victor e.a., Accelerating the Low Carbon Transition; Klein, On Fire.
19. Thaler, No Other Planet, pag. 249.
20. Deibert, Reset, pag. 277-299.
Mocht een neerwaartse spiraal van onveiligheid en securitisatie de liberaal-democratische staten uiteindelijk toch tot een techno-autoritair pad aanzetten, dan is dat niet het einde van het verhaal. In plaats van zich simpelweg bij de situatie neer te leggen, zullen contra-hegemonische bewegingen de strijd moeten aangaan om zo veel mogelijk democratische verantwoording en toezicht, inclusie en rechtvaardigheid af te dwingen. Dat gebeurt idealiter door overheden tot een meer ecomodernistische socialistische koers te bewegen (maar zoals ik eerder al opmerkte, zal het binnen deze context een hele uitdaging zijn om zoiets voor elkaar te krijgen).
Blijft zo’n beslissende transitie naar een groen keynesianisme echter uit, of stuit die transitie op een ‘fossiel’ en/of populistisch verzet en glijdt ze terug naar een zwalkend neoliberalisme – het perfecte recept voor een 2,5°C+-wereld –, dan is ook dat niet het einde van het verhaal. Sommige geledingen van de klimaatbeweging hebben de neiging om ervan uit te gaan dat ‘we tien jaar hebben’ om het klimaatprobleem op te lossen, want anders is een ineenstorting onvermijdelijk en is er niets meer wat we kunnen doen.[21] Al is deze redenering niet van alle logica gespeend, toch is ze ook misplaatst. Het is best aannemelijk dat een opwarming van 2,5°C een kettingreactie aan kantelpunten zal ontketenen, maar daarmee is dat nog niet onvermijdelijk; totdat we een opwarming 3°C bereiken, zullen de terugkoppelingen in het aardsysteem waarschijnlijk gematigd en omkeerbaar blijven, al is dit uiteraard hoogst onzeker en hebben we hoe dan ook met een uitermate alarmerende situatie van doen.
Ook is het mogelijk dat ecosocialistische transities pas later deze eeuw zullen plaatsvinden, wat aanzienlijk minder ideaal zou zijn, aangezien ze dan tot stand gebracht moeten worden binnen een context van toenemende socio-ecologische schaarste en existentiële crises, hetgeen het veel moeilijker maakt om een pad van gefortificeerd ontgroeien te vermijden. Maar ook in een 2,5°C- of 3°C-wereld is het mogelijk om je toekomsten te verbeelden, waarin ecosocialistische geo-engineering het doel van klimaatrechtvaardigheid vooruithelpt, of waarin een ecosocialistisch migratiebeleid de politieke kaart geheel hertekent (of een combinatie van beide).
Tot slot moeten we de navigatiedilemma’s niet uit de weg gaan die een mogelijke toekomstige ineenstorting met zich mee zullen brengen. Van links tot rechts verzet het gros van de analisten zich tegen het bespreken van de mogelijkheid van een ineenstorting. Zo omschrijft Ben Hayes het anticiperen op een ineenstorting bijvoorbeeld als ‘de allerbelabberdste basis om na te denken over een rechtvaardig en proportioneel antwoord op de huidige onzekerheden, laat staan om te proberen een radicale politiek van de grond te krijgen.'[22] Daar staat tegenover dat iemand als Jem Bendell tot de conclusie is gekomen dat een of andere vorm van wereldwijde ineenstorting inmiddels onvermijdelijk is.[23] Hoewel ik een wereldwijde ineenstorting zeker niet als een onvermijdelijke gegevenheid beschouw, heb ik in dit boek wel laten zien dat daar niettemin een gerede kans op bestaat – er kan een tijd komen dat er een padafhankelijk ineenstortingsproces in gang wordt gezet waaraan maar moeilijk te ontkomen valt.
21. Jonathan Franzen, ‘What If We Stopped Pretending?’ (New Yorker, 8 september 2019). www.newyorker.com/culture/cultural-comment/what-if-we-stopped-pretending.
22. Ben Hayes, ‘Colonising the Future: Climate Change and International Security Strategies’ in: Buxton en Hayes (red.), The Secure and the Dispossessed: How the Military and Corporations Are Shaping a Climate-Changed World (London: Pluto Press, 2015). Pag. 55.
23. Jem Bendell, ‘Deep Adaptation: A Roadmap for Navigating Climate Tragedy’ (IFLAS Occasional Paper 2, 27 juli 2018). www.lifeworth.com/deepadaptation.pdf.
Dus in plaats van blind een ‘alles of niets’- of ‘ecosocialisme of barbarij’-strategie te volgen, moet er dus zorgvuldiger nagedacht worden over de bedreigingen, beperkingen en kansen waarmee uiteenlopende gemeenschappen en regio’s bij een ineenstorting van het wereld-systeem te maken zullen krijgen. Dat is trouwens precies wat extreemrechtse bewegingen momenteel aan het doen zijn,[24] en het zou uitermate onverstandig zijn om het anticiperen op een ineenstorting uitsluitend aan hen over te laten. We moeten onderkennen dat terwijl een ineenstortingstraject met ongekend veel ellende en lijden gepaard zal gaan, dezelfde geografisch ongelijke socio-ecologische, gewelds- en existentiële problematieken van kracht zullen blijven, en die kunnen op betere en slechtere manieren ‘opgelost’ worden. Het is zelfs aannemelijk dat een ineenstorting van het wereld-systeem tot de opkomst van meer egalitaire ecosocialismen zal leiden – bijvoorbeeld als gevolg van een bewustzijnstransformatie in de nasleep van een kernoorlog[25] of door middel van ecosocialistische opstanden tegen een neofeodaal ‘fort aarde’. In die zin ‘luidt de ineenstorting van het heersende systeem,’ in de woorden van Nafeez Ahmed, ‘de mogelijkheid in van een systemische langetermijn-transformatie.'[26]
Ook als we er niet in slagen om de dystopische regio’s van de mogelijkheidsruimte te vermijden – of dat nu een ineenstorting is of een techno-leviathan –, blijft het van het grootste belang om ons een voorstelling te maken van hoe bewegingen voor sociale rechtvaardigheid en gelijkgestemden in een grimmige toekomst ruimte kunnen blijven bieden aan vormen van mededogen, zorg en solidariteit. Gericht speculeren over dystopische toekomsten kan hierbij behulpzaam zijn. In de woorden van Kathryn Yusoff en Jennifer Gabry dwingt het verbeelden van dystopische toekomsten ons om ‘ons het volledige scala aan emotionele uitdagingen en moeilijke keuzes voor te stellen die op zullen treden zodra alle bekende markeringen en referentiepunten in het landschap veranderd of verdwenen zijn […] om na te denken over hoe dit te doorstaan en te overleven.'[27] Bewegingen voor sociale rechtvaardigheid in het mondiale Noorden kunnen ook leren van wat Audra Mitchell en Aadita Chaudhury ‘BIPOC-futurismen’ noemen – geschreven door zwarte, Afrikaanse, Caribische, inheemse en andere auteurs die het einde van de wereld van hun voorouders onder het juk van witte suprematie al hebben doorgemaakt –, die een literaire vorm geven aan de ‘altijd al werkzame arbeid van wereldopbouw en bloei’ in het kielzog van een apocalyps.[28]
Volgens deze auteurs is het doel van dystopisch futurismen niet alleen gelegen in het stimuleren van preventieve actie (al is dat idealiter wel de uitkomst), maar ook om cognitief en emotioneel voorbereid te zijn op meer dan overleven alleen – om ook in een dystopische toekomst op zoek te gaan naar nieuwe bronnen van betekenis, gemeenschap, veerkracht en misschien zelfs bloei. Dat is bijvoorbeeld de kracht van de Deep Adaptation-beweging, die ons uitdaagt om de vraag te onderzoeken hoe we op zo’n manier door een ineenstorting kunnen laveren dat compassie en solidariteit daarbij centraal staan.[29] Bij ’techno leviathan’-toekomsten wacht ons overigens een soortgelijke taak aangezien die, afhankelijk van je geografische en intersectionele positie, nog ellendigere vormen kunnen aannemen dan een ineenstorting. Dit betekent niet dat we dergelijke toekomsten dus als onvermijdelijke gegevenheden accepteren, alleen maar dat we niet halsstarrig aan een ‘ecosocialisme of barbarij’-framework vasthouden. In deze zin moeten we ons niet alleen wijden aan het intellectuele werk dat nodig is om te analyseren hoe deze toekomsten tot stand gebracht kunnen worden en welke geografisch ongelijke uitdagingen en kansen ze met zich mee zullen brengen, maar ook aan het meer existentiële werk van een cognitief-emotionele voorbereiding.
24. Neiwert, Alt-America.
25. Zoals Warren Wagar verbeeldt in: A Short History of the Future (Chicago: University of Chicago Press, 1989).
26. Ahmed, Failing States, pag. 88-89.
27. Yusoff en Gabrys, ‘Climate Change and the Imagination’, pag. 5.
28. Mitchell en Chaudhury, ‘Worlding Beyond “the” End’, pag. 327.
29. Bendell, ‘Deep Adaptation.’
Antonio Gramsci heeft ooit opgemerkt dat we zowel een optimisme van de wil als een pessimisme van het verstand nodig hebben. Dat inzicht is onverminderd relevant, al moeten we ons wel afvragen wat een ‘optimisme van de wil’ precies behelst in het licht van onze heikele eenentwintigste-eeuwse planetaire situatie. Voor gematigde liberalen en ecomodernisten neemt dat de vorm aan van een ‘can do‘-mentaliteit van apolitieke innovatie, die appelleert aan de technologische mirakels van de moderne wereld en aan de belofte van grootse doorbraken die nog in het verschiet liggen. Ecosocialisten en ontgroeiers plaatsen terecht vraagtekens bij deze op wankele aannames gestoelde analyse en stellen daar een wankele aanname van eigen makelij tegenover: dat massabewegingen voor sociale rechtvaardigheid ons kunnen redden. Maar of de hoop nu gevestigd is op technologische innovatie of op massabewegingen (of op allebei), deze optimistische aannames vereisen hoe dan ook een ‘geloofssprong’.
Anderen verwerpen deze geloofssprong en opperen nieuwe intellectuele, praktische, emotionele en (soms) spirituele antwoorden op de hachelijke situatie waarin onze planeet zich bevindt. Deze denkers richten zich op een stadium dat zich voorbij deze narratieven van ‘groene positiviteit’ en hun ‘hopium’ du jour bevindt – die ze hekelen als ‘emotionele zoethouders’, omdat ze ons belemmeren om over het verlies te rouwen dat ons te wachten staat en nieuwe betekenis te vinden in een leven dat de drang naar ‘oplossingen’ overstijgt.[30] Roy Scranton maakt bijvoorbeeld korte metten met wat hij de ‘ficties’ van ecosociale transformatie en technologische wonderen noemt, die hij als ‘bespottelijk gedagdroom, als kastelen van luciferhoutjes in een orkaan’ afdoet. In plaats daarvan raadt hij ons aan om onze angst voor de dood onder ogen te zien en een nederiger begrip van onze kosmische nietigheid te cultiveren.[31] Binnen het veld van de internationale betrekkingen roept Jairus Grove op tot een vorm van ‘negatief denken, als alternatief voor het eindeloos herhalen van moraliserende inzichten en strategische vooruitblikken, iets wat nutteloos denken, nutteloze wetenschap en nutteloze levensvormen op het schild hijst, precies op het moment dat ons verteld wordt dat ze omwille van een blinde overlevingsdrang allemaal overboord moeten.'[32] Vanuit een meer literaire invalshoek roept het Dark Mountain Project op tot een nieuwe praktijk van ‘ongeciviliseerde’ literatuur die breekt met de verhalen over eindeloze vooruitgang die de kapitalistische beschaving velen van ons van kinds af aan heeft voorgeschoteld. Zo vragen ze zich af: ‘Wat zou er gebeuren als we de blik omlaag richten? Zou het zo erg zijn als we ons voorstellen? […] Wij denken dat het tijd is om omlaag te kijken.'[33]
In sommige opzichte is het makkelijker, en in andere juist uitdagender, om in het voetspoor van de ‘nieuwe pessimisten’ (zoals je ze zou kunnen noemen) te treden. Er zijn redelijke argumenten voorhanden om à la Dad’s Army te concluderen dat ‘We’re doomed‘, al moet de betekenis ervan genuanceerd worden door het besef van de geografisch en intersectioneel ongelijke kwetsbaarheden van waaruit dat ‘wij’ is opgemaakt. Tegelijkertijd gaat elke aanzegging dat ‘we verdoemd zijn’ gebukt onder het gewicht van een onschatbaar verlies aan mensenlevens, levenswijzen, soorten en ecosystemen dat hierin impliciet als onvermijdelijk wordt geaccepteerd. Dus voel ik me ongemakkelijk bij op zijn minst een aantal uitingsvormen van het nieuwe pessimistische perspectief, omdat die in een vorm van escapisme kunnen ontaarden die weigert om het verdriet, de pijn, de angst en de woede te doorvoelen, waarmee een oprecht onder ogen zien van onze hachelijke planetaire situatie wel gepaard gaat.'[34] Al even belangrijk is het, zoals Scranton zelf ook erkent, dat een houding van fatalistisch pessimisme vaak geduid kan worden als een poging om je ‘boven het gekrakeel’ te verheffen, of om de ‘gêne’ te vermijden van je in te zetten voor een verkeerde of hopeloos onrealistische toekomst.[35] Met andere woorden, in plaats van de strijd voor een betere toekomst aan te gaan en de pijn en de teleurstelling van een mislukking te riskeren, lopen de nieuwe pessimisten het gevaar om tot een apolitiek quiëtisme – een zich afkeren van de wereld – te vervallen, met als schrale troost dat ze uiteindelijk waarschijnlijk gelijk zullen krijgen. ‘Wat een benijdenswaardige positie, zo hoog verheven boven het strijdgewoel!'[36]
30. Bendell, ‘Deep Adaptation’; zie ook: Carolyn Baker en Andrew Harvey, Savage Grace: Living Resiliently in the Dark Night of the Globe (Bloomington, IN: iUniverse, 2017).
31. Roy Scranton, ‘Beginning with the End’ (Emergence Magazine, april 24 2020). https://emergencemagazine.org/story/beginning-with-the-end/?mc_cid=5db6ee138c&mc_eid=0d70a348da.
32. Jairus Grove, Savage Ecology: War and Geopolitics and the End of the World (Durham, NC: Duke University Press, 2019). Pag. 25.
33. Dark Mountain Project, Walking on Hot Lava: Selected Works for Uncivilized Times (White River Junction, VT: Chelsea Green, 2017). Pag. 14.
34. Van alle pessimisten biedt het werk van Carolyn Baker en Andrew Harvey een van de diepste en meest oprechte reflecties op onze hachelijke situatie; zie: Savage Grace.
35. Scranton, ‘Beginning with the End’.
36. Scranton, ‘Beginning with the End’.
Uiteindelijk denk ik dat we een vruchtbaardere koers tussen hoop en pessimisme kunnen uitzetten. Zoals Elizabeth Grosz stelt, kan een deleuziaanse ethiek – geënt op de stoïcijnen, op een spinozistische liefde voor de natuur en op een nietzscheaans amor fati – ons in deze prangende tijden helpen. Vanuit dit perspectief luidt de ‘kwestie van de ethiek’: ‘Hoe kan ik de gebeurtenissen die me te wachten staan waardig zijn, hoe kan ik deel uitmaken van gebeurtenissen die me opslokken, die me vooraf gaan, of waarover ik geen controle heb? […] Waar ben ik toe in staat, wat is de macht waarover ik beschik en hoe kan ik zo handelen dat ik mijn actief gebruik ervan behoud en versterk?'[37] Dit zijn waardevolle vragen die eenieder zich zou moeten stellen die zich voor een rechtvaardigere en duurzamere toekomst inzet. Met Grosz en Deleuze als leidraad is het doel er uiteindelijk in gelegen om zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen hoever onze macht strekt om bewegingen tot meer te maken dan de som van hun delen, hoe we die macht maximaal kunnen benutten om de best mogelijke of minst slechte toekomst te creëren en hoe we, ongeacht wat de toekomst brengt, een goed en solidair bestaan kunnen leiden.
Enerzijds betekent dit, zoals ik een paar afleveringen terug al opmerkte, dat we een ‘ecosocialisme of barbarij’-aanpak moeten vermijden, omdat die naar alle waarschijnlijkheid niet alleen op een teleurstelling en een burn-out zal uitlopen, maar ook de flexibiliteit kan ondermijnen die nodig is om onze collectieve macht te maximaliseren en om binnen de beperkingen die ons opgelegd zullen worden optimaal te handelen en te gedijen. Al is het helaas wel zo dat als ’s werelds machtigste bedrijven, kapitaalbeheerders en overheden vastbesloten blijven om hun rijkdom en macht ten koste van de aarde te behouden, en grote delen van de mondiale arbeidersklasse zich ook in de toekomst te zeer laten leiden door ideologieën van kapitalisme, ras, nationalisme en misplaatste mannelijkheid, de rest van ons daar niet heel veel aan kan doen.
Toch is het anderzijds ook zo dat zodra we claimen dat een ineenstorting of techno-leviathan onvermijdelijk is, we onze praxis inperken en het zicht verliezen op de mogelijkheden voor een transformatief handelingsvermogen, die zich tijdens de komende turbulente tijden zullen voordoen. De toekomst ligt open en – om Deleuze, Guattari en Spinoza te parafraseren – we weten nog niet wat een planetaire polycrisis kan doen.[38] Hoewel we dus open moeten blijven staan voor de onzekerheid van de toekomst, is het volgens Joanna Macy ook zaak om onze verwachtingen te laten varen over de verhoopte resultaten van onze acties. In deze zin wil ‘actieve hoop’ zeggen dat je consequent vast blijft houden aan de strijd voor een rechtvaardiger wereld, niet omdat ze veel kans van slagen heeft, maar omdat het ‘dienen van het leven’ en het lenigen van het lijden in zichzelf een waardevol doel is.[39] Elk beetje onrecht dat onze collectieve inspanningen kunnen verminderen telt, zelfs al is het maar tijdelijk. Het is geen kwestie van alles of niets.
Misschien kan een optimisme van de wil dat op deze manier wordt opgevat een kompas zijn dat ons kan helpen om door de polycrisis te laveren. Enerzijds is het mogelijk dat er verderop in deze turbulente eeuw een democratische ecosocialistische transformatie plaatsvindt – een doel dat het waard is om in te geloven en voor te vechten. Anderzijds moet ons optimisme niet berusten op het geloof dat we een duurzamere en rechtvaardigere wereld kunnen en zullen creëren, maar op de overtuiging dat we collectief nieuwe manieren van leven en nieuwe bronnen van betekenis, inzicht, gemeenschap – en zelfs van vreugde – kunnen ontdekken, ongeacht wat de toekomst brengen zal.
37. Elizabeth Grosz, The Incorporeal: Ontology, Ethics, and the Limits of Materialism (New York: Columbia University Press, 2017). Pag. 151, 134.
38. Gilles Deleuze en Felix Guattari, A Thousand Plateaus (London: Continuum, 2004).
39. Joanna Macy en Chris Johnstone, Active Hope: How to Face the Mess We’re in Without Going Crazy (Novato, CA: New World Library, 2012). Van Joanna Macy en Molly Young Brown verscheen bij ons het boek Terugkeer naar het leven, oefeningen en rituelen om ons weer te verbinden met het Levensweb. Zie bij de Paradigmaserie: https://4eco.nl/portfolio-items/terugkeer-naar-het-leven/?portfolioCats=18.