Paradigmaschimmel of elementen van een toekomstanalyse 3
Recept: Zou een ecologischer klasse kunnen helpen?
JAN VAN ARKEL
Wie zijn artikelenreeks de titel ‘Paradigmaschimmel’ meegeeft, gelooft natuurlijk dat het heersende paradigma is aangetast. Het huidige paradigma verklaart niet meer wat we waarnemen en moet vervangen worden door een nieuw. Voor wie goed kijkt is de grote ontrafeling heel hard aan de gang.* Tegelijk laat de inhoud van het eerste artikel overtuigend zien dat een nieuw paradigma nog in dikke mist gehuld is, een reden waarom het gros van ons hardnekkig vasthoudt aan het oude paradigma.
In dit en het volgende artikel gaan we kijken naar wat er voor in de plaats zou kunnen komen. Mensen die echt ‘out of the box’ over onze toestand kunnen nadenken zijn schaars, maar ze zijn er wel. Ze vallen mijns inziens grofweg in twee categorieën uiteen: zij die alternatieven laten zien voor (aspecten van) het huidige systeem en het daarmee willen aanpassen, en zij die beginnen te denken vanuit een geheel nieuwe positie.
Ik wil me hier vooral bezighouden met de laatste categorie, maar dat wil niet zeggen dat het bieden van alternatieven voor de huidige toestand onbelangrijk is. Het is belangrijk om los te kunnen komen van vastgeroeste beelden. Er is immers een andere economie, een andere politiek en een andere cultuur nodig en die verbetering moet uitgedacht worden. Dat kan alleen als ideeën erover rondgaan en bediscussieerd worden. Ten tweede zijn die alternatieven voor de staande praktijk belangrijk omdat ze beter aansluiten bij het denken van de meeste mensen dan veel verder gaande fantasieën. En hoe vaker zij inzicht krijgen in hoe dingen die anders moeten ook anders zouden kunnen, hoe dichterbij de acceptatie komt om serieus over een radicaal alternatief na te denken. Ik begin dit artikel daarom met wat aanpassingsideeën.
In aflevering 2 geef ik de korte opsomming weer van wat de ‘donut-economie’ volgens de auteur Kate Raworth zelf inhoudt.* (Het is slechts één aflevering om er als het ware aan te ruiken; haar boek is vertaald en eenieder kan het in zijn geheel lezen.) Haar ‘model’ weerspiegelt een ander economisch denken, een typisch voorbeeld van zo’n alternatief voor de heersende toestand. Begrijp me goed, de gangbare economen vinden haar voorstellen vast veel te ver gaan, of onvoorstelbaar en nergens voor nodig (typisch de reactie van de heersende wetenschappelijke belangen bij een paradigmawisseling). Maar Raworth blijft wel de crisis vóór. Ze maakt het paradigma weer kloppend zonder dat er sprake is van het grote verval naar een veel eenvoudiger systeem dat als we niets doen onontkoombaar is en waarvan ik geloof dat het – op basis van wat ik in het eerste artikel schrijf – gaat gebeuren.*
Ook krijgt het boek Uit de puinhopen van George Monbiot in dit artikel nog enige aandacht omdat het een mooie aanvulling is op de Donut-economie.* Monbiot begint zijn boek met te spreken over het belang van beginselen, hetgeen moet uitmonden in een overtuigend en aansprekend verhaal. In aflevering 3 neem ik zijn beginselverklaring over. In het boek zelf volgt dan dit ‘aansprekende verhaal’ in ruim tien pagina’s (en in vijf delen), gevolgd door een korte versie. Die laatste neem ik hier over in aflevering 4. Lees vooral ook dit boek in zijn geheel.
Dan doe ik min of meer het zelfde met het boek Ontgroei: een korte weergave van de kern ervan plus in een noot in aflevering 5 een overzicht van de inhoudsopgave. Dit boek biedt namelijk een waaier van ruim 50 onderwerpen, die elk een aspect van degrowth aan de orde stellen, een alternatief dat ruimer is dan dat van Kate Raworth. Die onderwerpen zijn verdeeld in zienswijzen, bouwstenen, praktijken en verwante bewegingen. Overal in het boek wordt naar de andere thema’s verwezen, zodat je er ook zappend doorheen kan gaan. Het staat in zijn geheel als pdf in de rubriek Paradigmaboeken (en is nog bij ons te koop).*
De rest van dit artikel is een podium voor de Franse politiek-filosoof Bruno Latour en de Deense socioloog Nikolaj Schultz.* Latour en Schultz stellen aan de orde dat eerst het oude regime omver geworpen moet worden wil de ecologische kwestie een oplossing kunnen vinden en dat dat alleen kan met een macht die tegen de heersende macht opgewassen is. De vraag is dan of er zo’n ecologische beweging, of klasse kan komen en wat die dan zou inhouden. Latour brengt het op zijn bekende manier nogal abstract. Dat heb ik enigszins proberen op te lossen door een viertal inleidende afleveringen op te nemen, afkomstig uit een interviewboekje (aflevering 6-9).*
En dan nu: aspecten van een remedie voor een ziek paradigma.
‘Wat,’ vraagt Kate Raworth, auteur van Donuteconomie, ‘als we in de economie nu eens niet begonnen met de gevestigde theorieën, maar met de langetermijndoelen van de mensheid, en van daaruit op zoek gingen naar het economische denken dat ons in staat zou stellen die doelen te verwezenlijken? Ik probeerde die doelstellingen in een tekening te vatten en hoe belachelijk het ook klinkt, het resultaat leek op een donut.’ Het gaat om twee concentrische cirkels. ‘Binnen de binnenste cirkel – het sociale fundament – bevindt zich menselijke ellende zoals honger en analfabetisme. Buiten de buitenste ring – het ecologisch plafond – bevindt zich de aantasting van de planeet door bijvoorbeeld klimaatverandering en afnemende biodiversiteit. Tussen deze twee cirkels bevindt zich de donut, de ruimte waarin we, binnen de mogelijkheden van de planeet, kunnen voorzien in de behoeften van iedereen.
‘Met de donut in mijn hand schoof ik mijn oude economieboeken terzijde en ging ik op zoek naar de beste ideeën die er waren en onderzocht ik nieuwe economische denkbeelden.’ Haar zoektocht leverde zeven manieren op ‘om te denken als een 21ste-eeuwse econoom’. Zij laat steeds eerst zien welk vals beeld ons denken tot nog toe bepaald heeft, hoe dit beeld zo machtig kon worden, en welke schadelijke invloed het heeft gehad. Dan volgen nieuwe beelden met de essentiële principes waardoor we ons zouden moeten laten leiden. Tezamen vormen ze een nieuw ‘groot plaatje’. Van pagina 29-33 gaat Raworth deze principes in vogelvlucht langs en ik kort die beschrijving ervan hier nog iets verder in, want het boek is voor iedereen te koop en ik raad eenieder aan het te lezen. Dit zijn de zeven principes:
Eén: verander de doelstelling. We moeten af van de fixatie op het bbp als belangrijkste indicator van vooruitgang. Deze fixatie wordt gebruikt als rechtvaardiging van extreme ongelijkheid in inkomen en vermogen en van een ongekende aantasting van het milieu. We hebben een veel bredere doelstelling nodig en die komt tot uiting in het concept van de donut.
Twee: kijk naar het grote plaatje. De mainstream economische wetenschap typeert de hele economie met slechts één, extreem beperkt beeld: het kringloopdiagram. Het geldt als excuus voor alles wat fout gaat. Het is dus tijd om de economie opnieuw te ontwerpen, om haar in te bedden in de maatschappij en de natuur, en om haar van energie te laten voorzien door de zon. Dit vraagt om nieuwe verhalen.
Drie: stimuleer de menselijke natuur. De economen hebben ons ingeprent dat we ons eigenbelang voorop stellen, berekenend zijn, onveranderlijke voorkeuren hebben en de natuur beheersen. Dit portret heeft ons gemaakt tot wie we zijn. De menselijke natuur is echter veel rijker: we zijn sociaal, met elkaar verbonden, benaderbaar, onze waarden zijn veranderlijk, en we zijn afhankelijk van de levende planeet. Leven binnen de veilige en rechtvaardige ruimte is mogelijk.
Vier: Snap de systemen. De 19e-eeuwse metaforen van mechanische evenwichtstoestanden, zoals tussen vraag en aanbod, zijn misplaatst. De terugkoppelingslussen van de systeemtheorie zijn veel meer ter zake. Met deze theorie komen nieuwe inzichten die behalve op de economie, ook betrekking hebben op zaken als ongelijkheid en klimaatverandering. We hebben te maken met een complex systeem dat zich voortdurend ontwikkelt.
Vijf: richt je op herverdeling. Moeten minder bedeelden eerst door een dal voordat het beter wordt? Nee, zegt Raworth, ongelijkheid is een ontwerpfout in de economie. Er zijn tal van manieren om een betere verdeling te bereiken, zoals uitgebeeld wordt door een netwerk van stromen. Het betekent wel dat de controle over de grond, ondernemingen, technologie, kennis en de macht om geld te scheppen in andere handen moeten komen dan nu het geval is.
Zes: creëer om te regenereren. Economen houden het er op dat economische groei uiteindelijk het milieuprobleem zal oplossen. Een dergelijke wetmatigheid bestaat echter helemaal niet. Degeneratie moet vervangen worden door regeneratie: een circulaire in plaats van een lineaire economie die ervoor zorgt dat de mensen weer onderdeel worden van de gezonde levenscycli van de aarde.
Zeven: wees agnost als het om groei gaat. Het gevaar van de exponentiële groei die hoort bij de groei van het bbp op lange termijn is op 4eco al op diverse plaatsen aan de orde gesteld. Die groei móet wel botsen met de eindige natuur. In de natuur vlakt groei altijd af en komt op een (min of meer) stabiel niveau uit. De opdracht om groei uit je hoofd te zetten is een radicale omslag in perspectief, die ons vraagt om ons geloof hierin op te geven, oftewel om agnost te worden, dat wil zeggen een pragmaticus die nog geen eindoordeel wil vellen.
De economische denkers van de komende decennia staan voor de opgave om deze zeven manieren van denken in de praktijk te brengen en ze uit te breiden.
‘Beginselen’, zo schrijft Monbiot, ‘kunnen beschouwd worden als de vruchtbare aarde die een harde rotsbodem van waarden bedekt. Politieke beginselen zijn de fundamentele stellingen die aan de basis liggen van een politieke filosofie. Met andere woorden: ze zijn een beschrijving van de wereld zoals we die zouden willen. Ze moeten duidelijk en open geformuleerd worden, zodat ze met trots en overtuiging kunnen worden uitgedragen en uitgelegd. Met enkele politiek geëngageerde vrienden heb ik een lijst met beginselen opgesteld die zouden kunnen bijdragen aan een nieuw politiek verhaal:
Een beginselverklaring
- We willen leven in een wereld die wordt geleid door empathie, respect, rechtvaardigheid, generositeit, moed, plezier en liefde.
- We willen leven in een wereld die wordt bestuurd op basis van te goeder trouw gevormde oordelen, ondersteund door bewijsmateriaal, die op transparante wijze tot stand zijn gekomen en waarover verantwoording wordt afgelegd.
- We willen leven in een wereld waarin in ieders behoefte wordt voorzien, zonder de leefomgeving schade te berokkenen of de bloei van toekomstige generaties te ondermijnen.
- We willen leven in een wereld waarin de vruchten van onze arbeid en de natuurlijke hulpbronnen die we gebruiken in brede kring eerlijk verdeeld zijn, waar gedeelde welvaart algemeen wordt nagestreefd en waar het doel van het economisch leven bestaat uit de verwezenlijking van welzijn voor ons allen.
- We willen leven in een wereld waarin alle mensen gelijke rechten hebben, zowel in theorie als in de praktijk.
- We willen leven in een wereld waarin alle mensen zich veilig en geborgen kunnen voelen.
- We willen leven in een wereld waarin alle mensen, onafhankelijk van hun geboorteplaats, in een buurt of wijk wonen waarop ze trots kunnen zijn en waarin ze vrijelijk kunnen deelnemen aan het gemeenschapsleven.
- We willen leven in een wereld waarin trots en standvastig steun wordt geboden aan mensen die hulp nodig hebben, waaronder aan mensen die gevlucht zijn voor gevaar en vervolging in het buitenland.
- We willen leven in een wereld waarin een welig tierende natuur zowel een toevluchtsoord biedt aan een rijk en overvloedig dierenleven als aan mensen die de drukte en het rumoer van het alledaagse bestaan willen ontvluchten.
- We willen leven in een wereld met een eerlijk, op evenredige vertegenwoordiging gebaseerd politiek systeem, waarin iedereen een stem heeft en elke stem telt, waarin besluiten niet te koop zijn, en de besluitvorming al evenmin op andere oneigenlijke wijzen beïnvloed kan worden.
- We willen leven in een wereld waarin beslissingen worden genomen op het meest gepaste niveau, om daarmee democratische participatie en betrokkenheid te bevorderen.
- We willen leven in een wereld waarin alle mensen toegang hebben tot alle informatie die nodig is om zinvolle democratische keuzes te maken, en waarin het politieke debat eerlijk, toegankelijk en inclusief is.
- We willen leven in een wereld waarin onderwijs een vreugdevol proces is, waar kinderen enthousiast aan kunnen deelnemen, ongeacht hun vermogens, en dat volwassenen het mogelijk maakt om hun leven lang te blijven leren.
- We willen leven in een wereld waarin goede huisvesting, snelle en effectieve gezondheidszorg en een gezond en toereikend dieet voor alle mensen beschikbaar is.
- We willen leven in een wereld die een bijdrage levert aan het opbouwen van een veilige, welvarende en veerkrachtige gemeenschap van naties.
- We willen leven in een wereld die openstaat voor nieuwe ideeën en informatie, en die waarde hecht aan creativiteit, onderzoek en ontdekking.’
Nu over naar de heel korte versie van het ‘verhaal’ dat hieruit voortvloeit.
Monbiot benadrukt het belang van een aansprekend verhaal, hetgeen hij ‘een verhaal van onze tijd’ noemt. Het juiste verhaal zal een aanstekelijke uitwerking hebben op mensen van alle politieke voorkeuren. De beginselverklaring, hoe belangrijk die ook mag zijn, is nog geen verhaal. Het terrein dat de opgesomde principes bestrijken is er te breed voor. We moeten daarbij ook bedenken wat we met ons verhaal proberen te bereiken.
Als we onze politiek willen omvormen, dan dient het zo veel mogelijk mensen aan te spreken, en de traditionele scheidslijnen tussen partijen te overschrijden. Het dient weerklank te vinden bij diepe behoeften en verlangens. Het dient ons uit te leggen waarom we in de huidige ellende verzeild zijn geraakt en hoe we weer uit de puinhopen kunnen komen. En omdat er niets te winnen is met onwaarheden moet het verhaal stevig gegrond zijn in de werkelijkheid.
Monbiot gebruikt ruim tien pagina’s om zijn verhaal te formuleren, gevolgd door een korte versie. Het onderstaande doet de lange versie natuurlijk niet helemaal recht. Maar in het bestek van dit artikel beperk ik me ertoe en raad ik eenieder aan het hele boek te lezen.
Hier is de korte versie van zijn aansprekende verhaal:
‘We zijn opmerkelijke wezens, gezegend met een verbazingwekkend vermogen tot vriendelijkheid en zorg voor anderen. Maar onze goedaardigheid is gefnuikt door een foutief beeld van onze eigen menselijkheid. Door bepaalde politici, economen en commentatoren zijn we ertoe gebracht om een kwaadaardige ideologie van extreme concurrentie en individualisme te aanvaarden die ons tegen elkaar ophitst, ons aanmoedigt om elkaar te vrezen en te wantrouwen, en de maatschappelijke banden ondermijnt die het leven voor ons de moeite waard maken.
Hoewel het niet de enige factor is, heeft dit boosaardige verhaal wel bijgedragen tot het aanbreken van een tijd van eenzaamheid, waarin we, op deze drukke planeet, sterker van elkaar geïsoleerd zijn dan ooit tevoren. Het gevolg hiervan is een epidemie van ongeluk en psychische en lichamelijke ziekten. De atomisering waaronder we lijden heeft ons besef van een gemeenschappelijk doel uitgehold, ons geloof dat we gezamenlijk ons leven kunnen verbeteren verzwakt, de democratie ondermijnd en toegelaten dat onverdraagzame en gewelddadige krachten de politieke leegte vullen. We zitten gevangen in een vicieuze cirkel van vervreemding en wrok.
Door samen te komen en onze gemeenschap nieuw leven in te blazen, kunnen wij, de helden van dit verhaal, de vicieuze cirkel doorbreken. Door de twee grote helende krachten – kameraadschap en saamhorigheid – aan te spreken kunnen we opnieuw de kern van onze menselijkheid ontdekken: altruïsme en onderlinge hulp.
Waar atomisering was zullen wij een florerend gemeenschapsleven ontwikkelen. Waar vervreemding was zullen wij een nieuw gevoel van saamhorigheid smeden – saamhorigheid met onze buren, onze buurt en de samenleving als geheel. Waar we nu klem zitten tussen markt en staat zullen we een nieuwe economie ontwikkelen die zowel de mensen als onze planeet met respect behandelt. Waar we genegeerd en uitgebuit worden, zullen we een democratie tot leven wekken en de politiek terugwinnen van degenen die met haar aan de haal zijn gegaan.
Daardoor kunnen we ons geluk herwinnen, ons vertrouwen in onze eigen kracht, onze trots en onze plaats in de wereld. We zullen weer deel uitmaken van de samenleving én meesters zijn over ons eigen lot.’
Hierna schrijft Monbiot: We moeten begrip opbouwen van de huidige situatie. In hoofdstuk 2 en 3 gaat hij in op de ontwikkeling van de verschillende crises; dan laat hij zien hoe zich dat vertaalt in vervreemding, wat weer tot nieuwe politieke crises leidt. De kerntaak is het opnieuw opbouwen van een gemeenschap en het ontwikkelen van een saamhorigheidspolitiek. Daarvan komen in vier hoofdstukken voorbeelden aan bod. Hij eindigt zijn boek met strategieën en tactieken waarmee dit verwezenlijkt zou kunnen worden (maar daar geef ik dus juist anderen de ruimte).
In feite sluit het deel met de gedachten van Latour mooi aan op de voorgaande afleveringen, maar eerst nog even iets over ontgroeien, ook bekend onder de naam degrowth.
Ontgroeien als alternatief wordt gepropageerd door een brede beweging van wetenschappers uit allerlei vakgebieden. Het draait in de eerste plaats om een kritiek op de groei. Economische groei als een sociaal doel moet worden afgeschaft en dat vergt om te beginnen het opbouwen van een heel nieuw begrippenapparaat. Degrowth wil ook een gewenste nieuwe richting aangeven, een waarin samenlevingen minder natuurlijke hulpbronnen gebruiken en zich anders zullen organiseren en leven dan vandaag. ‘Delen’, ‘eenvoud’, ‘convivialiteit’ (saamhorigheid), ‘zorg’ en ‘commons’ zijn primaire aanduidingen van hoe deze samenleving eruit zou kunnen zien.
Vaak wordt degrowth geassocieerd met het idee dat kleiner mooi kan zijn. Dat komt een beetje door de ecologische economen die streven naar een billijke inkrimping van de productie en de consumptie, opdat de doorstroom van energie en grondstoffen van de samenlevingen zal verminderen. Maar bij degrowth ligt de nadruk op anders, niet enkel op minder. Degrowth betekent een samenleving met een kleiner maatschappelijk metabolisme, maar nog belangrijker, een samenleving met een metabolisme dat een andere structuur heeft en nieuwe functies dient. Het bbp zal er vast door verminderen. Maar degrowth vraagt niet om minder te doen van hetzelfde. Het doel is niet een olifant slanker te maken, maar een olifant om te vormen in een slak. In een degrowth-samenleving zal alles anders zijn: andere activiteiten, andere vormen en gebruikswijzen van energie, andere relaties, andere rolpatronen, een andere verdeling van tijd tussen betaalde en niet-betaalde arbeid, andere relaties met de niet-menselijke wereld.
Degrowth biedt een kader dat de verschillende ideeën, concepten en voorstellen met elkaar verbindt. Er zijn binnen dit kader echter enkele zwaartepunten (zie de afbeelding bovenaan). Het eerste is dus de kritiek op groei. Vervolgens is er de kritiek op het kapitalisme, als een sociaal systeem dat groei vereist en bestendigt. Twee andere sterke stromingen in de degrowth-literatuur zijn de kritiek op het bbp en de kritiek op het proces van vermarkting, de omzetting van sociale producten en sociaalecologische diensten en relaties in een handelswaar met een geldwaarde (‘commodity’).
Maar degrowth beperkt zich niet tot kritiek. Aan de constructieve kant gaan de degrowth-denkbeelden over de reproductieve economie van de zorg, en het terugwinnen van oude – en de oprichting van nieuwe – vormen van commons. Samen zorg dragen krijgt gestalte in nieuwe vormen van wonen en produceren, zoals eco-gemeenschappen en coöperaties en kan worden ondersteund door andersoortige overheidstaken, zoals werkverdeling of een basis- en maximuminkomen, taken die tijd kunnen bevrijden van betaald werk en deze beschikbaar maken voor onbetaalde gemeenschappelijke en zorgactiviteiten.
In de hoofden van de meeste mensen wordt groei nog steeds geassocieerd met verbetering of welzijn. Daarom vinden sommige progressieve intellectuelen het gebruik van een ‘negatief woord’ als ontgroei om gewenste veranderingen te duiden ongepast. Maar, zeggen de auteurs van Ontgroei, ‘het gebruik van een negatie voor een positief project beoogt juist een denkbeeld (‘imaginaire’) te dekoloniseren dat gedomineerd wordt door een eenrichtingstoekomst die uitsluitend uit groei bestaat. Het woord ‘degrowth’ wil de automatische associatie van groei met beter ontmantelen. Voor voorstanders van degrowth moet het heersende paradigma worden aangepakt dat groei onbetwistbaar wenselijk is, om zo een discussie voor een andere toekomst te kunnen openen. Degrowth is een bewust subversieve slogan.’
Natuurlijk zullen sommige sectoren, zoals onderwijs, medische zorg of hernieuwbare energie, in de toekomst moeten bloeien terwijl andere, denk aan vervuilende industrieën of de financiële sector, moeten krimpen. Het totale resultaat zal degrowth zijn. De auteurs gebruiken liever woorden zoals ‘bloeien’ wanneer ze praten over gezondheid of onderwijs, in plaats van ‘groeien’ of ‘ontwikkelen’. De gewenste verandering is kwalitatief, net als in de bloei van de kunsten. Ze is niet kwantitatief, zoals in de groei van de industriële productie.
Tot zover deze aflevering over degrowth. In deze noot geef ik nog de (alfabetische) lijst van de onderwerpen waaraan in dit boek een hoofdstuk(je) is gewijd, maar die vind je natuurlijk ook terug in de pdf van het hele boek.
We gaan nu over naar het hoofdbestanddeel van dit artikel, de ideeën van Bruno Latour over een ecologische beweging.
Gaia was echt een briljant idee van James Lovelock, stelt Latour vast.* ‘Lovelock heeft dit verhaal vaak verteld: hij zit in de dorpskroeg en drinkt een biertje met zijn vriend William Golding, auteur van Lord of the Flies, en hij legt zijn buitengewone idee van de zelfregulatie van de planeet aan hem uit. Golding zegt dat het een fantastisch idee is, eentje dat het verdient om een treffende naam te krijgen. Wat dacht je van ‘Gaia’? Lovelock heeft niet helemaal door wat hier bedoeld wordt omdat hij geen klassieke scholing heeft gehad – hij kent geen Latijn en Grieks – maar na wat geaarzel gaat hij akkoord met de naam.’
‘Dit,’ vindt Latour, ‘is werkelijk een grote historische gebeurtenis, absoluut fascinerend. Een nobelprijswinnaar in de literatuur, die ook nog eens zelf natuurkundige is, suggereert een cruciale naam aan Lovelock, fysioloog en scheikundige. Hoe denk je dat een filosoof als ik zo’n gebeurtenis over het hoofd kan zien? Het is een buitengewone samenloop van omstandigheden die nog eens wordt aangezet doordat Lovelock dik bevriend raakt met Lyn Margulis, die echt gestudeerd heeft op virussen en bacteriën en op de geschiedenis van de Aarde over de lange termijn.* Margulis was diepgaand geïnteresseerd in bacteriën en Lovelock was dat in de macro-elementen van de atmosfeer. Hij was, om het eenvoudige te houden, een specialist in het heel precies verzamelen van hoeveelheden gas, en had zich ook bezig gehouden met de ozonlaag. Die twee mensen komen elkaar tegen en ontwikkelen begin jaren ’70 samen dit Gaia-concept.’
‘Gaia is een prachtige naam. Het is belangrijk dat ze een mythologische figuur is, dat ze wetenschappelijk is, en ook nog eens een politiek concept. Maar het heeft mijn leven wel veel ingewikkelder gemaakt,’ zegt Latour.
Dit concept zet namelijk ons hele wereldbeeld op losse schroeven. De kern ervan is dat organismen de aanvankelijk barre Aardse omstandigheden hebben omgevormd tot een leefbaar geheel. Die omvorming komt doordat levende wezens niet zomaar organismen zijn in een milieu, maar de eigenaardigheid bezitten dat ze het milieu omvormen in hun voordeel. Dat is niet uit vrijgevigheid of om aardig te zijn, maar vanwege hun onderlinge verbondenheid. Dat is wat hier zo belangrijk is, de verbondenheid tussen levende wezens onderling. Een levend wezen heeft een stofwisseling. Het neemt allerlei raar spul op, en het rare spul dat het weer uitspuugt zien anderen weer als een buitenkansje. Het kostte vier miljard jaar, maar het is deze kringloop die de omstandigheden schiep waar wij nu baat bij hebben. Dit is waar de fundamentele vraag van de nieuwe kosmologie zich opdringt, het vraagstuk van de levensvatbaarheid van de planeet. De kwestie is hoe de Aarde levensvatbaar is gemaakt, hoe zij levensvatbaar kon blijven, en hoe wij degenen kunnen aanpakken die haar onleefbaar maken.
We zitten binnenin Gaia. Het vraagstuk van de condities van de levensvatbaarheid is nu cruciaal geworden. We bevinden ons niet langer in de oude wereld waar het er om ging grondstoffen te benutten om te kunnen groeien. Die oude kosmologie heeft afgedaan. ‘Ik verklaar,’ zegt Latour, ‘dat Gaia de nieuwe naam is voor de nieuwe toestand. Juist omdat het mythologisch is en wetenschappelijk en politiek.’ Die drie zijn niet te scheiden.
Door Gaia verandert ons perspectief volkomen. In de oude wereld was de planeet Aarde onze basis; Mars was ons doel; de ruimte fascineerde ons. In de oude kosmologie, die van het universum, was het alsof we in het aangezicht van het oneindige stonden. En ineens zitten we nu in een minuscule zone, een dun vliesje, dat we delen met en dat opgebouwd is door levende wezens, al vier miljard jaar. Daar nemen we als geïndustrialiseerde wezens een enorme ruimte in, vooral na de grote versnelling. We transformeren nu het aardsysteem, onze levensvoorwaarden. De term Gaia maakt het ons gemakkelijker om te snappen hoe klein de ruimte is waarin we leven en die wetenschappers bestuderen. En wat een grote factor we daarin zijn. Het moet tot ons doordringen dat het milieu het product is van levende wezens en niet, zoals we eerst dachten, dat levende wezens een milieu innemen waaraan ze zich aanpassen. Natuurkundig gezien stelt het leven op Aarde in termen van energie weinig voor. Toch heeft het alles veranderd: mineralen, bergen, de atmosfeer. Het heeft de levensvoorwaarden die we aantreffen omgevormd. Het is nogal raar: het stelt niet veel voor en toch zijn de gevolgen ervan enorm. Dat maakt dit concept zo ingewikkeld. ‘Waar zijn we?’ is zo een fundamentele vraag geworden. Er zijn zoveel zaken omgevormd dat we er een naam voor nodig hebben.
‘Daarom dramatiseer ik de dingen, want het is de taak van filosofen om deze dingen een naam te geven. Het antwoord op ‘waar zijn we?’ luidt: ‘we zijn binnenin Gaia’, zegt Latour.
We moeten het moderne loslaten. We zagen het al bij Beckert, we zien het nu bij Latour.
Als het dan zo nodig is dat we het moderne loslaten, is het goed om nog even te bespreken wat het moderne bij Latour inhoudt:
Wees modern was de slogan, de oproep die het moderniseringsfront organiseerde. Wie niet op de trein van de modernisering stapte, telde niet meer mee, werd buitengesloten. De kracht ervan was enorm, maar verhulde ook de ingewikkeldheid, de bruutheid en de wreedheid ervan. Want in het echt betekende het: stap uit je verleden, scheid je af van de Aarde.
In aflevering 9-11 van het artikel ‘Kroniek 5: Weten, doen, hopen – actie en grondhoudingen’ in de rubriek Ontwrichting gaf ik al wat gedachten van Latour over het project van de modernisering weer. In het kort stelt hij dat de hieruit voortvloeiende mondialisering een pijl in de tijd was. Bij de gang van het Lokale naar het Globale ging het oude lokale verloren, het werd verleden tijd. Maar vrij plotseling ging dat aanlokkelijke ‘mondialisering-plus’ over in het ongewenste ‘mondialisering-min’ van het Antropoceen. En nu zitten we gevangen tussen twee onmogelijke polen en kunnen we nergens landen. ‘We moeten alles opnieuw in kaart brengen, en die taak is nog hoogst urgent ook,’ schrijft Latour in 2017. Gelukkig kwam Trump vanaf 2016 de zaak verhelderen door een oriëntatiepunt te scheppen dat precies het tegenovergestelde is van wat we in deze werkelijkheid nodig hebben.

Figuur 1: De ijskap en de gletsjers van Groenland (vanwege de ruimte op zijn kant weergegeven; het pijltje met de N geeft de noordkant aan).
Trump stond toen, en staat nu opnieuw, voor het Bodemloze. Trumps originaliteit was, en is, dat hij in een en hetzelfde gebaar twee dingen verenigt: de vlucht naar voren richting maximale winst, waarbij de rest van de wereld aan haar lot wordt overgelaten; èn de vlucht naar achteren van een heel volk, terug naar hervonden nationale en etnische categorieën. Dus vooruit naar de globalisering en terug naar het oude nationale terrein. In plaats van die twee vluchtwegen als tegengestelden te zien, zoals vroeger gebeurde, deden (en doen) Trumps voorvechters alsof ze kunnen worden samengevoegd. Die samenvoeging is uiteraard alleen mogelijk bij de gratie van de ontkenning dat er überhaupt een conflict bestaat tussen modernisering enerzijds en onze aardse conditie anderzijds. Vandaar de essentiële rol van het klimaatscepticisme, die anders onbegrijpelijk is. Zonder de ontkenning van de opwarming van de aarde zou het totale gebrek aan realisme van de combinatie te veel in het oog springen. De onverschilligheid voor feiten is hierbij essentieel. Want als we echt rekening willen houden met de overweldigende tegenstrijdigheid tussen een vlucht naar voren en een vlucht naar achteren, zouden we ons erop moeten voorbereiden om snel ergens te landen.
Recht tegenover Trumps model van het Bodemloze staat wat we misschien het beste het Aardse kunnen noemen, denkt Latour. Ook weer met een hoofdletter om duidelijk te maken dat dit een nieuwe politieke actor is. De aarde is niet slechts het toneel meer waarop het politiek handelen zich afspeelt (zoals tot voor kort het geval was). Het Aardse handelt nu zelf, is een actor geworden. Het Aardse keert zich tegen ons, overheerst ons, eist iets van ons, voert ons mee in zijn vaart.
Er is nu dringend behoefte aan een ecologische klasse die zowel het Bodemloze bestrijdt als vaststelt wat het Aardse van ons vraagt. Hier hield Latour zich in de laatste jaren van zijn leven mee bezig, voor hij op 9 oktober 2022 overleed. Hierin speelt Trump geen rol, maar nu is hij terug van weggeweest (en hoe). Vandaar dat het goed is het bovenstaande in gedachten te houden.
Om terug te komen bij het interview met Latour: De positieve klank van ‘moderniseren’ voorkwam dat je jezelf vragen ging stellen over wat je achterliet. Het maakte het alternatief onzichtbaar en doet dan nog steeds. Neem rijkdom, vrijheid, emancipatie; hoe zien die eruit zonder de moderniteit?
Wat moet of kan er in de plaats komen voor het moderne? De pijl van de tijd moet veranderen.
Het alternatief voor moderniseren is wat Latour ecologiseren noemt. Hij zegt: Niemand weet precies wat dat inhoudt, juist omdat het een enorme verschuiving is in de definitie van tijd, van het verloop ervan, van de scheiding tussen verleden en toekomst.
Ecologiseren zal iets hebben van componeren. Dat doe je vanuit volkomen vrijheid. We moeten ons bevrijden van de enorme druk van het moderniseren, omdat die ons verblindt als het aankomt op het nemen van besluiten en het maken van keuzen. We moeten kunnen kiezen, tussen goede en slechte technologie, goede en slechte wetgeving. Dat doe je met volkomen andere bekwaamheden dan die we bij moderniseren gebruiken. We moeten ons niet alleen bewust worden van de wereld waarin we leven, maar vooral ook van de wereld waarvan we leven.
Hoe kan het dat een complete beschaving, geconfronteerd met een heel duidelijke dreiging, niet reageert? Als we het eens zo formuleren, zegt Latour: ‘Hoe kun je verwachten dat mensen snel op zo’n fundamentele verandering in de kosmologie reageren?’ Daarvoor moet je terug naar de basis gaan. Dat houdt bij hem heel praktisch in: op een stukje papier opschrijven in wat voor omstandigheden je verkeert. Daarbij introduceer je de kwestie van het territorium. Niet het territorium van geografische coördinaten waar je je bevindt, maar het territorium waarvan je afhankelijk bent. Want afhankelijkheid is een fundamentele kwestie. In de nieuwe wereld definieert waarvan je afhankelijk bent, wie je bent. Dat verandert het oude plaatje volkomen.
Het gaat niet om een objectieve beschrijving zoals iemand van buitenaf zou doen, maar om het voor jezelf, voor jouw omstandigheden te omschrijven. Latour bekijkt het praktisch. Maak een lijst van je afhankelijkheden. Of beter andersom: Waarvan je afhankelijk bent, definieert een territorium. Pas als je dat doet, voel je het steentje in je schoen, anders niet. Dit is interessant vanuit een politiek oogpunt, omdat onze politieke opinies in het heden verbonden zijn met de vorige wereld.
Latour geeft het voorbeeld van een veehouder in Bretagne. Hij heeft de neiging om – ik parafraseer hier naar Nederland – het LTO-standpunt na te praten, of nog radicalere ideeën. En daar moeten we dan volgens Latour zeggen: ‘Ho ho. Maak je lijst van alle wezens waarvan jij afhankelijk bent.’ En dan realiseert onze boer zich dat hij afhankelijk is van een heleboel zaken die onder vuur liggen. Hij is afhankelijk van de landbouwpolitiek, die in Brussel op de schop begint te gaan. Hij is afhankelijk van leveranciers die hem zaken opdringen. Hij vraagt zich af of hij ook zonder hen kan. Maar hoe? Hij begint zijn lijst te herschrijven, en omdat hij ziet hoe anderen reageren, lukt het hem zijn toestand opnieuw te bezien: ‘Ik zou eigenlijk een ander soort territorium kunnen bewonen dan mijn huidige’. En aan het eind van het jaar heeft de veehouder zich gestort in iets wat op een revolutie lijkt, en ook al is hij nog lid van de LTO, hij heeft zijn boerderij helemaal omgevormd.
Hoe komt dat? Het komt omdat beschrijven je toestaat om je omstandigheden voor te stellen die met elkaar verbonden kunnen worden en om een lijst van grieven op te stellen. Dit is een minuscuul voorbeeld, maar dit model van het beschrijven van een situatie van onrecht, op een territorium waarvan je de samenstelling beschrijft, onthult de mogelijkheid om die grieven aan te kaarten bij de instituties, de staat, en voorstellen te doen voor beleidsverandering. En omdat we van territorium zijn veranderd, moet de overheid erkennen dat het landbouwbeleid dat ze gebruikten om ons land na de oorlog te moderniseren, niet langer geschikt is.
Er is echter geen ecologische overheid. En we weten niet welk ecologisch model welvaart en vrijheid brengt, of emancipatie, en toch binnen de perken van dat dunne laagje blijft, dat vliesje van bewoonbaarheid. Latour probeerde dat middel van het opschrijven tijdens diverse workshops uit en het resultaat gaf hem vertrouwen. Zo kunnen we beginnen, ieder van ons voor zichzelf.* Maar de zaak is wel heel complex geworden. De boer constateert bijvoorbeeld hoe afhankelijk hij is van soja uit Brazilië. Je kunt zeggen: dat is ver van mijn bed, laten we die zaken gescheiden houden. Maar als je accepteert dat je je toestand wilt begrijpen, moet je er iets mee. Dan wordt de politieke taak volkomen anders. De vragen die opkomen als je omschrijft van welke zaken je afhankelijk bent, leggen een enorme beperking op aan het politieke vraagstuk. Dat mag niet meer in alternatieve algemeenheden vervallen. Politiek gaat om het zo ver mogelijk volgen van onze afhankelijkheden en onze connecties.
Het Braziliaanse vraagstuk steekt dan de kop op in Bretagne (of in Nederland). Dat stelt de kwestie van geo-sociale klassen aan de orde. Dit besef, dat voortkomt uit het beschrijven, is overweldigend, maar het herschept ook de bekwaamheden om in actie te komen.
Latour geeft grif toe dat het idee van de opkomst van geo-sociale klassen, oftewel van een gewenste ecologische klasse, nogal denkbeeldig en speculatief is. Het is zonneklaar dat de ecologische kwestie de essentiële kwestie zal worden, maar nu zijn er nog zoveel ontkenners en mensen die nog niet weten hoe ze zich ertoe moeten verhouden. Die ecologische klasse is er nog bij lange na niet.
Zijn werk als filosoof, meent Latour, is echter om te anticiperen, om iets wat we aanvoelen te benoemen. Op het punt waar we nu zitten hebben we het gevoel dat ecologische vraagstukken hetzelfde zijn als de aloude politieke vraagstukken. Dat maakt het dus mogelijk en interessant om erover te strijden. Maar onze connecties en verbanden zijn niet meer hetzelfde. Daarom is er nood aan een nieuwe klasse – niet in de traditionele zin van klassenstrijd, maar zoals de socioloog Norbert Elias het bedoelde, als klassen op basis van cultuur. Bij Elias verweet de opkomende bourgeoisie de aristocratie haar beperkingen. Evenzo kan de (nu nog denkbeeldige) ecologische klasse de middenklasse verwijten: jullie hebben dezelfde politieke beperkingen als ooit die aristocratie had, jullie hebben een veel te beperkte horizon.
Elias legde uit dat de opkomende bourgeoisie ‘rationeler’ was dan de aristocratie omdat die een veel breder schootsveld voor zich zag om te opereren, met een veel wijdere blik. Dit kwam voort uit de ontdekking van de productie, uit de plotselinge ontwikkeling van de productiekrachten. Evenzo vindt Latour dat de ecologische klasse nu tegen de liberale bourgeoisie moet zeggen: ‘Wij zijn veel rationeler dan jullie. De hele 20ste eeuw hebben jullie je er niet om bekommerd hoe jullie productie gestoeld was op de onttakeling van de planetaire voorwaarden van bewoonbaarheid en daar zit nu geen rek meer in. Jullie zijn irrationeel. Productie en alles wat erbij hoort is vanzelfsprekend belangrijk, maar wij vinden dat de básis van die productie nu prioriteit heeft.’
De ecologische klasse moet met gepaste trots zeggen: ‘Wij zijn degenen die de nieuwe rationaliteit en het nieuwe civilisatieproces vertegenwoordigen, omdat wij het fundamentele probleem van de leefbaarheid van de planeet aankaarten.’ Dat is een herdefiniëring van de handelingshorizon, een projectie in de tijdshorizon. En het is precies waar het aan schort in de actuele politiek. Het is voor een klasse heel belangrijk om een horizon te hebben, omdat een klasse om te beginnen een project is. En vandaag is er geen klasse die zegt: ‘Wij nemen nu de boel over, want wij hebben zicht op de toekomst’.
Die horizon moet je niet zien in termen van vooruitgang. Het ligt ingewikkeld: het gaat niet om vooruitgang, maar wel om welvaren (van een bepaalde soort). Vooruitgang is niet hetzelfde als welvaren. Het gaat erom een nieuwe vorm van bevrijding te vinden door in te zien: ‘Ik merk dat ik afhankelijk ben van al die levensvormen, of het nu de bijen zijn, de zwaluwen, het klimaat… en die afhankelijkheid voelt goed.’ Wat een extra probleem voor de politieke filosofie opwerpt: het verband met de notie van autonomie. Wat het betekent om autonoom te zijn is nu heel slecht geconstrueerd. We moeten op de een of andere manier ‘heteronoom’ worden, aan externe regels onderworpen. En dat kan niet snel gaan, omdat we dit opnieuw moeten uitvinden. En dat komt doordat het zo ingewikkeld is om van kosmologie te veranderen. We moeten een politieke kracht of macht vinden om deze vragen uit te werken; die kan verklaren: ‘Jullie klagen er altijd over dat er geen fantasie meer bestaat, geen utopie, geen gevoel voor geschiedenis, maar wíj hebben een alternatief verhaal.’
Vergelijk dit met wat het socialisme deed. ‘Vijftig jaar lang schiep dat alternatieve verhalen over de geschiedenis, de evolutie’, zegt Latour. Men realiseert zich nauwelijks wat voor een enorm intellectueel en cultureel werk de economische wetenschappers verricht hebben (eerst voor de liberalen, daarna voor de socialisten). Ecologische wetenschappers moeten nu ook zulk werk verrichten; ze moeten herschrijven wat de geschiedenis behelst, wat wetenschap is, en vooral hoe het zit met de tijdshorizon.
Degenen die de levensvatbaarheid van de Aarde centraal stellen zijn klassegenoten, strijdmakkers. Op dit punt vervallen we in de aloude politiek waar iedereen ergens om vecht. Dat is normaal. Maar dan weten we tenminste waar het gevecht om gaat. Het rampzalige van de huidige politiek is dat dat juist niet duidelijk is. Oude partijprogramma’s zijn achterhaald. Mensen haken af. Regeringsmacht is voor groen niet de weg. We moeten de zaak van onderaf opbouwen. ‘Mij gaat het erom’, zegt Latour, ‘hoe een beschaafde maatschappij zichzelf opnieuw kan samenstellen door een nieuwe definitie van haar eigen specifieke territorium te geven, dat wil zeggen van haar verbanden en daarmee dus van haar belangen, en van haar connecties, haar klasse-associaties. Zo moet je beginnen. Verkiezingen en zo, dat komt veel later.’
‘Tja, wie ben ik om dit voorstel voor een andere klasse te doen?’, vraagt Latour. ‘Ik ben zomaar iemand.’ Maar het concept geeft ecologisten steun in de rug, geeft ze trots. Daarom nu een uitwerking van zijn ideeën over een ecologische klasse.
Het coronavirus bracht ons een nieuw begrip van de vele microben waarmee we samenleven en liet zien hoe snel naties konden reageren op een opkomende dreiging. Evenzo maakt de inval van de Russen in Oekraïne ons duidelijk dat de Europese welvaart nieuwe materiële voorwaarden heeft gekregen. We zagen opnieuw hoe snel staten en volken van aanpakken weten.
Intussen beginnen we te zien dat er nog een oorlog woedt, namelijk die tussen de industrielanden onderling en samen tegen de rest van de wereld. Dat gebeurt door middel van een eindeloze rij van besluiten inzake energie, financiën, vervuiling en commercie om andere territoria binnen te trekken, te bezetten, te vernielen en om alle levensvormen die deze gebieden bewoonbaar maken te vernietigen.
In de oorlog van de eerste alinea weten de staat en de publieke opinie de mensen veel beter te mobiliseren dan in de tweede. Wel geld voor defensie, niet voor behoud. Jens Beckert legde ons in het eerste artikel uit waarom dit zo is. Een vergelijkbare felle manier om je te verweren past de ecologie misschien ook niet goed. Haar taak is immers juist herstel en instandhouding. Maar toch. Wat moeten ecologische strijders dan?
Het gaat bij ecologische vraagstukken altijd om het ene territorium dat het andere domineert. Met andere woorden, het wordt nu duidelijk dat de ecologische inzet de geopolitieke vraagstukken van nu meer diepte geeft, ze ingewikkelder maakt, ze verspreidt en intensiveert. Ja, het gaat daarbij om soevereiniteit, autonomie, internationale verhoudingen, commercie en militaire strategie, net zo goed als het gaat om zorg voor het land en het leefbaar houden van de planeet. En het ontbreekt ons ten enenmale aan een breed gedragen vorm van integratie om al die tegenstrijdige doelen in één coherente definitie van politiek te vervatten.
Helaas spreekt niets vanzelf en moet elk onderdeel van de uitrusting die nodig is om al deze verschillende typen van territoriaal conflict te benaderen, opnieuw worden uitgezocht: wat is een staat, welke betekenis heeft vrijheid, wat is een onderdaan en wat een burger, en het belangrijkste, welke klassen zijn bekwaam om alle frontlinies tegelijk vorm te geven?
Het nieuwe oorlogsgebied heet politieke ecologie.
Dit is wat Bruno Latour en Nikolaj Schultz grof gesteld in hun nawoord schrijven, maar wat ook als inleiding kan dienen. Ze stellen vast: we zitten diep in de puree. Het gaat hier niet om een beetje bijsturen. De grote versnelling brengt ons destructie. De levensvatbaarheid van de aarde is in gevaar en daarmee staat de toekomst van de mensheid op het spel. Om minder gaat het niet.
De gevestigde politiek gaat onze problemen niet oplossen. De nu heersende klasse moet weggeblazen worden omdat ze machteloos toekijkt en haar eigen beperkingen niet kan zien. Zij heeft het recht verspeeld op de claim dat ze rationeel handelt en zij verliest het respect dat eerst vanzelfsprekend was.
Er is in plaats daarvan een ecologische beweging nodig die voldoende coherentie en zelfstandigheid weet te verwerven om dat wel te kunnen. Maar de huidige ecologische beweging heeft zich nog bij lange na niet zo ver ontwikkeld dat ze de problemen kan oplossen. De ecologische beweging zou een diagnose van onze verlamming moeten geven en een nieuw verband moeten leggen tussen de angsten, collectieve actie, idealen en een gevoel voor geschiedenis. Maar het komt er niet van.
Intussen zijn we stuurloos. Het blijft bij woorden als ‘radicaal’, ‘doorslaggevend’ en ‘ontwrichting’, maar de vertaling in doen blijft uit. Onze zekerheid over de komende rampspoed verlamt ons. Dan herstellen we zelfs liever het oude.
Om werkelijk iets te bereiken moet de ecologische beweging uitgroeien tot een ecologische klasse. Het vergt immers macht om het verschil te maken, maar dat brengt weer zijn eigen dilemma’s mee. De opkomst van een ecologische klasse is momenteel nog in een dichte mist gehuld. De vergelijking met de geschiedenis van de sociale en culturele klassen uit het verleden, en de veldslagen van het beschavingsproces waarin de bourgeoisie het moderne tot uitdrukking bracht, gaat mank. Latour en Schultz gaan dat in dit memo onderzoeken. En dat is best zware kost.
Zo is om te beginnen het front tussen vriend en vijand in deze strijd helemaal niet zo duidelijk. Wij zijn zelf, in ons binnenste, verdeeld, want we zijn dader en slachtoffer tegelijk.
Dat we dader en slachtoffer tegelijk zijn, maakt het strijdtoneel anders dan vroeger bij de klassenstrijd. Daar waren de partijen duidelijk, hier niet. Toch moet de zaak onder één noemer gebracht worden, wil je een machtige beweging krijgen – met een nieuw verhaal gekoppeld aan nieuwe perspectieven voor actie.
Latour en Schultz trekken dus toch een parallel met de oude klassenstrijd. Daarin zijn ze ruim van definitie: om (in mijn woorden) een nieuw paradigma aan de macht te laten komen, moet er eerder een klassenstrijd gewoed hebben, anders komt het er niet van.*
Alleen als de ecologische beweging voldoende macht weet te verwerven kan zij zelf het strijdtoneel bepalen en de beste strijdwijze kiezen. Dan weet ze wie haar medestanders (kunnen) zijn en wie de tegenstanders (zullen) zijn. En alleen met een eigen identiteit laat je je niet in oude tegenstellingen dringen. Willen we überhaupt iets bereiken, dan moeten de oude scheidslijnen opgeruimd worden. Zo is de ecologische beweging links noch rechts. Zij stelt het primaat van de economie aan de kaak, maar vanuit een heel andere optiek dan de oude scheidslijnen (waarover hieronder meer). De gerichtheid op productie heeft zichzelf overleefd, dat is volgens Latour en Schultz ondubbelzinnig duidelijk.
Ondanks alle conflicten lieten volken zich twee eeuwen lang juist mobiliseren om te werken aan een hogere productie. De groei stond ook bij links niet ter discussie. En ook al wil een deel van links tegenwoordig groen zijn, vanouds is productie het ideaal van de arbeidersbeweging, en dat kan links niet goed loslaten. Aloude ideeën, zoals van Marx, moeten echt op de schop, hoe vanzelfsprekend ze ook leken. Marx vertrok immers vanuit de materiële omstandigheden en zag de sociale omstandigheden als hun gevolg en daar rolde het onderscheid uit op basis waarvan de partijen tegenover elkaar kwamen te staan.
Nu zitten we niet alleen met een conflict over de classificatie in links en rechts; er is ook een conflict over wat de materialistische analyse van de levensomstandigheden eigenlijk inhoudt. De configuratie is veranderd. In de transformatie van de materiële infrastructuur van samenlevingen werken de oude begrippen niet meer. Er is nu een economie nodig die het mobiliseren van grondstoffen juist omkeert. Maar wat is dat voor een economie? Een heel andere. Dat is het hele punt van de ecologische beweging. En daar wijkt ze af van de aloude klassentegenstelling.*
Maar die oude gerichtheid schudden we niet zomaar van ons af. Mentaal, moreel, organisatorisch, administratief en juridisch is alles verbonden met ‘ontwikkeling’ en van dit álles moet de richting omgebogen worden, terwijl we nog niet hebben uitgekiend wat er voor in de plaats kan komen. Daarom zitten we vast in angst, schuldgevoel en impotentie.
De ecologische klasse kan met het oude links breken door het verschil uit te vergroten. En dat is gebeurd, want er worden in de wereld nu meer milieu-activisten vermoord dan vakbondsmensen.
Tot op heden nodigde de heersende klasse andere klassen uit haar te volgen, waarvoor dan wat kruimels werden uitgedeeld. Nu productie is omgeslagen in destructie moeten we niet ‘vooruit’ in de tijd, maar ‘achteruit’.
Onze planeet zelf toont ons een compleet nieuwe kijk, als we die maar willen zien. Haar productie is onvergelijkbaar met die van de mensheid. Het leven zelf heeft deze planeet verwekt.* Haar praktijken kennen een organisatie die gericht is op het in stand houden van die levensomstandigheden. Productie is daarbij een aspect, maar zeker niet het belangrijkste. Die productie is helemaal ingebed in en omgeven door die heel andere organisatie van ‘verwekking’.
Ons menselijk produceren is totaal anders, niet gericht op het voortbestaan van het leven. Ons woord ‘ontwikkeling’ slaat in ecologische zin eigenlijk nergens op. Het zou in plaats daarvan moeten gaan om de ontwikkeling van alle praktijken waarop die verwekking berust. We moeten groei uit ons hoofd zetten en welvaren voorop stellen. Het is geen ontgroeien, maar bloeien waar we naartoe moeten. Maar we komen hier steeds maar niet op uit.
De ecologische beweging definieert zichzelf dus niet als zomaar een variant op de gebruikelijke productiewijze. Zij wil de leefbaarheidskwestie niet afhankelijk maken van de productieverhoudingen. Zij zet de principes van ‘hou het klein’ weer voorop. De ecologische beweging wil overstappen van een definitie van een wereld waarván we leven, naar een definitie van een wereld waarín we leven. Er is dan nog steeds sprake van een ‘klassenstrijd’ maar die wordt nu een samenspel van in elkaar grijpende geo-sociale conflicten, waarin ruimte gemaakt moet worden voor álle ‘aardlingen’, de mens inbegrepen.
De ecologische beweging heeft ook een ander tijdsbegrip: zij kijkt verder en telt meer waarden mee en die moeten op allerlei fronten verdedigd worden. De vraag is: hoe gaan we verder met het beschavingsproces? Dit tijdsbegrip verruimt de horizon van actie en het maakt de ecologische beweging legitiemer bij het verdedigen van de eigen kijk op de geschiedenis.
De ecologische beweging kan moed putten uit de machteloosheid van de heersende klasse, die alle respect verloren heeft. Zij kan trots zijn en kan volwassen worden door alle kwesties op eigen merites te benaderen. Nationale politiek wordt ingewisseld voor buitenlandse zaken: buiten wordt binnen. Het is de taak van de ecologische beweging om de horizon van actie tot buiten de productie te brengen en buiten het kader van de natiestaat.
Intussen zet het verlies van legitimiteit van de heersende klasse tot allerlei rechtse bewegingen aan die zich organiseren rond identiteit binnen de min of meer nauwe kaders van het oude model van ‘onze grond en onze voorvaderen’. Zij claimen daarbij een rol die de mensheid qua leefbaarheid nog verder van huis brengt, nog verder dan bij de ontkenning van de leefbaarheidscondities door de heersende klassen. Het is de vector van het Bodemloze van Trump die in de VS (voor Latour geheel onvoorzien toch) opnieuw politieke realiteit is geworden.
Zo moet de ecologische beweging zich volgens Latour en Schultz op twee fronten teweer stellen – tegenover het globale en tegenover het bodemloze – en kan zij met een eigen definitie komen van begrippen als eigen bodem, land, natie, volk, erbij horen, traditie, grenzen en begrenzingen, en kan zij zelf bepalen wat progressief is en wat niet. Zij hoeft de beschuldiging dat zij reactionair is niet te accepteren, om de simpele reden dat ze het gebied en de bodem volledig opnieuw bevolkt heeft met een heleboel levende wezens. Zij geeft juist een nieuwe betekenis aan de as waarlangs bepaald wordt wat ons vooruit helpt en wat ons achteruit doet gaan. Alles wat de wereld waarín we leven stelt boven de wereld waarván we leven (in hetzelfde juridische, affectieve, morele, institutionele en materiële geheel) zal als progressief worden beschouwd, of beter nog als emancipatoir, terwijl alles wat die ‘bovenstelling’ verzwakt, negeert of ontkent juist als reactionair zal worden beschouwd.
Voor wie er zo over denkt, oogt de hele club van moderniserende klassen ineens als volslagen uit de tijd.
Het vooruitzicht van welvaart, bevrijding en vrijheid bracht mensen vroeger in beweging – iedereen liep achter die vlag aan. Maar wat ze op dit vlak dreigen te verliezen brengt dit keer de meeste mensen helemaal niet in beweging. Hoe komt dat?
Dat verlies wordt ons voorgeschoteld zonder dat de emoties een nieuwe richting krijgen en je krijgt mensen moeilijk mee door ter discussie te stellen wat er onder vooruitgang wordt verstaan.* De ommezwaai van ontwikkeling naar omwikkeling blijft een erg vaag idee. Het vraagt om omdenken.
Er moet, om te beginnen, een nieuwe definitie van vrijheid komen, want zowel de negatieve als de positieve concepten ervan berusten op een afbakening van individuen en van gemeenschappen van ménsen, en die is niet langer zinvol als de wereld waarván we leven moet worden opgenomen in de wereld waarín we leven. Vrijheid moet afhangen van wat ons bestaan schraagt en daar heb je de ecologische grenzen weer. Aan de ene kant is er de menselijke passie* om aan barrières te morrelen waarbij we toch moeten proberen om binnen de grenzen van het systeem Aarde te blijven. Anderzijds ontdekken we door middel van Earth Science hoe weinig we eigenlijk weten van die grenzen en hoe we ze zomaar kunnen overschrijden.
En iets soortgelijks als de omdraaiing van het begrip vrijheid, geldt ook voor de schijnbaar tegenstrijdige noties van ‘horen bij’, identiteit, aanhankelijkheid, lokaliteit, solidariteit, gemeenschapsleven en de meente – noties die vanwege de klassengeschiedenis verbonden zijn met de bodem, het volk en de natie. De oude ideeën daarover zijn met de globalisering al overboord gekieperd, dus niets let ons, vinden Latour en Schultz, om er een positieve nieuwe betekenis aan te geven. Zo kan vrijheid en de ‘zucht naar autonomie’ verbonden worden met deze nieuwe leerschool van afhankelijkheid. Deze tegenstelling is juist bevrijdend.
‘Emancipatie’ was ooit de bevrijding van het nauwe keurslijf van de oude denkbeelden van vrijheid – of die nu uit de koker van het liberalisme of het socialisme kwamen, want bij beide had ze nog louter betrekking op de productie ten dienste van menselijke wezens. Dat verband met de productie (en een min of meer eerlijke verdeling van de opbrengst daarvan) moet bij de omdraaiing losgelaten worden. Land, arbeid en geld zijn er niet om te verwerven, want mensen zijn niet de eigenaar van de wereld – de wereld bezit de mensen. Het is de levende wereld die zichzelf verwekt heeft en zo is het systeem Aarde eigenaar van zichzelf.
Dat houdt in dat natuur geen slachtoffer is dat beschermd moet worden, want zij bezit ons. Actievoerders treden op in naam van deze ware eigenaren. Verwekkingspraktijken gaan ons in staat stellen om de bewoonbaarheid van de levensomstandigheden te behouden, te versterken en de herstellen. Daarbij wordt de omheining van de meente zoals die in de middeleeuwen plaatsvond, omgedraaid. Nu zijn het de mensen zelf die geheel en al omhuld en omheind worden, om niet te zeggen opgesloten. De truc is hier de omdraaiing van wat positief is. Juist hierbij kunnen we zeggen: ‘Ik ben afhankelijk, dat bevrijdt me; ik kan nu eindelijk handelen.’
Latour en Schultz schakelen gemakkelijk heen en weer tussen de meer afstandelijke en neutralere term beweging naar het meer betrokken ‘wij’, want zij hebben overduidelijk al partij gekozen.
We missen een ‘esthetiek’ die in staat is om de politieke passies aan te jagen. De zaak is daarvoor kennelijk nog niet erg genoeg uit de hand gelopen. Maar, zeggen Latour en Schultz, hoe komen we dan tot een nieuwe matrix die is aangevuld met de concepten van solidariteit en emancipatie? We zien nu waarom, voor het moment, de langverwachte mobilisatie zowel onontkoombaar is, als eindeloos op de lange baan wordt geschoven. Niet alle seinen wijzen al in deze richting en dat houdt ons tegen om een klasse te worden die, net als het liberalisme of de sociaaldemocratie ooit, ertegen opgewassen is om het hele stelsel naar zijn hand te zetten. En we hebben nog maar zo weinig tijd.
De wereld is ons vreemd geworden, alsof we niet langer thuis zijn. We weten ons geen raad meer met de ‘natuur’, oftewel de band met de wereld waarin we leven en voor wie we eigenlijk zouden moeten optreden. Bij de opkomst van de moderniteit was het andersom: de mensen zaten in een bekende, stabiele en voorspelbare materiële wereld waarin het goed samenwerken was. Nu is het, met onze verlamming, ons nietsdoen, alsof we aarzelen over de zin van de geschiedenis. Die zou ons moeten meetronen, maar dat gebeurt niet meer.
Een geschiedenis, stellen Latour en Schultz, moet gesmeed worden, verspreid, op poten gezet en beleefd, wil zij zinvol worden. Zo was het bij de uitvinding van de ‘moderniteit’, meer dan een eeuw geleden. In de loop van die eeuw is deze geschiedenisversie in alles doorgedrongen, en daarom komen we er nu zo moeilijk van af. De ecologische beweging moet niet denken dat de ‘tijd aan haar kant’ staat. Ook als we voor de ineenstorting staan, is er niets gegarandeerd. Gevaar zal ons zeker niet redden.
De oude heersende klasse zag de telos, het menselijke doel van de geschiedenis, als een vanzelfsprekendheid. Ze was echter ongevoelig voor de ruimte waarin die geschiedenis zich zou moeten ontvouwen. En nu blijkt de wereld waar zij zich blindelings op richtte, niet te bestaan.
De ecologische beweging moet dus twijfel zaaien over de zin van deze geschiedenis; dat is een gang die we moeten doormaken. We moeten de wereld waarván we leven verstrengelen met de wereld waarín we leven. En dat dwingt ons te bedenken dat de geschiedenis niet gelijk staat aan vooruitgang. Eerder vormt ze een verscheidenheid aan manieren om verwekkende praktijken te ‘bewonen’ en te ‘verzorgen’, zonder acht te slaan op verleden, heden of toekomst. Er staat dus geen stip aan de horizon.
Daarom is het goed dat de milieustrijd op zoveel fronten geleverd wordt. De ecologische beweging moet een eigen ontwrichting voortbrengen door een heel andere strijd te voeren dan de vorige (klassen)strijd ooit was. Wij verkeren in dezelfde positie als de oude ‘primitieven’ die verrast werden door de modernisering die hun wereld vernietigde, maar daaraan niet wilden toegeven.
Wij staan tegenover de komende crisis zoals we erbij stonden toen corona ons overkwam, tamelijk verloren in een wereld die ons vreemd is. Alles verschuift, verandert, muteert. Het oude werkt niet meer. Oog in oog met virussen, klimaat, humus, wouden, insecten, microben, oceanen en rivieren weten we ons geen raad. We zijn klunzen geworden. Het is deze kosmologische verschuiving die een diagnose vergt die zo snel mogelijk door een reeks therapieën gevolgd moet worden. Om hierbij ook de pathologieën te benoemen is geen daad van wreedheid, maar van elementair realisme.
Het mankeert de ecologische beweging echter aan zelfvertrouwen, aan een helder geloof in eigen kunnen en in haar toekomst. Er zijn nog niet genoeg horden die zich erachter scharen. Ze beperkt zich nog tot een buitengewone verstrooiing van krachten en ervaringen.
Hier loert echter het gevaar dat ongeduld uit angst voor ineenstorting tot verkeerde keuzen gaat leiden.
De heersende klassen hebben hun ideologie via alle media voortdurend op allerlei manieren over iedereen uitgestort. Overal zijn er managementscholen en afdelingen economie. Maar waar zijn de denkcentra van de ecologische klasse, waar decennialang, stap voor stap de ideologische strijd is geleverd over alle kwesties die hierboven aan de orde zijn gesteld? Die zijn er niet. Zo win je de hegemonie in de ideeënstrijd niet. En zonder die overwinning gaat het niet. Er moet ideologische arbeid verricht worden, een immense klus.
Er is een andere kosmologie nodig en vanuit die behoefte zou de ecologische beweging de menswetenschappen aan het werk moeten zetten om uit te vinden hoe deze nieuwe Aarde uitdrukking kan vinden en beleefd kan worden. Op dit vlak schieten de kunsten (in de breedste zin) ernstig tekort, zeker in vergelijking met hoe dit vroeger ging bij klassen die bezig waren de macht te veroveren. De ecologische beweging kan daar nog wat van leren. Maar dat moet deze keer dan wel op een heel andere manier.
De nieuwe wetenschappen van de Aarde, gemodelleerd naar de levende dingen, maken zelf deel uit van het onderzoek en van de immer controversiële en verrassende condities van het gedrag van de planeet. De harde wetenschap wordt zelf net zo instabiel en onrustig als het systeem waarvan het de turbulentie is begonnen bij te houden. Wetenschappers worden hier de omroepers van, en voegen hun stem bij alle stemmen rondom de controverses. Daarbij moet ook worden omgegaan met de tegenwerking door de massale fabricage van zogenaamde ‘feiten’ en moet er op alle punten gefactcheckt worden.
Overgeërfde, gedateerde noties uit het voorgaande tijdperk zitten hier de ecologische wetenschap in de weg, met name bij de noties ‘natuur’ en ‘natuurbescherming’, alsof de natuur iets buiten ons is, een hulpbron. De ecologische beweging moet zich van deze notie bevrijden. Dit te preciseren vergt een enorme berg voorbereidingswerk en daarvoor ontbreekt vooralsnog de onderzoeksinfrastructuur.
En dat onderzoek komt niet van de universiteiten, zeggen Latour en Schultz. Dat zijn ivoren torens geworden die geen soelaas bieden. De delicate kunst van wetenschapsbeleid wordt onder ecologisten gewoonlijk niet bediscussieerd, maar haar belang is beslissend. De nieuwe wetenschap van de Aarde gaat immers over de vraag hoe verschillende vormen van macht onderling afhankelijk gemaakt kunnen worden. En dat gaat niet met de geërfde scheidslijnen van het schaakbord van de moderne staten; het moet eerder lijken op de vrolijke jas van een harlekijn. De ecologie richt haar inzet nu allereerst op de beperkingen van de oude notie van ‘grens’, welk onderwerp of welke schaal het ook betreft, of het nu om staten, groepen mensen, of levende organismen gaat.
Miljarden mensen betrokken krijgen bij de kwestie van hoe de aarde bewoonbaar blijft, vergt volgens Latour en Schultz grondige voorbereiding, gereedschappen en praktijken. Daarbij is het risico levensgroot dat mensen overweldigd zullen worden door een stortvloed van warme en vage gevoelens zonder dat het politiek ook maar iets uit haalt.
Maar het kan ook snel gaan. Tien jaar geleden nog was wat onder biologie werd verstaan louter harde, exacte wetenschap. Nu is ‘biologie’ verbonden met waarden, symbolen, het spirituele.* We willen die dingen opnieuw leren van andere levende wezens. Zo zijn darmbacteriën veranderd van viezerds in vrienden. Dat is zeer veelbelovend. Het vergroot de kans om van eenvoudige discussies, zoals over vlees of vegetarisch eten, over te stappen op echte klassenconflicten.
Dit optimisme van ‘dat het snel kan gaan’ nemen Latour en Schultz in hun nawoord deels weer terug, als ze bijvoorbeeld teleurgesteld constateren dat groen in Frankrijk (bij de verkiezingen van toen) niet eens de kiesdrempel van vijf procent heeft weten te halen.
De geschiedenis van sociale bewegingen heeft steeds weer getoond dat het heel lang duurt vooraleer het gewenste gedrag (de welgemanierdheid van Elias*), en de waarden en de culturen op één lijn komen met de logica van de belangen – ook al is het maar een beetje. Ze heeft getoond dat het daarna tijd kost om het onderscheid te kunnen maken tussen vriend en vijand. En vervolgens om dat fameuze klassenbewustzijn te ontwikkelen. En ten slotte om een politiek platform uit te vinden dat klassen in de gelegenheid stelt om hun conflicten in een geïnstitutionaliseerde vorm uit te vechten.
De ideeënstrijd gaat dus ver vooraf aan het electorale proces. Wat zou het voor zin hebben om in een regering te gaan zitten zonder de steun van een klasse die er op voorbereid en gemotiveerd is om de offers op te brengen die de nieuwe macht van haar zal verlangen in haar strijd met het productieregime?
Er is zowel sprake van een klassiek klassenconflict, als van een conflict daarachter tussen de traditionele klassen en de herverdeling van classificaties waarmee de politieke ecologie komt aanzetten in haar zoektocht naar bondgenoten. Mensen die vanuit klassenoogpunt volkomen tegengestelde belangen hebben, vinden elkaar zodra het om ecologische kwesties gaat. Terwijl mensen die ‘bij elkaar’ horen omgekeerd in bittere vijanden kunnen veranderen. Maar dit omswitchen kan alleen plaatsvinden als het politieke werk mensen in de gelegenheid stelt om elkaar uit te dagen en hen meeneemt bij het vinden van nieuwe werkwijzen, locaties, plekken en gelegenheden om te werken aan het herschrijven van de conventionele kijk op de sociale wereld tot een versie die veel duidelijker en realistischer is. Hiervoor moeten procedures gevonden worden om het landschap van bondgenoten en tegenstanders om te turnen; dan kan het snel gaan. Het vinden van zulke procedures zal uiteindelijk het succes of de mislukking bepalen van de ecologische klasse en haar essentiële rol.
De ecologische beweging moet het zover brengen dat ze zichzelf presenteert als de klasse waar het om draait. De grote vraag is nu hoe de belangen van de andere klassen te laten resoneren met die van de ecologische. De ecologische klasse weet het antwoord daarop tot op heden niet. En toch is die steun onontbeerlijk omdat de verandering van regime gepaard zal gaan met offers waarbij die van de coronacrisis klein bier waren. Daar is legitimiteit voor nodig.
Het rare is dat de ecologische beweging, om alle fronten van de oude orde ongedaan te maken, zelf een machtsmonopolie nodig heeft, al is het er een van een nieuwe soort. Er zit volgens Latour en Schultz niets anders op dan alle macht over het staatsapparaat te verwerven.
Bij de ontwikkeling van de moderniteit had je een voorhoede en achterblijvers. Maar mikken op omwikkeling kent een heel ander patroon dan werken aan ontwikkeling. Ineens staan de achterblijvers, degenen dus die de economisering weerstonden, aan het front. De ecologische klasse reconstrueert eenvoudig de voorouderlijke cultuur van deze weerstand. Daarom staat de café-latte-nippende student er verder van af dan die oude achterblijvers; zij bevinden zich ten slotte nog bij de oude marges.
De ecologisten trekken die andere klassen niet aan; die sluiten zich er zelf bij aan.
Het is volgens Latour en Schultz historisch gezien nooit eerder voorgekomen dat twee totaal tegenovergestelde fronten tegelijk omgekeerd moeten worden. Enerzijds moet de macht ontfutseld worden aan de klassen die de regering bezet hebben, maar daar faalden. Anderzijds moet de organisatie van de regering zelf totaal op zijn kop worden gezet.
In het verleden bleef men altijd rekenen op de vruchten van de productie. Maar hoe stellen we ons de organisatie voor van een regering die anti-productie is?
In het verleden was er altijd een horizon met een stip, het doel, maar nu zijn er twee horizonnen; naast die van de wereld waarvan we leven is er die van de wereld waarin we leven, en die twee zijn strijdig met elkaar.
We zouden, zeggen Latour en Schultz, de strijd op twee fronten misschien zo kunnen verbeelden: Stel je een cirkel voor met een punt in het midden en rondom een dunne lijn als buitenkant. De aandacht is steeds gericht geweest op het middelpunt, de ongelimiteerde productie. De buitenkant wordt daarbij steeds vager, zozeer dat deze dreigt te verdwijnen.
Dat doet de marginalen de kern de rug toe keren en zij worden nu snel gevolgd door meer en meer mensen. Wat eens een grondstof was die erom vroeg ontgonnen te worden, wordt nu een voorwerp van de grootste zorg, totdat het zover komt dat dat het centrum van ieders aandacht wordt. De oude buitenkant wordt dikker en dikker, verstrengelt zich, stapelt zich op, wordt opnieuw bevolkt, tot het punt waarop zij het oude middelpunt begint te bedreigen, te wurgen, zoals dat eerst andersom gebeurde.*
Zo heb je twee horizonnen, twee begrippen van geschiedenis, die elk de ander bedreigen. Ga je voort op de weg van de oude kern, dan gaat de marge daar tegenin. Doe je er alles aan om de marge uit te breiden en ingewikkelder te maken, dan gaat de kern daar tegenin.
Al diegenen die moeite hadden met het systeem en eruit zijn gestapt, werden daarmee in de ogen van de goegemeente marginaal – in hun eigen ogen was dat trouwens ook zo.* Maar nu gebeurt er iets vreemds. De marge wordt de kern, die centraal staat voor ieders overleven. De marginalen worden een vector van een strijd die ze moeten uitvechten, maar nu menens en met heel veel medestanders. Er is hier sprake van een oriëntatieprobleem dat verbonden is met een ommezwaai in gevoelens. En wel: hoe krijgen we het voor elkaar dat de marges – de oude periferie – alle kritische aandacht gaan krijgen? En hoe kunnen we de gevoelens die verbonden zijn met marginaliteit verbinden met de zoektocht naar macht?
Bij de zoektocht naar macht vormt de natiestaat een probleem. Die diende eerst om de heersende klasse haar monopolie te laten uitoefenen, daarna om deze toegang te geven tot de moderniteit en vervolgens tot de globalisering. Maar de staat kan niets met de behoeften van de ecologische klasse. Zij kan de wereld waarin we leven alleen benaderen vanuit haar visie van een wereld waarvan we leven. De natiestaat staat juist de radicale breuk toe tussen de twee werelden en dat is precies wat we moeten aanpakken. Voor de ecologische klasse is de rol van de staat dus een andere, net als het monopolie dat ze vertegenwoordigt en het onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse politiek.
De ecologische klasse moet zelf de strijdigheden omtrent het planetaire aanpakken en daarmee tegelijk de functie van staten. Als dat lukt verkruimelt de internationale orde, gebaseerd op ontwikkeling en globalisering, onder onze ogen tot een tamelijk hulpeloos geval. De ecologische klasse staat nu, als marginale beweging, al bijna even hulpeloos tegenover de kwestie hoe het landjepik en de internationale orde te herzien, maar zij kan zich rechtvaardigen door de zin van de geschiedenis te definiëren, of liever de zinnen van de geschiedenis in meervoud.
Dit vergt de stap van een ecologische beweging naar een ecologische klasse.
Net nu vervaagt het ‘politieke’ – dat ingewikkelde mengsel van houdingen, gewoontes, affecten, analyses, die merkwaardige manier van vermengen, elkaar gebruiken, tegen elkaar ingaan. Of zou er een verband zijn? Het politieke heeft niets gedaan om de formidabele effecten van de dertig jaar van het Nieuwe Klimaatregime tot zich te nemen. Daarom is de publieke ruimte zo leeg.*
Die lege publieke ruimte is een gat dat de ecologische klasse graag wil opvullen. En dat kan alleen van onderop worden aangepakt. Bekijk het eens in deze volgorde: Om te stemmen heb je partijen nodig. Om partijen te hebben, moeten grieven bij elkaar gebracht, en gestileerd en onderstut worden in iets van een programma. Om grieven te hebben moet ieder voor zich in staat zijn om haar of zijn eigenbelang te definiëren. Dat moet hen weer in staat stellen om het onderscheid tussen potentiële bondgenoten en tegenstanders te benutten. Maar hoe kun je belangen hebben als je niet precies kunt omschrijven in welke situatie je je bevindt? Als je niet weet wat je overeind houdt, hoe kan je dan weten wat je moet verdedigen?
Juist aan dit begin ontbreekt het, vooral wat betreft de reikwijdte van de verandering die er aan komt. Dus blijft iedereen zitten waar hij of zij zit. Wat hen resteert is klagen en een ander de schuld geven. Er wordt gewezen naar de oude staat, maar die is ontworpen voor de oude heersende klasse en nog slechts een schim van wat zij geweest is. Onderaan komt men er daar niet meer uit en bovenin wordt niet geluisterd, waardoor de boosheid steeds verder toeneemt. Het ontbreekt aan een staat voor de ecologisering. Niemand in het apparaat weet hoe er moet worden overgeschakeld van groei naar welbevinden, met alle ermee verbonden offers.
De heersende economie bepaalde tot nu toe de definitie van belangen. Maar de kosmologische verschuiving kan ons daarvan bevrijden. Verander de definitie van het gebied, van haar bestanddelen en disgenoten, van wat verwekkingspraktijken mogelijk maakt, en je verandert ook de definitie van belangen, tegelijk met de gedaante van het land dat je bewoont. Jouw territorium is waarvan je afhankelijk bent; je moet zo ver gaan als nodig om te voelen wat jou in zijn greep heeft. Om deze reden is intens werk aan de omschrijving van de beleefde omstandigheden een onontbeerlijke eerste stap op weg naar de opkomst van een klasse die zichzelf echt in staat acht om de zin van de geschiedenis te definiëren. Het begint met een beschrijving van de eigen levensomstandigheden waarin de overlapping van de wereld waarvan en waarin je leeft onthuld wordt, en waarmee je herschrijft wie jij bent, op welk territorium je staat, in welke periode in de tijd je leeft en voor welke horizonnen je je aangort om op te treden.
Het gaat er niet alleen om jezelf objectief, als door de ogen van een ander, te beschouwen. Het gaat er ook om dat je uitvindt waar je heen wilt en dat je jezelf oriënteert met en tegenover anderen die dezelfde beproeving van zelfomschrijving doormaken. Bij deze gedeelde omschrijvingen gaat het aldus om een diepgaande transformatie in de posities en politieke banden van ieder persoon, zoals die voortkomt uit de kosmologische mutatie.
Pas als de banden van onderlinge afhankelijkheid inzake de verwekkingspraktijk zich hebben vermenigvuldigd, kunnen we beginnen om de talrijke breuklijnen te onderscheiden tussen het voortgaan met de productie, het zich wijden aan het in standhouden van de levensvoorwaarden en de specifieke vorm van het welvaren die daaruit voortvloeit. Tegelijk hiermee ondergaat de politieke situatie een gedaanteverwisseling van productie naar instandhouding en zien we, in het licht van de zich uitbreidende horizon, hoe rationeel, of niet, de actoren zijn.
Met meer omschrijvingen hoor je de grieven beter en worden die ook aan anderen duidelijker. Daarmee kan het heel snel gaan.
Aan de ene kant lijkt de aanhang van de ecologische zaak marginaal; aan de andere kant is bijna iedereen in de ogen van Latour en Schultz eigenlijk al ‘om’. Zo lopen ze eens wat groepen langs:
Allereerst zijn er de inheemse volken. Zij hebben zich weten te onttrekken aan de dwang van ‘ontwikkeling’ en staan er nog steeds buiten. Zij kunnen ook anderen helpen de pijl van de tijd te weerstaan. Zij tonen ons een toekomst van verwekking.
Dan is er de jeugd. Ontkoppelen is niet alleen een kwestie van ruimte, het is – alweer – ook een kwestie van tijd. Bij de jeugd komt een gevoel van verraad op nu zij de kastanjes uit het vuur mogen halen. Hun toekomst wordt hen letterlijk ontnomen. Die is door de ouderen verslonden.
Ook wetenschappers zouden als groep tot de ecologische beweging kunnen gaan behoren, evenals uitvinders en vernieuwers, die het benauwd krijgen binnen de nauwe banden van de productie. Zij zien dat hun vondsten en ideeën over goed onderzoek hen gestolen worden.
Dan heb je de christenen die willen luisteren naar de ‘kreet van de aarde en de armen’. Tel hier nu de activisten bij op, de mensen van goede wil, nieuwe boeren en mensen uit allerlei geledingen die er anders over denken, en je hebt een groep die zich verbonden voelt – alleen zien ze hun idealen daarin nog niet weerspiegelt.
Het ontbreekt er eigenlijk alleen nog aan dat de ecologische beweging zichzelf definieert als de meerderheid.* Het mankeert hen aan zekerheid omtrent zichzelf en haar toekomst. Er zijn nog niet genoeg horden die zich erachter scharen. Ze beperkt zich nog tot een buitengewone verstrooiing van krachten en ervaringen.
We moeten hierbij overigens beducht blijven voor het traditionele idee om samen te komen om dan alle weerstand uit de weg te ruimen op weg naar betere tijden. Zo verloopt de tijd niet wanneer het levende dingen betreft. Ook hier vereist de noodzaak om te ordenen en te bouwen, dat de politieke ecologie verlangzaamt, zodat ze in staat is, om op haar eigen manier de allianties uit te vogelen die gesmeed moeten worden. Zij moet haar veelvormigheid koesteren om zo in alle richtingen alternatieven te kunnen onderzoeken.
De positie-oorlog gaat vooraf aan de aanvalsoorlog. Louter objectieve belangen doen geen klasse opkomen. De complete cultuur moet opgeschud worden. Blijven haar leden hierbij in gebreke, dan blijft de ecologische beweging slechts een schim van een partij.
Dit werk is deze keer wel veel moeilijker dan het voor de vorige klassen was. De geo-sociale dimensie kon vroeger genegeerd worden, maar nu blijkt deze fundamenteel. De strijd gaat nu immers over de bezetting, de aard, het gebruik en het onderhoud van gebieden en de levensvoorwaarden, en dat op alle schalen en continenten. De ideeënstrijd wordt er veel intenser door. Het gaat om wat de wereld maakt tot wat ze is, en daarmee wordt het een metafysische kwestie.
Ik zou hier vanuit de nieuwe politieke werkelijkheid aan toe willen voegen dat het door dit grote verschil misschien wel te verwachten was dat de politieke boodschappers van het Bodemloze hun verleiding zo goed gestalte weten te geven dat zij op dit moment de leidende beweging lijken te zijn. Hun verhaal is voor de meesten gemakkelijker: er komt voorspoed terwijl het oude hersteld wordt (waarbij de nieuwe machthebbers niets geven om feiten en om hoe het werkelijk zit). Hun boodschap spreekt nu eenmaal die groepsprocessen aan die we leerden kennen in artikel 2 (bijvoorbeeld in aflevering 9 en 12).
Zo lijkt een ecologische klasse er niet te komen voordat de ineenstorting echt begint.
Hiermee eindigt de bijdrage van Latour en Schultz. We gaan in het volgende artikel over op de meer praktisch ingestelde ideeën van Rob Hopkins en de ‘slanke’ samenleving van David Fleming, die een verdere fase van ineenstorting als uitgangspunt neemt. Beide waren al vroeg voorvechters van de ecologische beweging.