Paradigmaschimmel of elementen van een toekomstanalyse 6
Kantelen – Komt de patiënt er wel doorheen?

JAN VAN ARKEL

Dit artikel gaat over het kantelen bij systemen. Dat houdt in dat ze plotseling van de ene toestand in een andere overgaan. Een helder meer wordt van het ene op het andere moment troebel. Bevroren water wordt vloeibaar water, of vloeibaar water wordt waterdamp. Vandaag heeft geld een bekende waarde waarop iedereen vertrouwd. Morgen blijkt het waardeloos, hetzij doordat het vertrouwen in rook is opgegaan, of omdat er geen producten meer zijn om het geld aan te besteden.

We beginnen dit artikel met acht afleveringen met voorbeelden van kantelen. In aflevering 2 is dat de coronacrisis. In aflevering 3-5 zijn dat elf kantelpunten binnen het grotere klimaatsysteem. En in aflevering 6 is het de verdringing van het paard door de auto. In aflevering 7-9 volgt een reconstructie van de crisis van 2008 toen het financiële systeem wankelde. Het zijn dus alle voorbeelden van zaken die ons direct raakten of raken.

Bij dat kantelen hoort een stukje theorie. Dat begint in aflevering 10 en 11 aan de hand van een stoel die omvalt. In aflevering 12 komt de kritische massa bij maatschappelijke veranderingen aan bod. Aflevering 13 geeft daarvan als voorbeeld de overgang van benzineauto’s naar elektrische auto’s in Noorwegen, waarna aflevering 14 dat doortrekt naar andere vormen van transitie. Dan volgt in aflevering 15-17 weer een theoretisch blok.

Over kantelen verschenen eind 2025 bijna tegelijk twee boeken waaruit ik put voor dit artikel. Het ene is Positive Tipping Points – How to fix the climate crisis geschreven door Tim Lenton.* Hij levert het eerste blokje theorie. Ook tal van voorbeelden komen van Lenton. Het andere boek is De kanteling – hoe samenlevingen kunnen veranderen geschreven door Marten Scheffer.* Hieruit put ik voor het tweede blokje theorie. Zij zijn beide optimistisch over kantelen. Dat optimisme deel ik niet, zoals aan het eind van dit artikel zal blijken.

In aflevering 18 bekijken we of er in Nederland een kritische massa is om een echte transitie op gang te brengen. Aflevering 19-21 zijn daaraan bijna tegengesteld: hier is de vraag of de democratische rechtsorde de huidige aanval erop wel kan weerstaan. Die rechtsorde is ook een systeem, al kijken we er normaal niet op die manier naar. Dit deel komt geheel voor rekening van Herman Tjeenk Willing.

Daarna krijgt kunstmatige intelligentie (AI) de aandacht. Daar probeer ik in een soort momentopname de kantelpotentie ervan te laten zien in aflevering 22-25: de razendsnelle vorderingen, concrete bedreiging door hacks, het Big Brother-aspect met speciaal aandacht voor de bedrijven Anthropic en Palantir.

Je krijgt kantelpunten meestal pas in de gaten als ze zich voltrokken hebben. Welke signalen kondigen een kanteling aan? Daarover gaat aflevering 26 en ik probeer dat in aflevering 27-29 toe te passen voor een mogelijke financiële crisis.

Ik blijf bij de inbreng van Lenton en Scheffer en vooral de actualiteit toch wel met vragen zitten. Die probeer ik voor de thema’s financiën, AI, klimaat en energie te preciseren in aflevering 30-33, maar het antwoord weet ik dus niet.

Ik breng hier alvast wat theorie in herinnering die we tegenkwamen bij Fleming.* Die begon over holons die als subsystemen kunnen helpen het grotere systeem van nieuw bloed te voorzien om zo het kantelpunt uit te stellen. Volgens de panarchietheorie heb je bij systemen altijd te maken hebt met schijnbaar onontkoombare cycli van ‘opkomst’ en ‘neergang’. Ik citeer uit aflevering 2 van artikel 5: ‘Complexe levende systemen, zoals wouden, ondernemingen, beschavingen of Gaia, nemen hun ruimte in gestuurd door twee variabelen of dimensies: potentiaal en verbondenheid. Potentiaal is een maatstaf voor de rijkdom van het systeem in de zin dat het in staat is interessante dingen te laten gebeuren… Verbondenheid is een maatstaf voor hoe ver de verbanden tussen de verschillende delen van het systeem strekken en hoe sterk ze zijn … Hoe verbondener het systeem, des te groter is het potentiaal, en een groter potentiaal opent de weg naar meer volledig ontwikkelde connecties. Echter, als het potentiaal van een systeem toeneemt, stijgen ook de kosten om het geheel aan de gang te houden. Er zijn bijvoorbeeld meer inputs nodig; het systeem produceert meer afval; en het wordt verleidelijker om op vijanden te jagen. En met het groeien van de verbondenheid begint het systeem tenslotte minder flexibel te worden, gaat het trager reageren.’ Het systeem verstart. Na de fase van de exploitatie, waar het potentiaal en de verbondenheid beide nog goed ontwikkeld zijn, treedt in de fase van conservering die verstarring op. In die overgang zit het kantelpunt.

In de driedimensionale panarchiefiguur zit veerkracht erbij als derde dimensie. Die is nog sterk in de fase van de conservering, maar in de achterlus zien we hoe potentiaal, verbondenheid en veerkracht tegelijkertijd tot praktisch nul ineenstorten.

Gaat de maatschappij het volhouden, zoals Lenton en Scheffer hopen, of zal ze zich moeten reorganiseren naar een volkomen andere, eenvoudiger wereld? We gaan het in dit artikel onderzoeken, al blijft een definitief oordeel uit.

De coronacrisis overkwam ons in 2020 als bij toverslag. Uit onszelf bleken wij – inclusief de meeste van onze leiders – in een lineaire wereld te geloven. Daarom verwachtten we dat ook dit probleem zich in een gelijkmatig, beheersbaar tempo zou ontwikkelen. Terugkijkend kregen we een lesje in exponentiële groei. Want virussen kopiëren zich niet om de beurt. Iedereen met COVID kon de ziekte aan meerdere mensen doorgeven, die het op hun beurt aan meerdere mensen konden doorgeven. Zo verdubbelde bij dit virus het aantal gevallen elke twee of drie dagen. Hoe begon dat, achteraf gezien? Tim Lenton vertelt het ons.

Op 30 december 2019 wist de GGD in Wuhan in China dat ze te maken hadden met een nieuwe variant van het coronavirus. Ze lieten een waarschuwing uitgaan. Die avond ontving Marjorie Pollack van het Program for Monitoring Emerging Diseases (ProMED) in Amerika een foto van deze waarschuwingsmail van een collega uit Taiwan. Ze vond in de Chinese media al snel twee artikelen die ze met Google vertaalde. Een ervan betrof een ‘urgente boodschap over het behandelen van longontsteking door een onbekende oorzaak’. De beschrijving deed haar denken aan de SARS-uitbraak van 2002-2004. Marjorie stuurde daarop een email naar de tienduizenden abonnees van ProMED, met erbij een vertaling van de Chinese berichten. Nog diezelfde avond trof Sharon Sanders, mede-oprichter van de Amerikaanse website Flu Trackers (die overal ter wereld griepuitbraken volgt), soortgelijke berichten aan bij RTV Hong Kong en op de website Chinese Daily. Ook zij zond daarop een internationale waarschuwing rond. De volgende dag, 31 december, meldde de GGD van Wuhan dat er 27 ziektegevallen waren. Sommige internationale nieuwsagentschappen gaven de berichten door, wat in Engeland bijvoorbeeld in de krant kwam onder de titel ‘Mysterieuze ziekte velt 30 mensen in Chinese stad’. Achteraf bekeken waren er op dat moment waarschijnlijk al 266 mensen besmet.

Taiwan legde direct het luchtverkeer uit Wuhan stil en nam nog allerlei andere maatregelen. Zo zochten ze er ook direct uit met wie patiënten contact hadden gehad om zieken te kunnen isoleren. Het eiland, met 24 miljoen inwoners, telde uiteindelijk slechts 800 COVID-patiënten en 7 sterfgevallen. Het Verenigd Koninkrijk daarentegen (met 67 miljoen inwoners) telde 2,5 miljoen zieken en 93.317 sterfgevallen.

In de loop van januari werden overal ter wereld gevallen van COVID gesignaleerd, waarvan het eerste op 13 januari in Thailand. Japan volgde op 16 januari, en onder andere de VS, Zuid-Korea, Taiwan, Singapore, Vietnam, Frankrijk, Australië en Canada volgden in de tien dagen daarna.

Toch hielden de Chinese autoriteiten en de Wereld-Gezondheids-Organisatie (WHO) nog tot 14 januari vol dat er ‘geen duidelijk bewijs was voor de overdracht van mens op mens bij dit nieuwe coronavirus’. En de gemeenteraad van Wuhan-stad organiseerde vier dagen later (op 18 januari) desondanks een nieuwjaarsbanket met 40.000 families op tien verschillende locaties. Het aantal gevallen was opgelopen van 266 op 31 december tot meer dan 17 duizend.

Op 27 januari gaf de vermaarde epidemioloog Gabriel Leung (deken van de Universiteit van Hong Kong) een drie uur durende uitleg op YouTube, waarin hij schatte dat er in China al sprake was van 100.000 gevallen. Pas drie dagen later volgde de definitieve waarschuwing van de WHO.

‘De rest is de geschiedenis die we allemaal kennen’, zo besluit Lenton deze reconstructie.

De mensheid moest zijn grote verbondenheid drastisch inperken om het potentiaal te conserveren. Dit ingaan tegen het vertrouwde systeem kostte grote moeite (veerkracht) en het is interessant om hier vanuit dit perspectief over na te denken. Maar bekijk het dan ook vanuit het perspectief van het virus: zijn grote potentiaal werkte zeer goed in het verbonden Verenigd Koninkrijk en veel minder goed in Taiwan.

We zijn intussen terug in het ‘oude normaal’, maar COVID was een duidelijk geval van niet-lineaire verandering. En het is lang niet het enige voorbeeld. De exponentiële groei waarmee niet-lineaire verandering gepaard gaat, leidt vaak tot een regelrechte kanteling. Dat is het punt waarop een klein verschil grote gevolgen heeft – gevolgen zo groot dat terugkeer naar de oude toestand er meestal niet meer in zit. Gewoonlijk volgt hierbij de ene verandering de andere op, in een kettingreactie die moeilijk te stoppen is. De verandering jaagt zichzelf aan met een uitkomst die goed of slecht kan zijn, afhankelijk van wat er kantelt en in welke richting dat gebeurt. Met het klimaat gaat het nu al decennia lang in de verkeerde richting. En in het milieu gaat het al net zo. De verovering van de markt door elektrische auto’s kun je dan weer als gunstig beschouwen. In sociale gevallen kan een zetje van de overheid enorm helpen om vernieuwingen van innovatoren door vroege gebruikers te laten omarmen. We gaan in dit artikel deze zaken nader bekijken.

Het democratisch paradigma kwam in de coronacrisis op gespannen voet te staan met de genomen dwangmaatregelen. En daar hebben we nu nog steeds last van.

De wereldvermaarde klimaatwetenschapper Tim Lenton is de aangewezen persoon om ons te vertellen welke kantelpunten er in het klimaatsysteem zitten.* Mijn samenvatting van zijn overzicht dient niet om zijn uitleg precies weer te geven, maar om het idee van kantelpunten als zodanig duidelijk te maken (hoewel het ons er meteen ook van doordringt hoe dun het ijs is waarop we ons bevinden).* Lenton kiest ervoor om hierbij de ‘grootschaligheid van het effect’ en niet ‘waarschijnlijkheid’ als criterium te nemen. Want als minder waarschijnlijke kantelpunten met een groot gevolg toch optreden, zitten we diep in de puree.

Klimaatkantelpunten zijn in wezen natuurlijke processen, al geeft de mens er met zijn CO₂-uitstoot de aanzet toe. Vanaf aflevering 5 zijn de kantelpunten maatschappelijk. Voor het principe maakt het niet uit.

Waren er in de klimatologie in 2008 nog slechts negen klimaatkantelpunten in beeld, nu zijn het er al zestien (zie de kaart).We bevinden ons met vijf ervan nu al in de gevarenzone. Dankzij voortschrijdend inzicht werd het in de loop van deze eeuw duidelijk dat het er alleen maar erger op wordt. Onderzoekers proberen steeds te bepalen of er versterkende terugkoppelingen zijn die krachtig genoeg kunnen worden om onomkeerbaar te zijn.

Figuur 1: De zestien kantelpunten en hun plaats op aarde.

Groenland

Als gevolg van het afsmelten van de bovenlaag van de ijskap op Groenland komt het oppervlak steeds lager te liggen, waar het warmer is. Daardoor versnelt het smelten. Sneeuw vult de ijsmassa aan. Smeltwater dat afvloeit en ijsschotsen die afbreken verkleinen de ijsmassa, elk in ongeveer gelijke mate. Als smeltverlies de sneeuwaanvulling overtreft, zal de zaak uiteindelijk kantelen. Van die situatie was de afgelopen twintig jaar sprake. Maar met die simpele voorstelling van zaken is het laatste woord natuurlijk niet gezegd. Het land is ruim vijftig keer zo groot als Nederland, dus is er een grote afstand tussen de uiteinden met verschillen die daaruit voortvloeien.

Het ijsdek in de Noordelijke IJszee

Bij het bevroren zee-ijs is het albedo-effect cruciaal. Donker zeewater neemt warmte veel beter op dan een weerkaatsend oppervlak van drijvend ijs. Zonder ijs in de zomer warmen delen van de Noordelijke IJszee nu vier keer zo snel op als het mondiale gemiddelde. Wetenschappers zijn het niet eens of er in principe (al) een onomkeerbaar kantelpunt bereikt is, of dat de zaak terug zal draaien als de mensheid erin slaagt de CO2-uitstoot op netto-nul te krijgen. Het oordeel over het grote geheel hangt dus nog in de lucht, maar er lijken wel regionale kantelpunten in de maak, zoals in de Barentsz Zee. Hier zou 1,5 graad mondiale opwarming genoeg zijn. Als alle zee-ijs zou smelten levert dat een extra bijdrage aan de mondiale opwarming van een halve graad! Dit is dus een levensgevaarlijk kantelpunt, dat andere kantelpunten zal aanjagen. Zie verder in aflevering 22, ook voor de figuur met het zee-ijsoppervlak van de laatste jaren.

Permafrost

Vijftien procent van het land op het noordelijk halfrond is permanent bevroren: in Siberië, Alaska, Canada en Groenland. Er zit 1.000.000.000.000 ton koolstof in deze vriezer, het dubbele van wat wij tot dusver hebben uitgestoten. Aan het oppervlak zit een ‘actieve laag’ die ’s zomers ontdooit en in de winter weer bevriest. Die slappe laag wordt dikker. Bij vertering gaat zowel CO₂ als methaan de lucht in. Het probleem zit hem in de hellingen in het landschap. Schuift de ontdooiende massa omlaag, dan wordt een nieuwe massa aan dooi blootgesteld èn ontstaan er onderin meertjes die warmte enorm goed absorberen. Die warmte vreet dan weer de zijkanten van deze meertjes aan, waardoor ze groter worden. Dit begon al bij een opwarming van 1 graad Celsius en neemt bij hogere temperaturen alleen maar toe. Wordt het nog warmer dan gaan microben zich tegoed doen aan het veen, wat nog meer uitstoot betekent. Iedereen die enig idee heeft van hoe warm het in een composthoop kan worden, snapt wat hier gebeurt. Het kan zelfs tot brand leiden, die bij droogte ondergronds voortwoekert.

Is er in de wetenschappelijke wereld grote eensgezindheid over de toedracht van de klimaatverandering, politiek ligt dat, vooral in de VS, helemaal anders. Hoe lang kan dat verschil in paradigma’s naast elkaar voortbestaan?

Boreaal bos

Ten zuiden van de permafrost begint de toendra en dan volgt het boreale bos. Die bosrand kan bij opwarming om verschillende redenen snel opschuiven. Dit zou boven 1,5 graad opwarming ineens op grote schaal kunnen gebeuren. Ook al wordt bij boomgroei koolstof gebonden, toch zou dit 0,14 graad aan de opwarming kunnen toevoegen vanwege het donkerder oppervlak. Aan de zuidkant van het bosgebied, waar een steppe begint, veroorzaken droogte en rups- en kevervraat bij de verzwakte bomen vaak enorme bosbranden. Dat kan een enorme uitstoot van CO₂ veroorzaken. Ook gaat er heel veel roet de lucht in, die dan verderop weer op het ijs van Groenland en de IJszee terecht kan komen, dat dan sneller ontdooit.

De Golfstroom

De Golfstroom brengt warm water naar het noorden van de Atlantische Oceaan.* Daar wordt het zo zout en koud dat het naar de zeebodem zakt, waarna het in de diepte terugstroomt naar het zuiden. De Golfstroom verlost het zuiden van een teveel aan warmte en helpt ons aan een prettig klimaat. Hoe het technisch werkt laat ik hier buiten beschouwing. Van belang is dat er twee stabiele toestanden bestaan: een sterke circulatie die diep reikt en een zwakke die dat niet doet. Veel zoetwatertoevoer en een warmer oppervlak kan de sterke circulatie stoppen. Dat gebeurde rond het jaar 1300 en bracht ons de Kleine IJstijd. Momenteel wordt er veel zoet water geloosd door smeltend ijs en meer regenval. Klimaatmodellen geven hier verschillende uitkomsten: ergens tussen een opwarming van 1,1 en 3,8 graden kan de kanteling opgewekt worden. En die kan heel plotseling zijn. Dan wordt het in ons land juist gemiddeld 2 tot 3 graden kouder. De straalstroom verschuift, de winters worden koud en de zomers heet, terwijl de zeespiegel bij Canada en New York met 30 cm zou kunnen stijgen.

Moessons

Als het land sneller opwarmt dan de oceaan stijgt de lucht boven land op, wat ‘onderin’ vochtige lucht uit de oceaan aantrekt. Hoog in de atmosfeer vloeit de lucht dan weer naar de oceaan en zakt, zodat een circulatie ontstaat. De waterdamp in de lucht die boven land optrekt, condenseert en regent uit als de moessonregen. Bij condensatie komen enorme hoeveelheden warmte vrij die lucht opstuwen en die circulatie stimuleren.* Er is per seizoen een kenmerkend kantelpunt waarbij de moesson begint en eindigt. Definitief uitvallen is desastreus. Het uitvallen van de moesson heeft 5.500 jaar geleden de groene Sahara doen verdorren. Veranderingen elders op aarde beïnvloeden de moesson. Als de Warme Golfstroom stil zou vallen, kan ook gevreesd worden voor de moesson dieper landinwaarts in West-Afrika. Maar bij een sterke Golfstroom en opwarming wordt de moesson daar sterker en bestrijkt hij een groter gebied.

Het Amazonewoud

Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan is de moesson gekoppeld aan het Amazoneregenwoud (met 100 miljard ton aan vastgelegde koolstof). Het regenwoud wekt ook zelf regen op die wat verderop weer neer komt. Regen wordt er dus hergebruikt, van 35 tot wel 70 procent. Achttien procent van het woud is al gekapt en het komt er steeds opener bij te leggen. Een groot deel van het woud zou kunnen vervallen naar een stabiele droge-savannetoestand. De klimaatmodellen zijn niet eensgezind: hoe werken verdroging, woudkap en opwarming samen? Als het mis gaat kan 30 miljard ton koolstof vrijkomen in de atmosfeer, die de regio aldaar met 2 graden Celsius doet opwarmen en de aarde met 0,1 graad, met wereldwijde implicaties.

Gletsjers

Een implicatie van Amazoneregenwoudverlies zou kunnen gelden voor Tibet, 15.000 km verderop. De gletsjers van de Himalaya en omgeving zullen dan allemaal harder gaan smelten. Bij 2 graden opwarming zullen trouwens overal ter wereld zo’n beetje alle gletsjers verdwijnen. Dat doet de opwarming weer met 0,1 graad toenemen en laat ook de zeespiegel stijgen. Het gebrek aan smeltwater in de zomer zal op veel plaatsen de landbouw finaal onderuit halen.

Het grote geheel, waarvan de Golfstroom een onderdeel is, verbindt ook de Noordpool met de Zuidspool. Wat naast Groenland wegzakt, komt in de Zuidzee weer boven, waar het Antarctica isoleert en koud houdt. Maar die Zuidzee warmt op…

West-Antarctica

West-Antarctica verschilt nogal van Groenland, omdat veel van het land onder zeeniveau ligt. Dat verduidelijkt onderstaande figuur.

Figuur 2: Schematische weergave van de instabiliteit van het zee-ijsdek van Antarctica.

Er is een scheidingslijn, waar de ijsplaat zich verheft boven het land en als een uitstulping op de oceaan drijft. Daar breken met het langzame opschuiven enorme ijsschotsen af die de oceaan in drijven. Dat vaste ijs bovenop het water remt de afvloeiing van gletsjers vanaf het land sterk af. Verlies vindt in Antarctica op zeeniveau plaats want bovenop smelt dit werelddeel door de koude vrijwel niet af. Het gevaar zit hem erin dat die scheidingslijn de aflopende helling dieper het land in bereikt. Dan verandert het evenwicht en gaat de terugtrekking steeds sneller. Dat lijkt op twee plaatsen al het geval te zijn (Pine Island en Thwaites). Dit kan resulteren in een zeespiegelstijging van 1 meter, of binnen 500 jaar van zelfs 3 meter. Nog erger, de uitstekende gletsjers kunnen helemaal in stukken breken met open scheuren. Dat zou echt een kantelpunt kunnen zijn en deskundigen denken dat we er dichtbij zijn. Sommige klimaatmodellen suggereren dat het bij een opwarming van 1,5 graad zeker onomkeerbaar wordt. En we zitten nu al over de 1,25 graad.*

Oost-Antarctica

Het pakket ijs op Oost-Antarctica is veel groter dan dat op West-Antarctica, en ook daar ligt de bodem soms onder het zeeniveau. Dat geldt in het bijzonder voor het Wilkes Bassin en het Aurora Bassin. Daar ligt genoeg ijs om de zeespiegel met 3 à 4 meter te doen stijgen. Versnelling met het risico van ineenstorting zou er bij 2 graden opwarming kunnen beginnen. De zeespiegelstijging die Antarctica teweeg kan brengen zou niet alleen Nederland overspoelen, maar alle laaggelegen ecosystemen, inclusief grote gebieden met permafrost. Koraalriffen zouden niet snel genoeg kunnen ‘verhuizen’, als ze tenminste nog zouden bestaan.

Koraalriffen

Tropische koraalriffen zijn fantastisch rijk aan biodiversiteit en net zoals het Amazoneregenwoud floreren ze juist in sommige van de armste wateren op aarde. Door alle grondstoffen waar ze behoefte aan hebben in zich op te nemen, te recyclen en vast te houden, komen ze toch tot die ongelooflijke rijkdom. Het koraal (een dier) biedt een veilig onderkomen en essentiële voeding aan haar fotosynthetische algenpartners (de zooxanthellae), die op hun beurt de zonnestraling gebruiken voor het scheppen van een hoogproductief ecosysteem. Ook sponzen spelen er een hoofdrol. Koraalriffen kunnen niet tegen te heet water, niet tegen verzuring, niet tegen voedingsstoffen die het land afspoelen, niet tegen sedimentatie en niet tegen overbevissing en direct toegebrachte schade (zoals bommen). En al die oorzaken zijn er nu en ze versterken elkaar. Het koraal verbleekt; de algen worden de deur uitgezet; het eindigt in de dood. Dat proces is stevig gaande en bij 2 graden opwarming is het over en uit. Vijfhonderd miljoen mensen leven nu van de koraalriffen en een van de mooiste ecosystemen zal er straks niet meer zijn. Ook de gevolgen voor het leven in de oceaan zullen groot zijn.*

Tot zover wat ik ontleen aan Tim Lenton.

Het valt me op dat hij het methaan in vaste vorm dat aan de randen van het continentaal plat zit, niet noemt bij de kantelpunten. Verder lijkt me de verzuring van de oceanen er ook een. In aflevering 9 van het artikel ‘Ontwrichtend gif’ in de rubriek Ontwrichting zegt oceanoloog Howard Dryden dat tussen nu en 2045 de pH van de oceanen zo laag wordt dat kalkskeletten niet meer gevormd kunnen worden. Zou dat niet het hele oceanische ecosysteem kunnen doen instorten, vraag ik mij af, met grote gevolgen voor het klimaat? Blijft de oceaan dan wel CO₂ opnemen, of wordt het er een bron van? Ik heb hier geen antwoord op.

Al de genoemde potentiële kantelpunten zijn onderdeel van het globale klimaatsysteem. Het is wel zeker dat de aspecten potentiaal en verbondenheid hier een rol spelen en kantelen de veerkracht verkleind. Maar op dit niveau geeft Lenton ons geen informatie. Ook al hamert de bedenker van de panarchietheorie, ‘Buzz’ Holling, erop dat een aantasting van het systeem op de verschillende ‘geneste’ niveaus tegelijk wel eens de grootste zwakte ervan kan zijn.

Ik ga nu over op een aantal voorbeelden van maatschappelijke kantelpunten, en wel historische en geen toekomstige (zoals hierboven bij het klimaat).

Steeds zijn er weer die onderlinge verbanden: Als er ergens in het onderling verknoopte systeem van de Aarde iets breekt, dan heeft dat elders gevolgen.

Toen tussen 1885 en 1890 de eerste auto’s geproduceerd werden, waren er drie elkaar beconcurrerende technologieën. Namelijk auto’s op basis van stoom, elektriciteit en benzine. In 1900 werd 40 procent van de verkochte auto’s door stoom aangedreven, 38 procent door elektriciteit en draaide slechts 22 procent op benzine. Elke vorm had in de begintijd een eigen niche en doel. De rijken gebruikten de rustige en schone elektrische auto’s voor uitjes in de stad. Ze laadden ze thuis op en deze motor hoefde gelukkig niet aangezwengeld te worden. De andere twee soorten dienden om mee te racen en voor tochten naar het platteland. Benzine-auto’s kwamen veel verder dan elektrische en in elke dorpswinkel kon je brandstof kopen, omdat die ook voor verlichting gebruikt werd.

Laten we het verloop van de strijd in Amerika tussen de drie typen auto’s tegenover de paardenkracht eens kort volgen.* Stoomauto’s stierven kennelijk een stille dood. Het ging al gauw tussen de andere twee typen. In 1908 kwam er weliswaar een elektrisch model op de markt dat zelfs de 100 mijl bereikte, maar deze auto’s waren duur. Henry Ford lanceerde in datzelfde jaar zijn Model T voor een prijs van 850 dollar. Daarmee kwamen klanten als dokters en rijke boeren in beeld.

De vrouw van Henry Ford hield het intussen op een elektrische auto; veel rustiger en schoner immers. Zelfs Henry scheen erin gereden te hebben. Hij ging ook een samenwerking aan met Thomas Edison om elektrische auto’s te produceren. Maar in 1911 kwam de elektrische startmotor. Die deed het voordeel van de elektrische auto, dat hij gemakkelijker startte, teniet. Met de groeiende markt werd de technologie beter en zakten de prijzen. Luchtvervuiling was duidelijk nog niet in beeld. Er begonnen sterke terugkoppelingen in het voordeel van de benzineauto te werken. Je kunt ze onderscheiden in ‘al doende leren’, ‘schaalvoordelen’ en ‘technologische bekrachtiging’ – een drietal dat je ook bij andere ontwikkelingen kunt tegenkomen.

Al doende leren vond zowel bij de technici als bij de gebruikers plaats. In 1913 kwam Ford in de fabriek met de lopende band, wat de productietijd halveerde. Ford buitte de schaalvoordelen agressief uit. Hij verlaagde de prijzen voortdurend, van die 850 dollar in 1908 naar 360 dollar in 1916. De elektrische startmotor vormde de technologische bekrachtiging.

Complexiteitseconoom Brian Arthur, schrijft Lenton, noemt dit verschijnsel ‘toenemende winst bij acceptatie’, dat wil zeggen dat hoe meer mensen een product of dienst gaan gebruiken, hoe waardevoller het wordt voor nieuwe gebruikers. Dat kan op zich al een kantelpunt veroorzaken. Want bemerken dat anderen het doen, is sociaal besmettelijk. Dat je het dan zelf niet wilt missen maakt de benodigde kritische massa bij het kantelpunt kleiner. Wat dit inhoudt bespreken we verderop.

De strijd van de auto met het paard viel duidelijk in het voordeel van de eerste uit. Het voer voor paarden kostte veel bouwland en moest worden aangevoerd en het mestprobleem dreigde steden boven het hoofd te groeien. De energie die samengebald zat in olie had intussen zoveel voordelen. Uitvinders, ondernemers en gebruikers van auto’s spanden samen om nieuwe vormen van gebruik te vinden. Het resultaat was een transformatie in de persoonlijke mobiliteit.

Dat kantelpunt veroorzaakte weer andere kantelpunten, in een ‘kantelcascade’. Zo moest er een wegennet worden aangelegd, wat transport per vrachtauto vergemakkelijkte. Er waren allerlei onvoorziene gevolgen: Oude banen gingen verloren, nieuwe kwamen ervoor in de plaats. Auto’s werden het symbool van vrijheid, maar met de eindeloze buitenwijken kwam je op drukke wegen in de file terecht. Olie werd een kernsector in de economie, met een andere geopolitiek, olielanden (met Dutch disease) en onderlinge naijver en strijd als gevolg. Op zoek naar grondstoffen gingen we als mensheid de natuur steeds agressiever te lijf.

Het autosysteem kreeg met meer (soorten) auto’s voor meer mensen aanvankelijk steeds meer potentiaal (er kon meer). En met meer (soorten) wegen, meer bezinepompen, enzovoort, kwam er meer verbondenheid. Als er ergens een ongeluk was, kon je via een omweg toch je doel bereiken. Maar daarna ging het zoals kort beschreven in aflevering 2: naar verstarring. Zonder de auto zijn velen nu hulpeloos.

In de slipstream van de auto kwam er ook nog de tractor, met een eigen kantelpunt ten opzichte van het boerentrekpaard. De eerste tractor van Ford kwam in 1917 op de markt en het werd een enorm succes. In 1930 waren er al 1 miljoen tractoren in de Verenigde Staten. De Grote Depressie bracht de opmars tijdelijk tot stilstand, maar samen met hybride zaden en kunstmest bracht de tractor een revolutie in de landbouw teweeg, die ook weer tal van uitwaaierende onvoorziene gevolgen had, zoals we kunnen lezen in het artikel ‘Onvolwassen en authentieke vooruitgang –het grotere geheel zien’ van Daniel Schmachterberger, en dan vooral vanaf aflevering 20.

Er was steeds al grote eensgezindheid in de omarming van het autosysteem in westerse landen. China en de rest van de wereld blijken trouwe volgers. Het is het mondiaal heersende paradigma.

Het neoliberalisme meende de sleutel te hebben voor een zonder mankeren draaiende groeieconomie. Bemoeienis van de staat was nergens voor nodig. Deregulering gaf bedrijven handelingsvrijheid. Grootscheepse privatisering had de bedrijfswinsten tegen het einde van de vorige eeuw flink opgestuwd. Maar er moesten nieuwe bronnen worden aangeboord. Daarbij raakten grenzen opgerekt en met de financiële crisis die hieruit voortvloeide leek dit paradigma te kantelen, al gebeurde dat uiteindelijk niet. Wat gebeurde er toen?

Op 15 september 2008 ging Lehman Brothers, de vierde bank van de VS, failliet. Het was het grootste bankfaillissement in de Amerikaanse geschiedenis. De bank had 600 miljard aan waardepapieren in portefeuille. De Federal Reserve, het stelsel van centrale banken van Amerika, probeerde andere banken te bewegen Lehman over te nemen, maar dat mislukte, niet in de laatste plaats omdat de ‘Fed’ niet garant wilde staan voor de ‘slechte leningen’ voor de zogenaamde ‘subprime’-hypotheken. Voor het grote publiek begint hiermee de financiële crisis – die ook wel bekend staat als de Grote Recessie en bij ons als de Kredietcrisis – maar de aanloop begon al veel eerder. Ik geef hier een beschrijving ervan door Richard Heinberg uit zijn Paradigmaserieboek Einde aan de groei:

‘Tussen 1997 en 2006 steeg de prijs van het gemiddelde Amerikaanse huis met 124 procent. De gemiddelde huizenprijs nam veel sneller toe dan het gemiddelde inkomen. Van 1981 tot 2001 schommelde de gemiddelde huizenprijs tussen 2,9 en 3,1 maal het gemiddelde inkomen per huishouden. In 2004 steeg die verhouding naar 4,0 en in 2006 naar 4,6. Dit betekende dat een toenemend aantal huiseigenaren met de woningen die ze gekocht hadden feitelijk boven hun stand leefden. En dankzij de lage rentestand koos menig huiseigenaar er ondertussen voor zijn woning te herfinancieren of op basis van de waardestijging van het huis een tweede hypotheek af te sluiten, om daarmee een nieuwe auto te kopen of het opknappen van de woning te betalen. Veel van deze hypotheken kenden een verwaarloosbare – zij het flexibele – aanvangsrente, wat betekende dat veel leners even later voor nare verrassingen kwamen te staan.

Wall Street had dit ‘ontzagwekkende geldreservoir’ in de Amerikaanse hypotheekmarkt gepompt, om in alle schakels van de financiële keten enorme vergoedingen op te strijken – van de hypotheekverstrekkers tot de kleine banken die de makelaars financieren, tot de gigantische zakenbanken die deze hypotheken securitiseren, samenbundelen en wereldwijd aan investeerders verkopen. Ook verschafte deze kapitaalstroom miljoenen mensen een baan in de bouw en de vastgoedsector.

De effectenmakelaars op Wall Street begonnen te geloven dat ze in ruil voor hun diensten daadwerkelijk recht hadden op miljoenen dollars per jaar, simpelweg omdat ze erin geslaagd waren uit te vissen hoe ze het schuldsysteem naar de hoogste versnelling konden schakelen en daarvan ook nog een smakelijke percentage voor zichzelf af te romen. Onverantwoord gedrag werd rijkelijk beloond, en dus besloot vrijwel iedereen op Wall Street zich onverantwoordelijk te gedragen.

In 2003 was de voorraad nieuwe hypotheken, die onder traditionele leenvoorwaarden tot stand kwam, goeddeels uitgeput geraakt. Maar de vraag naar mortgage-backed securities bleef onverminderd hoog, en dit leidde uiteindelijk tot het uitkleden van die leenvoorwaarden, tot het punt waarop sommige flexibele hypotheken werden aangeboden tegen een aanvangsrente van nul procent, of zonder dat er een aanbetaling verlangd werd, of dat er hypotheken werden verstrekt aan leners die deze aantoonbaar met geen mogelijkheid konden terugbetalen – of alle drie tegelijk.

Gebundeld in mortgage-backed securities, verkocht aan pensioenfondsen en zakenbanken en de risico’s afgeschermd met derivatencontracten, vormde de hypothecaire schuld bij uitstek de ruggengraat van het Amerikaanse financiële systeem, en in toenemende mate ook van de economieën van tal van andere landen. In 2005 was 62 procent van alle inkomsten van commerciële banken op de een of andere manier aan hypotheken gelieerd; in 1987 was dat nog 33 procent geweest. Met als gevolg dat wat een beperkte crisis had kunnen zijn met voor zo’n 300 miljard dollar aan dubieuze leningen, nu zou uitgroeien tot een financiële catastrofe van vele biljoenen, die niet alleen het financiële systeem van de Verenigde Staten als een tsunami overspoelde, maar ook dat van veel andere landen.

Van juli 2004 tot juli 2006 trof de Fed beleidsmaatregelen die bedoeld waren om de rente op bankleningen te verhogen. Dit droeg bij aan een stijging van de eenjarige en vijfjarige flexibele rentetarieven op hypotheken, wat op zijn beurt de maandlasten van huiseigenaren opstuwde. Omdat vastgoedprijzen doorgaans dalen wanneer de rente stijgt, werd vastgoedspeculatie opeens een stuk riskanter. De zeepbel begon leeg te lopen.*

Wat omhoog gaat…

Tussen de zomer van 2006 en september 2008 daalde de prijs van het gemiddelde Amerikaanse huis met ruim 20 procent. Toen begin 2007 het aantal executieverkopen plotseling sterk opliep, rapporteerden 25 hypotheekverschaffers hoge verliezen, zetten zichzelf in de etalage, of lieten zich failliet verklaren. Het hele stelsel functioneerde prima zolang de onderliggende onderpanden (huizen) jaar in jaar uit in waarde stegen. Maar toen de huizenprijzen hun piek bereikt hadden, begon de omgekeerde piramide van onroerend goed, schuld, derivaten en zogenaamde collateralized debt obligations (beter bekend als ‘rommelhypotheken’) te wankelen, en stortte de hele boel in.

Terwijl de prijzen een duikvlucht maakten, bevond menig kersverse huiseigenaar zich plots ‘onder water’. […] Het aantal huiseigenaren dat op zijn hypotheekbetalingen in gebreke bleef nam spectaculair toe. Van 2006 op 2007 steeg het aantal onteigeningen met 79 procent (en trof bijna 1,3 miljoen woningen). Deze tendens zou in 2008 verder verslechteren, met een stijging van 81 procent ten opzichte van het voorgaande jaar, naar bijna 2,3 miljoen gedwongen executieverkopen en uithuiszettingen. In augustus 2008 was 9,2 procent van alle Amerikaanse hypotheekhouders ofwel nalatig of dreigden ze uit hun huis gezet te worden; in september van het jaar daarop was dit percentage tot een kolossale 14,4 procent omhooggeschoten.

Toen de huizenprijzen eenmaal in een vrije val belandden en de handel in dubieuze subprimeleningen op zijn achterste lag, begonnen de dominostenen in de hele financiële wereld stuk voor stuk te kantelen.

Op 15 september 2008 kwam het complete Amerikaanse financiële stelsel tot op slechts 48 uur van een totale paniekstop. Met het omvallen van financiële gigant Lehman Brothers schudde ook het wereldwijde financiële systeem op zijn grondvesten. Het hele mondiale systeem van kredietverlening bevroor, en de Amerikaanse overheid moest te hulp schieten met een ongekende reeks financiële injecties, die de grootste Wall Street-banken en verzekeringsmaatschappijen moesten redden. Alles bij elkaar bedroeg het Amerikaanse pakket van leningen en garanties een verbijsterende 12 biljoen dollar. Het bbp van het land als geheel dook de rode cijfers in, en in een paar maanden tijd gingen 8 miljoen banen in rook op.’

Tot zover Richard Heinberg. Ik laat nu Tim Lenton het verhaal overnemen.

‘Op 17 september trokken investeerders 144 miljard aan Amerikaans geld terug. Dat was twintig maal zoveel als in de week ervoor. Het kredietsysteem voor de korte termijn kwam tot stilstand. Te midden van deze crisis legden de minister van Financiën Henry Paulson en de voorzitter van de Federal Reserve Bank Ben Bernanke op 18 september aan de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden Nancy Pelosi een verzoek voor om een fonds te vormen van 700 miljard om de giftige hypotheken mee op te kopen. Twee dagen later ging het verzoek naar het Congres. Op 29 september wees het Huis van Afgevaardigden het verzoek af, wat (opnieuw) een enorme koersval veroorzaakte, niet alleen in de VS, maar wereldwijd. Na nog meer koersdalingen gaf het Huis op 3 oktober toch haar fiat. Maar in de week erna bleven de koersen maar dalen. Het was ongekend. Op 11 oktober zei het hoofd van het Internationaal Monetaire Fonds dat het financiële systeem wereldwijd op de ‘rand van instorten’ stond. En op 24 oktober stortten de beurskoersen helemaal in en ontwikkelde zich een monetaire crisis omdat investeerders geld naar sterkere munten overbrachten.’

De crisis kwam niet van de ene op de andere dag. Dat zagen we al. In 2007 gingen al diverse investerings- en spaarbanken failliet. Zo nam de investeringsbank Bear Stearns twee hedgefondsen over die leden onder slechte hypotheken. In die zomer werd ook duidelijk dat banken minder geneigd werden om elkaar geld te lenen. Op 12 december 2007 begon de ‘Fed’ banken die in moeilijkheden waren te helpen met korte-termijn-kredieten. Op 22 januari 2008 verlaagde de Fed ineens de rente. En op 17 maart was het zover dat de Fed de leningen van Bear Stearns onderschreef zodat JP Morgan Chase de bank kon overnemen. Op 7 september, een week voordat de crisis losbarstte, nam de Federal Housing Finance Agency nog de Federal National Mortgage Association (Fannie Mae) en de Federal Home Loan Mortgage Corporation (Freddie Mac) over.

De kwetsbaarheid bleek toen dus groot. Veel kleine banken waren bijvoorbeeld afhankelijk van leningen van dezelfde handvol grote banken. Het financiële systeem wankelde. Alleen met buitengewone ingrepen van overheden werd dat voorkomen. Maar de kracht die nodig was om de terugkoppeling richting crisis op te heffen, was enorm.

Het vertrouwen verdampte. Er was sprake van een cascade. En het was niet zomaar voorbij. De nasleep was enorm en duurt tot op de dag van vandaag.

De financiële crisis verspreidde zich over de wereld omdat er in het hele wereldwijde financiële systeem een uitgebreid netwerk van interbancair lenen en schuldeigendom bestaat. De centrale banken kochten in hun poging de crisis te bezweren voor 2,5 biljoen dollar aan overheidsschulden en banktegoeden op. Van het uiterste redmiddel werd deze aanpak het enige redmiddel. De financiële crisis joeg de Grote Recessie, die al bezig was, verder aan en bracht eind 2009 de Europese schuldencrisis op gang. Dit alles laat zien hoe (wereldwijd gezien) een handjevol bankiers verliezen kan veroorzaken waar iedereen onder lijdt, wat deels te wijten is aan de structuur van het leennetwerk.*

De overheersende reactie op de Grote Recessie was om belastinggeld te gebruiken voor het redden van de financiële instellingen, die het probleem toch zelf voornamelijk hadden veroorzaakt met hun roekeloze uitleengedrag. Men vond de banken ‘too big to fail’ (zo groot dat je je niet kunt permitteren dat ze ten onder gaan). Dat kwam mede door hun onderlinge verknooptheid. Vielen ze om, dan liep het hele economisch systeem gevaar (was het argument). Maar de veiligheidsgordel van de belastingbetalers leidde niet tot enige bestraffing van de roekeloosheid.

Zo kwam aan het licht dat zakelijke financiële belangen een enorme invloed hebben in zogenaamde democratieën. In de voortgang van de recessie lieten de regeringen hun centrale banken op grote schaal nieuwe bankbiljetten drukken. Ze noemden dat eufemistisch ‘kwantitatieve verruiming’. Men zei dat dit geld vanzelf zou doorsijpelen om ook de minst bedeelden te helpen, maar in plaats daarvan kwam het grotendeels terecht bij degenen die het al goed hadden. Terwijl de rijken rijker werden, werden de armen bozer.

Dit en het gevoel dat financiële belangen de politiek corrumpeerden riep wijdverbreide protesten op, zoals ‘Occupy Wall Street’ (van 17 september tot 15 november 2011). Met de door David Graeber bedachte slogan ‘Wij zijn de 99 procent’ gaven de activisten aan dat de rijkdom zich steeds meer concentreerde bij de rijkste 1 procent. ‘Iedereen’ werd er helemaal niet beter van. De financiële crisis en de reactie daarop liet nog eens zien wat toch al een trend was, namelijk dat de inkomensongelijkheid al sinds 1980 steeds groter werd. In de Verenigde Staten was het aandeel in het totale inkomen van de rijkste 1 procent in 1980 nog 10 procent, maar dat was vóór de financiële crisis al opgelopen tot 20 procent, en erna werd het alleen maar veel meer. Deze trend hangt nauw samen met de politieke heropleving van het vrije-markt-kapitalisme, dat zogenaamde neoliberalisme. De politiek zorgde daarbij voor deregulering (van de markten), privatisering (van bijvoorbeeld overheidsinstellingen en coöperaties), globalisering en vrijhandel, èn overheidsbeheersing van de geldhoeveelheid (monetarisme), bezuinigingen en verkrapping van de overheidsuitgaven – allemaal bedoeld om de rol van de private sector in de economie en de samenleving te vergroten. Wat je ook mag denken over de resultaten, het is duidelijk dat niet iedereen hier gelukkig mee is en dat het vergroten van het bbp niet toereikend is om de sociale onrust die voortvloeit uit de groeiende ongelijkheid de kop in te drukken.

Bernard Lietaer beschrijft het monetaire ecosysteem als een ecosysteem dat levensvatbaar is binnen een ‘venster’ dat ligt tussen veerkracht en doorvoerefficiëntie. Omdat alle activiteiten in het kapitalisme erop gericht zijn om die efficiëntie te stroomlijnen, schuift het stelsel steeds opnieuw ver buiten dat levensvatbaarheidsvenster, met een crisis als gevolg. Zie zijn uitleg met de figuren vanaf pagina 117 in deze pdf. Het financiële systeem is nu mondialer dan ooit, maar het is vast opnieuw bezig om teveel efficiëntie te willen bereiken.

Bij een financiële crisis als die van 2008 dreigt een niet-lineaire verandering, een omslag. Bij wereldwijde oorzaken staan overheidssystemen dan voor de vraag wat ze moeten doen. Ze weten zich geen raad met niet-lineaire veranderingen. De toestand is te complex. Er heest wantrouwen. De neiging bestaat de status quo te handhaven. Maar burgers beginnen zich te realiseren dat doorgaan met ‘business as usual’ de schokken juist veroorzaakt.

Het is nu de vraag of in een volgende crisis de overheid nog bij machte is om de boel te beheersen – en wat er gebeurt als dat niet blijkt te lukken (waarover ik wat speculeer in aflevering 26).

Ondanks deze crisis blijft het financieel-economische paradigma onwankelbaar. Of het financiële stelsel dat zelf ook is, moet dus nog blijken. Nu is het tijd voor wat theorie.

We zijn na deze voorbeelden toe aan wat theorie over kantelen. In zijn boek Positive Tipping Points begint Tim Lenton zijn uitleg van het begrip kantelpunt met het eenvoudige voorbeeld van een stoel. Ik geef het hier in mijn eigen woorden korter weer.

Als je op een stoel aan tafel zit en je duwt jezelf ietsje achterover en laat dan los, dan val je terug in de stand rechtop. Je toestand is dan weer stabiel. Hoe verder je achterover helt, hoe zwakker je de kracht voelt worden om terug rechtop te komen. Je bereikt ten slotte een positie van evenwicht – ietsje verder achterover, en je valt. Je komt na je val in een andere stabiele toestand, namelijk op je rug op de grond. Dat evenwichtspunt is een kantelpunt. Een tikje de ene kant op en je veert terug, een tikje de andere kant op en je valt. Bij het vallen worden de krachten ineens heel sterk.

Figuur 3: Twee alternatieve stabiele toestanden bij een stoel met ertussen het kantelpunt.

Zo’n toestand met twee stabiele standen is een eenvoudig systeem. Dat kun je weergeven als twee valleien met daarin een bal met een heuveltop ertussen. Het rechterdal is dieper want als je eenmaal gevallen bent kost het veel meer energie om naar de rechtop staande stand terug te keren dan wat het kostte om de val te veroorzaken. Bij het afduwen van de tafel kun je de bal in gedachten omhoog zien kruipen naar de top van de heuvel. Dit kost je moeite. De vorm van de figuur blijft bij het afduwen hetzelfde: we veranderen niet iets aan het systeem. Bijna boven wordt de helling flauwer en met weinig moeite bereik je daarna het punt dat je achterover valt.

Er moet dus moeite gedaan worden om het kantelpunt te bereiken. En dan, ineens, gaat het vanzelf. Eerst zijn er terugkoppelingen die onze moeite tegengaan. Voorbij het kantelpunt zijn er terugkoppelingen die onze moeite zelfs overbodig maken. Zelfs als we terug willen, lukt dat niet meer. De ene terugkoppeling raakt verloren, de andere wordt sterk. De bal ligt nu onderin het rechterdal.

Niet alleen eenvoudige systemen, ook complexe systemen kunnen op zo’n manier geforceerd worden tot een andere toestand die vaak net zo moeilijk in de oude staat terug te brengen is als bij de stoel. Het kan zelfs om een stoel gaan waarvan bij de val de poten breken; die kan dan überhaupt niet meer rechtop staan. Dat krachten het complexe systeem verzwakken kun je laten zien door de heuveltop tussen de twee mogelijke toestanden in de figuur te verlagen. Als ze hun invloed steeds blijven uitoefenen, krijg je wat de figuur hieronder laat zien. Er komt een kantelpunt in zicht en het systeem floept vervolgens naar een andere stabiele toestand. Een klein zetje is genoeg, maar de verandering komt toch als een grote verrassing.

Figuur 4: Een systeem voorbij een kantelpunt forceren.

Lenton noemt een paar voorbeelden: in slaap vallen en wakker worden zijn er twee van. Sterven is er een van onomkeerbare aard. Ouder worden gaat langzaam, maar er zijn al doende ook al ziektes die een rol kunnen spelen in het bereiken van het omslagpunt. Dat ouder worden laat ook zien dat de terugkoppelingen die de levende, gezonde toestand bewaken, talrijk en krachtig zijn. Dat is de normale toestand in een complex systeem. Kantelpunten zijn uitzonderlijk.

Willen we weten of er toch een kantelpunt aan komt, dan moeten we de complexe systemen nauwkeurig bekijken. Hebben we vergelijkingsmateriaal? Van wat er gebeurt met andere mensen weten we dat we eens dood zullen gaan. Zulk vergelijkingsmateriaal hebben we met de aarde en het klimaatsysteem niet. Van de aarde is er slechts een. We kunnen wel terug kijken in de tijd, zodat we bijvoorbeeld weten dat de Sahara ooit groen was. De auto verdrong dan wel het paard, maar of en hoe precies de stekker-auto in deze tijd de benzine-auto totaal gaat verdringen is voorlopig nog niet helder. En van financiële crises hebben we zoveel recente voorbeelden dat het er dik in zit dat er weer een komt. Maar wanneer precies en hoe, dat weten we dan weer niet.

Laten we kijken of er ondanks al die verschillen toch niet een paar algemene waarheden zijn.

Complexe systemen kunnen ook zichzelf tot een kantelpunt brengen. Dat heet een ‘kritieke toestand’ die ‘zelf-georganiseerd’ is, oftewel zichzelf aangedaan. Dan kan ook een kleine schok de verandering al in gang zetten.

Er zijn tal van systemen die op het oog veel van elkaar verschillen en stuk voor stuk soms moeilijk te doorzien zijn. Valt er in die omstandigheden wel iets algemeens te zeggen over de waarschijnlijkheid van kantelpunten? Laten we om dat te bekijken even terug gaan naar de stoel.*

Als je een beetje achterover leunt, schiet je snel weer overeind. Maar als je verder achterover leunt, gaat het herstel langzamer. In termen van de bal in de figuur met de vallei is de steilte van de valleikant een beschrijving van de mate van herstelkracht die jou op de stoel weer rechtop brengt (de bal terug naar de bodem van de vallei). Als je bij het achterover leunen het kantelpunt nadert (de heuveltop), wordt de helling flauwer en verzwakken die herstelkrachten tot ze ten slotte verdwijnen. We zien dus dat een systeem in de buurt van een kantelpunt de neiging heeft minder snel van de verstoringen te herstellen dan als het nog verderaf is.

De stoel is een eenvoudig systeem. Maar bij een complex systeem dat naar een kantelpunt geduwd wordt, gebeurt hetzelfde – dichtbij de kanteling vertraagt het systeem. Dat effect lieten we al zien in figuur 4, want daar werd de (linker)vallei langzaamaan minder diep voordat deze helemaal verdween. Stel je nu voor dat de bal zetjes heen en weer krijgt, zoals in figuur 5, terwijl de vallei steeds minder diep wordt. Dan zal de bal bij het verflauwen van de helling per zetje steeds verder van de bodem van de vallei afraken en ook langzamer naar de bodem van de vallei terugrollen. Totdat de bal, op het kantelpunt gekomen, niet meer teruggaat, maar de andere, diepere vallei in rolt.

Vóór dit moment vertoont het systeem meer veranderlijkheid en herstelt het trager van kleine schokjes. Dit lijkt wat raar, want voorbij het kantelpunt gaat alles ineens in hoog tempo. Maar vertragen is in feite een algemene eigenschap van complexe systemen die een kantelpunt naderen. Je kunt het je voorstellen door aan vermoeid raken of ouder worden te denken; bij beide gaat alles langzamer voordat de slaap of dood ons overkomt.

Figuur 5: Typisch gedrag vormt een vroege waarschuwing dat er een kantelpunt in zicht is.

De terugkoppelingen die het systeem in zijn oude toestand houden worden zwakker. Dat wordt uitgebeeld in de minder steil wordende helling. Bij het kantelpunt, waar de vallei plat is geworden, worden deze temperende terugkoppelingen ingeruild voor een zelf-versterkende terugkoppeling. De term veerkracht drukt het vermogen uit van een systeem om snel weer van verstoringen naar de oude toestand terug te veren. Bij het bereiken van een kantelpunt verliest het systeem zijn veerkracht.

We kunnen dit verschijnsel gebruiken om een idee te krijgen of een systeem een kantelpunt nadert of er nog ver vanaf is. Als er veel beweging in zit en het langzaam herstelt, is er gebrek aan veerkracht en kan een kantelpunt in het verschiet liggen. (Maar dan moet het wel een systeem zijn dat kán kantelen, want dat is niet bij alle systemen het geval. Bij onze dood houdt ons systeem op te bestaan.)

Gewoonlijk is er in complexe systemen sprake van een mengsel van langzame verandering (zoals ons ouder worden) en snellere verstoringen (zoals ziekte) en beide kunnen een rol spelen in het bereiken van een kantelpunt.

Om potentiële kantelpunten te vinden, moeten we op versterkende terugkoppeling letten. En we moeten zien uit te vinden of die sterk genoeg is om zelfaangedreven te worden.

Alleen al om verdere klimaatverandering af te remmen moet ons gedrag wereldwijd kantelen (door een nieuw paradigma te omarmen). We zagen in artikel 1 hoe moeilijk dat is. Ook hierover heeft de theorie van het kantelen ons iets te vertellen. Laten we bij een eenvoudig voorbeeld beginnen, namelijk wat er in Amerika gebeurde in het vervolg op de omarming van de tractor door de boeren. In die tijd kwam tegelijk ook kunstmest en hybride zaad op de markt. (We stappen hier over van de ‘natuurlijke’ kantelpunten in het klimaat naar de ‘sociale’ kantelpunten die nodig zijn om die eerste te voorkomen.)

In de jaren ’30 van de vorige eeuw bezochten vertegenwoordigers van de leveranciers boeren om hen deze hybride zaden aan te prijzen. Ze vertelden de boeren: ‘Daar moet je beslist op overgaan. In deze drogere tijden van de Dust Bowl worden je oogsten met deze zaden veel beter.’

Als de boeren ‘verstandig’ waren geweest, hadden ze die vernieuwing met open armen ontvangen. Maar dat gebeurde niet. Slechts enkele innovatieve boeren probeerden deze zaden uit; let wel, ze deden het erbij, naast hun gewone gewas. De rest van de boeren bedankte voor de eer. Tot ze als buren over het hek bij de innovators keken en zagen dat die oogst inderdaad beter was en ze het toch maar eens zelf gingen proberen. Zo ging de een na de ander overstag. Sociale besmetting ging boven economisch rationele actie.*

Dit geval werd goed gedocumenteerd en de bevindingen brachten allerlei soortgelijk onderzoek naar acceptatie van vernieuwing teweeg. Steeds bleek er eenzelfde patroon te zijn. Al die onderzoeken leidden tot een theorie. Het bleek dat verspreiding kan berusten op de innovatie zelf (zoals bij de tractor), op degenen die het oppakken (zoals collegaboeren), op communicatiekanalen, op tijd en op de aard en structuur van het sociale systeem (of een mengsel van dit alles). De kern van de zaak is dat er een kantelpunt bestaat dat bereikt wordt bij een kritische massa – een drempelgetal van de omarmers van een idee, technologie of innovatie – waarna de aanvaarding of verspreiding ervan zichzelf gaande houdt, met steeds verdere groei.* Het verloop vormt grafisch weergegeven een S-vormige curve.

Figuur 6: S-curve + klokcurve.

De groep van de innovators is klein, ongeveer 2,5 procent. Ook de uitvinders zelf behoren ertoe. Dan komen de vroege aanvaarders of vroege gebruikers (13,5 procent) die geen moeite hebben met vernieuwingen en door hebben dat verandering soms onvermijdelijk is. Zij worden gevolgd door de vroege meerderheid (34 procent) die eerst wil zien voor ze geloven dat de verandering de moeite waard is. De late meerderheid is met 34 procent even groot. Zij staan in het algemeen sceptisch en terughoudend tegenover verandering, maar gaan mee als de verandering de norm in de samenleving wordt. De achterblijvers tenslotte (16 procent) houden vast aan traditie en hebben een hekel aan verandering.

Lenton schrijft er direct bij dat dit een geïdealiseerd model is, waarbij de getallen indicaties zijn. In de originele hybride-zaden-aanvaarding ging het behoorlijk wat sneller. De suggestie is dat het halen van het kantelpunt gewoonlijk de steun vergt van tussen de 10 en 40 procent van de bevolking, dat wil zeggen ergens tussen de vroege aanvaarders en de vroege meerderheid. Waar het punt precies ligt hangt af van de innovatie, de kracht van de versterkende terugkoppeling van toenemende opbrengsten, de sociale besmettelijkheid en de structuur van sociale netwerken.

Wordt er een kantelpunt bereikt dan is de steilheid waarmee de S-curve omhoog gaat per innovatie steeds weer wat anders. Bij meerdere markten zijn er ook meerdere kantelpunten en dus meer S-curven.

Neem nog even de aanvaarding van de auto uit aflevering 5 in herinnering. De middenklasse had de auto omarmt voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, maar de arbeidersklasse moest een pauze inlassen en kwam pas na de oorlog aan de beurt. Bij de tractor onderbrak de Grote Depressie de gang omhoog, waarna feitelijk een tweede S-curve begon.

Tim Lenton hoopt dat dit principe gebruikt kan worden voor het bereiken van allerlei kantelpunten die helpen bij het voorkomen van ernstige klimaatverandering. Hij ziet het bij de elektrische auto wel zitten.

Tim Lenton vertelt met smaak over de manier waarop de elektrische auto in Noorwegen terrein veroverde.* Dat verhaal begint bij de Noorse new-wave-band A-ha die rond 1990 wereldberoemd was. De zanger van A-ha, Morten Harket was een milieuactivist in hart en nieren. In zijn eigen woorden: ‘Toen ik 16 was voelde ik dat ik deel uitmaakte van de natuurlijke wereld, dat ik er sterk mee verbonden was. Ik was erdoor gegrepen.’

Morten en zijn vrienden waren gefrustreerd door het hypocriete gedrag van de premier Gro Harlem Brundtland – die nota bene bij de VN duurzaamheid op de kaart had gezet met het Brundlandt-rapport – om de oliewinning van Noorwegen op te voeren. Ze bedachten daarom een plan hoe de introductie van elektrische auto’s geforceerd kon worden. De elektriciteit in Noorwegen kwam al voor 90 procent van waterkracht; die was dus goedkoop en ruim voorhanden. De groep stelde een combinatie van maatregelen voor: het opheffen van de belasting op de invoer van elektrische auto’s, ze vrijstellen van btw en wegenbelasting, ze vrije toegang verlenen tot de busbanen en gratis veerbootgebruik.

Ze begonnen hun actie niet bij de politiek maar bij het publiek door als land mee te doen aan de jaarlijkse race voor elektrische auto’s in Zwitserland. De media volgden A-ha overal, dus ook hier, met hun elektrische Fiat Panda. Ze importeerden deze auto vervolgens en vroegen de regering om de invoerbelasting te laten zitten. Dat lukte. Daarna weigerden ze de wegenbelasting en parkeergeld te betalen. Dat mocht dan weer niet. Ze negeerden de aanmaningen, zodat de autoriteiten ten slotte de auto in beslag namen en veilden. De media zaten bij de veiling echter op de eerste rij tot verlegenheid van de ambtenaren. Een sympathisant kocht de auto en gaf hem terug aan de groep, die er opnieuw de weg mee opging zonder belasting te betalen. Er voltrok zich een cyclus die zich steeds herhaalde totdat in 1996 de overheid bijdraaide en elektrische auto’s vrijstelde van wegenbelasting. In de jaren erna werden ook de andere eisen ingewilligd: vrij parkeren kwam in 1999, en vrijstelling van de 25 procent btw volgde in 2001. Vanaf 2005 mochten ze gebruik maken van de autovrije busbanen en in 2009 werd de veerboot kosteloos. Tegelijk begon de regering het investeren in laadpalen te stimuleren.

Vanaf 2010 kreeg de introductie van elektrische auto’s in Noorwegen vleugels. De groep van de innovators was er al twee decennia mee bezig. Nu kwamen de vroege aanvaarders erbij. In 2010 was het marktaandeel van elektrische auto’s nog slechts 0,5 procent, in 2011 sprong het naar 1,4 procent en in 2012 verdubbelde het naar 2,9 procent.

De toegekende voordelen maakten de elektrische auto in 2012 concurrerend met de auto’s op benzine en diesel; al helemaal voor mensen die dagelijks met de veerboot moesten of duur parkeerden. Ook vonden mensen het geweldig dat ze de busbaan mochten gebruiken; dat scheelde sommigen een hoop tijd. Mensen begonnen met hun enthousiasme anderen aan te steken. Goedkoper wordende auto’s brachten het aandeel in 2013 op 5,8 procent en in 2014 op 12,5 procent – een toonbeeld van de verdubbelingscurve.

Harald N. Rostvik, de vriend van Morten Harket die al vanaf de vroegste acties meedeed en hoogleraar stedenbouw was, had intussen een slim en snel uit te rollen laadpalennetwerk op poten gezet. Ook daarin had Noorwegen een enorme voorsprong op andere landen. De angst voor gebrek aan stroom ebde daardoor weg. Mensen beseften dat ze met elektrische auto’s alles konden doen wat ze eerst met hun gewone auto deden, maar dan beter. Ze werden gratis lid van de Noorse elektrische-autobond, waarmee een effectieve lobbygroep ontstond.

Met de toename van het aantal elektrische auto’s door de intrede van de vroege meerderheid begonnen de kosten van de overheidsbegunstiging, die bij weinig auto’s bijna niets kostte, flink op te lopen. Ze werden dan ook weer afgebouwd: vrij parkeren verdween in 2017 en wegenbelastingvrijstelling in 2019. Maar toen waren de positieve terugkoppelingen al zo sterk dat de transitie het kantelpunt gepasseerd bleek te hebben. In 2019 was het marktaandeel 50 procent, en met hybride auto’s erbij 90 procent. Zelfs de achterblijvers kwamen aan boord.

Figuur 7: Het marktaandeel van elektrische en hybride auto’s in 18 Europese landen als een functie van het verschil in aanschafprijs ten opzichte van benzine- en dieselauto’s.

Wat was uiteindelijk essentieel voor het bereiken van dit kantelpunt? Tim Lenton bracht met mede-onderzoeker Simon Sharpe het marktaandeel van elektrische auto’s in 2019 in Europa in beeld (figuur 7). De aanschafwaarde lijkt daarbij bepalend. Overal waar de elektrische auto ruim duurder is dan de benzine-auto, kwam het marktaandeel niet boven de 5 à 10 procent uit.

Intussen kantelt de markt in Nederland terug naar de hybride-auto.*

Noorwegen ligt zo negen jaar voor op de rest. Het biedt ons een model voor hoe transities op gang te brengen en te versnellen dat op veel meer terreinen toepasbaar is.

Tim Lenton ziet het patroon van Noorwegen op tal van terreinen terug. Om te beginnen bij de introductie van de elektrische auto in de rest van de wereld. In 2023 was het aandeel ervan op de wereldmarkt 12 procent. Het meest interessant daarbij is China: daar lag het aandeel toen op 25 procent. China verkocht in 2023 5,4 miljoen elektrische auto’s; ter vergelijking: in de rest van de wereld was dat samen 4 miljoen. China domineert bovendien de batterijmarkt. Dit is te danken aan de vooruitziende blik van de Chinese overheid. Die realiseerde zich veel eerder dan andere landen waar het heen ging. Ze konden er de ontwikkeling van brandstofauto’s beter overslaan en direct die van elektrische auto’s steunen. Hun subsidies begonnen in 2009 al te lopen, waarbij autorijders net als in Noorwegen met allerlei gunstige voorwaarden overgehaald werden om voor elektrisch te kiezen. Tegen 2019 konden de subsidies al weer ingetrokken worden, want elektrisch concurreerde met benzine. In 2021 was het marktaandeel 13 procent, in 2023 dus al 25 procent.

Europa en de VS hebben een minder vooruitziende blik en lopen duidelijk achter, maar ze zullen het geijkte patroon vast volgen, al of niet met horten en stoten, net als India en Japan. Elektrische scooters en riksja’s zullen daarbij ook hun aandeel opeisen. Lenton is er zeker van dat alle vervoer over de weg op termijn elektrisch zal zijn. Ook qua grondstoffen is dat volgens hem haalbaar.*

Eenzelfde patroon vindt hij bij windturbines. Kolencentrales stierven in het Westen de afgelopen jaren al een stille dood, wat goed voor het milieu was. (Maar tegelijk was het mondiale verbruik van steenkool in 2024 nog nooit zo hoog.) Windmolenparken nemen hun rol over. Bij windmolens nam Denemarken het voortouw, op een vergelijkbare manier als Noorwegen. De Denen dachten na afloop van de tweede energiecrisis van 1979 na over hun energievoorziening. Windmolencoöperaties gingen zelf molens plaatsen. In 2001 waren er 2.000 coöperaties met 100.000 huishoudens als lid, die 86 procent van alle molens in (en op) het land bezaten. In 2009 ging vervolgens een brede coalitie vol voor wind en ontstond een eigen windturbine-industrie. Naast Denemarken kwam ook het Verenigd Koninkrijk naar voren als een land dat een grote opwekkingscapaciteit met wind realiseerde.

Bij zonnecellen was de prijsontwikkeling doorslaggevend. De prijs ging van ruim 100 dollar per watt in 1975, naar 10 in 1990 en 1 in 2012. Sindsdien trekt die lijn zich door zodat zonnepanelen nu meer dan concurrerend zijn met gangbaar opgewekte elektriciteit. Daarom zien we ook hier het patroon van een kantelpunt dat gepasseerd werd. Kwam oorspronkelijk fundamentele kennis over zonnepanelen uit een land als Australië, de vertaling naar productie kwam praktisch geheel in handen van de Chinezen. Alle officiële voorspellingen dat het met zonne-energie zo’n vaart niet zou lopen (van bijvoorbeeld de IEA) zaten er historisch ver naast. De introductie ging snel, ook in onverwachte landen als Uruguay en Chili (met een aandeel van 40 procent van de elektriciteitsproductie in 2024). De VS lopen hier nationaal ver achter, dus het is nog niet overal koek en ei; al doen sommige staten – waaronder Texas – het goed.

Ook op het gebied van de benodigde grondstoffen, zoals lithium en een kritieke stof als tellurium, ziet Tim Lenton geen beren op de weg: aan de vraag zal kunnen worden voldaan – alleen is ook hier China praktisch monopolist.

Steeds goedkopere hernieuwbare energie, schrijft Lenton, vormt een aansporing om alles elektrisch te maken wat maar kan, met zuiniger gebruik en daardoor een dalende energiebehoefte. Nu levert met zon en wind opgewekte elektriciteit 20 procent van de mondiale elektriciteitsbehoefte. Dat gaat naar 80 procent als we onze uitstoot op nul hebben weten te brengen. Dit alles levert een cascade van kantelpunten op die elkaar over en weer versterken. Vooral op batterijgebied verwacht hij nog veel, omdat in de volgende fase zulke opslag ons door windstille en bewolkte winterdagen moet gaan helpen.*

Komt er ook een oplossing voor de moeilijke restcategorie van mijnbouw, staal- en kunstmestproductie, scheepvaart en vliegverkeer?

Bij de delving van ijzererts geeft Lenton het voorbeeld van de mijn van Fortescue in Australië. Hier gaat ‘groene ammoniak’ de productie verduurzamen. Er vaart al een vrachtschip op en ook de gigantische vrachtwagens in de mijn worden op die manier ‘schoon’ gemaakt. De ammoniak wordt gemaakt met elektriciteit van zonnepalen. Dat moet in 2030 afgerond zijn. Dan is het hoogovenproces aan de beurt. Daar moet groene waterstof de energie leveren. Dit wil men in 2040 bereiken. En dat patroon kan dan weer worden uitgerold.*

Van de andere categorieën ligt het alleen bij de luchtvaart echt moeilijk, zodat Lenton al met al tal van kantelpunten ziet opdoemen. Hij gelooft dat een schone toekomst absoluut haalbaar is, al is het de vraag of het allemaal snel genoeg zal gaan.

Krijgt Lenton gelijk met zijn cascade van kantelpunten? Er doemen donkere wolken op, waarover ik in de afleveringen 26-28 nog wat zal zeggen. Maar eerst nog een aanvulling op de theorie van de hand van Marten Scheffer.

In zijn tegelijk met Lenton geschreven boek De kanteling – hoe samenlevingen kunnen veranderen onderzoekt ook Marten Scheffer kantelpunten die gunstig uitpakken.* Hij stelt vast dat er bij elke kanteling een groot aantal factoren een rol speelt, wat een op het oog onontwarbaar geheel oplevert. Maar dat er toch generieke concepten bestaan waardoor alle kantelingen gekenmerkt worden. Dat levert ‘een gereedschapskist waarmee we aannemelijke toekomstscenario’s voor de mensheid kunnen schetsen.’

Figuur 8: Een simpele voorstelling van maatschappelijk kantelen.

Als je ervan uitgaat dat alle mensen onafhankelijk denken, en ook dat mensen verschillen in wat ze onaanvaardbaar vinden, valt bij groter wordende problemen een geleidelijke toename te verwachten van de fractie mensen met een actieve houding jegens verandering. Grafisch levert dat de curve van figuur 8A op.

‘Het wordt er,’ schrijft Scheffer, ‘een stuk interessanter op als we ervan uitgaan dat bijvoorbeeld 30 procent van de mensen niet zelfstandig nadenkt maar simpelweg de opvatting van de meerderheid huldigt.’ Dat wordt weergegeven in figuur 8B.

‘In die situatie is er een bandbreedte in de ernst van de problemen (tussen T1 en T2) waarin drie evenwichtstoestanden mogelijk zijn. De stippellijn bij 50 procent staat voor een instabiel evenwicht. Zoals je kunt zien aan de pijltjes die de richting van de verandering aangeven, beweegt het systeem door elke kleine afwijking van deze ‘afstoter’ verder van die lijn af. Dat komt doordat de ‘meelopers’ simpelweg de meerderheid volgen. De verandering stabiliseert in een van beide ‘alternatieve attractoren’. De pijltjes laten zien waarom die attractoren (‘aantrekkers’) zo heten. Het systeem wordt er als het ware van boven en van onder door aangetrokken.’

‘Stel je, om de gevolgen daarvan in te zien, eerst een situatie voor waarin er vrijwel geen probleem is. In dat geval roepen maar heel weinig mensen op tot verandering. Naarmate de problemen verergeren, zullen geleidelijk meer mensen oproepen tot verandering. Maar wanneer die fractie bij 50 procent van de bevolking het kantelpunt T1 bereikt, gebeurt er iets bijzonders. Omdat ze nu in de meerderheid zijn, krijgen degenen die oproepen tot verandering gezelschap van de meelopers en roept als snel 80 procent op tot verandering. Zelfs wanneer het probleem minder ernstig wordt, zal een meerderheid om verandering blijven vragen – totdat het andere kantelpunt (T2) wordt bereikt en de meelopers zich aansluiten bij de nieuwe meerderheid, degenen die geen verandering willen.’

Uiteraard is dit een enorme versimpeling, schrijft Scheffer. ‘Om te beginnen mogen we ervan uitgaan dat de keuze van de meelopers ook enigszins afhangt van hun inschatting van de ernst van het probleem. Als de problemen verergeren, is er een kleinere groep om verandering vragende mensen nodig om de meelopers ervan te overtuigen zich bij hen aan te sluiten. Daardoor zal de horizontale stippellijn van 50 procent schuin aflopen. Merk op dat het kantelpunt T1 daardoor lager komt te liggen. Veel onderzoeken wijzen inderdaad uit dat de fractie mensen die nodig is om een transitie op gang te brengen (de ‘critical mass’) kleiner is dan 50 procent, vooral wanneer degenen die om verandering vragen aandringen. Realistischere uitgangspunten, wiskundige modellen en observaties leveren gewoonlijk een zwierigere versie van dit model op, zoals afgebeeld in 8C. Dat beeld, waarin de curve van 1A als het ware ‘terugplooit’, is de bekende zogeheten catastrophe fold.’

‘Ons model helpt om in te zien waarom de kwetsbaarheid toeneemt wanneer we een kantelpunt naderen. Stel je voor dat een samenleving zich onder in de curve van figuur 8B bevindt. Naarmate de problemen verergeren, beweegt het systeem zich langzaam in de richting van het kantelpunt en komt het ook dichter in de buurt van de stippellijn, de kritische drempel. Wanneer opeens een extra groepje mensen om de een of andere reden verandering eist terwijl de door spanningen gekwelde samenleving al dicht bij kantelpunt T1 was, kan dat die samenleving over de meerderheidsdrempel heen helpen, waardoor anderen zich bij het verzet aansluiten en de aanzet geven tot een verandering naar een ‘revolutionaire’ toestand.’

In aflevering 17 lees je over een gehoopt voorbeeld hiervan.

‘Een andere manier om de toenemende kwetsbaarheid weer te geven zijn de stabiliteitskommetjes of -landschappen’ (die we in aflevering 10 zagen). Zie figuur 9 hieronder. Ze illustreren, zoals we zagen bij Lenton en hier (verder) in de woorden van Scheffer, ‘stabiliteit door middel van de analogie van een bal die in een golvend landschap rolt. Een heuveltop komt overeen met een “instabiel evenwicht”, dat de beide “valleien van aantrekkingskracht” waar de bal in kan rollen van elkaar scheidt. Als de problemen niet ernstig zijn, is de status quo veerkrachtig. Maar als ze ernstiger worden, wordt de status quo steeds minder aantrekkelijk. Dat verlies aan veerkracht (minder aantrekkingskracht) maakt die toestand kwetsbaar. Als er nog maar een heel klein valleitje over is kan zelfs een kleine verstoring de zaak al over de heuveltop duwen. Daardoor rolt de bal met toenemende snelheid richting de revolutionaire toestand, waarin een grote meerderheid oproept tot verandering.’

Figuur 9: Stabiliteitslandschappen laten zien dat de status quo kwetsbaar wordt zodra de ervaren ernst van de problemen toeneemt. De grafiek in het onderste vlak is de catastrophe fold, die ook wordt weergegeven in figuur 8C.

Wat Scheffer zo bijzonder vindt, ‘is dat grafieken die kantelpunten en de verandering van veerkracht weergeven generiek zijn. Dezelfde diagrammen geven de essentie weer van kantelingen in ecosystemen, stromingen in de oceaan, de balans van ouderen, celstofwisseling en nog veel meer.’

‘Dat universele principe verklaart waarom signalen van “critical slowing down” een teken kunnen zijn van een broze gemoedstoestand en daarmee van het risico op depressie, maar bijvoorbeeld ook van toenemende kwetsbaarheid van ijskappen voor het einde van een ijstijd.’

Ook al zijn de gevallen waarin dit gebeurt nog zo uiteenlopend, ‘ze ontstaan wanneer de status quo aan veerkracht inboet, zodat een zichzelf voortstuwende verandering steeds makkelijker ontketend kan worden, in gang kan worden gezet door een kleine verstoring, die “de bal uit het kuiltje duwt”.’

In een vastgeroest systeem is er grote weerstand tegen verandering. Het is als een houtblokje dat op een stuk schuurpapier ligt. Als je ertegen duwt wil het eerst niet bewegen, totdat het ‘los schiet’. Zo kunnen kleine of grote gebeurtenissen voor een plotselinge ontlading zorgen.

Figuur 10: Starheid, veroorzaakt door conservatieve terugkoppelingsmechanismen zoals onderdrukking, vertraagt de reactie op een veranderende wereld en maakt die schokkerig. (We kwamen deze figuur ook tegen in aflevering 22 van het artikel ‘De werking van systemen’ in de rubriek Complexiteit.)

In onze maatschappij kunnen er allerlei oorzaken zijn waarom die vastroest. Onze vaste overtuigingen, die ons in staat stellen om goed te functioneren, zijn tegelijk het schuurpapier dat tot stagnatie leidt. Als ze al te rigide zijn, vormen ze een probleem wanneer de omstandigheden het nodig maken om ons gedrag te veranderen. Sociaal psychologen en neurobiologen beginnen dit fenomeen steeds meer te ontrafelen. Ze vonden onder andere dit:

‘Veranderen kan moeilijk zijn omdat het betekent dat het je hele wereldbeeld op zijn kop zet en misschien wel je maatschappelijke identiteit aantast. Mensen willen ergens bij horen, en gedeelde opvattingen spelen een belangrijke rol in de vorming van die gemeenschapszin. Dat verklaart waarom mensen zelfs aan hun overtuigingen blijven vasthouden wanneer ze worden geconfronteerd met overtuigend bewijs dat die overtuigingen tegenspreekt.’

We zijn niet alleen geneigd tot individueel zwart-witdenken (‘goed of slecht’, of ‘alles of niets’), ook kan een heersende elite een sta in de weg zijn bij noodzakelijke veranderingen. Dat gebeurt niet alleen met dwang, maar ook met de manipulatie van onze percepties en opvattingen (bijvoorbeeld met behulp van sociale media).

Maatschappelijke verandering stagneert dus niet vanzelf. Het gebeurt door een complex van goed begrepen mechanismen die de status quo versterken. Hoe sterker verandering wordt tegengehouden, des te radicaler de transitie zodra die zich eenmaal voordoet. Denk als voorbeeld aan een aardbeving.’

Bedenk voor jezelf eens hoe Trump een bepaalde starheid van het Amerikaanse systeem verkoopt. Amerikanen slikken het allemaal omdat ze hun ‘overtuigingen’ hebben. Maar met het duurder worden van het levensonderhoud komt er een nieuw mechanisme in het spel. Hoe zal dat verder gaan?

Wie in eigen kring als eenling een andere mening is toegedaan, vindt tegenwoordig sociale-mediagemeenschappen waar hij of zij zich wel thuis voelt. Wil je bijvoorbeeld veganist worden, dan bieden sociale media tegenwicht tegen het verstikkende effect van al die vleeseters om je heen. En dat vergemakkelijkt de overstap. Dat wordt uitgebeeld in figuur 11. Daar zien we hoe sociale media op twee manieren als katalysator van verandering kunnen fungeren. Ze vergroten de ervaren hevigheid van de problemen en ze verminderen de sociale druk doordat er gelijkgestemden te vinden zijn.*

Figuur 11: Twee manieren waarop sociale media als katalysator van maatschappelijke kanteling kunnen fungeren. Ten eerste vergroten ze de ervaren hevigheid van problemen (pijl 1). Ten tweede zal iemand die er in een gemeenschap een afwijkende mening op na houdt en daarvoor door de meerderheid wordt teruggefloten op sociale media alternatieve groepen van gelijkgestemden kunnen vinden (pijl 2).

Soort zoekt altijd al soort, zegt Scheffer, of het nu gaat om leeftijd, godsdienst, opleidingsniveau, wereldbeeld, of wat dan ook. Zo’n sorteerproces vindt tegenwoordig op veel grotere schaal plaats door zichzelf organiserende sociale-medianetwerken, wat leidt ‘tot een steeds grotere diversiteit van ‘attractoren’ die de wereld duiden. Zie figuur 12.

Figuur 12: Onvrede die wordt aangewakkerd door sociale media kan de veerkracht van de status quo verminderen en maatschappelijke experimenten bevorderen waarmee naar alternatieven wordt gezocht. Of die ontwikkelingen leiden tot een wereldwijde overgang naar een duurzame maatschappelijke ‘attractor’ is een open vraag.

Wat het vermogen van een samenleving om te streven naar een rechtvaardige, duurzame toekomst bedreigt, is het risico dat de publieke opinie wordt ‘gehackt’ door sociale-mediacampagnes die worden voortgestuwd door trollen, bots en andere technische trucs. Dit duwt een samenleving vooral de kant uit van isolationistische en populistische opvattingen. Sociale media ondermijnen tegenwoordig juist het vermogen om een brug te slaan tussen al die verschillende meningen en dat vermogen is essentieel om aan te sturen op een toekomst waarvan de mensheid als geheel profiteert.

Dit weerhoudt de Triodosbank er niet van om een paradigmaverandering in het verschiet te zien in de richting duurzaamheid. Zij baseren dat op de theorie uit de voorgaande afleveringen. Er komt volgens hen een ander wereldbeeld aan.

Jan Rotmans stelde in de eerste aflevering van artikel 5 dat we op de onderstroom moeten letten. Daar begint de kanteling. ‘Niet de golven bepalen het ritme van de toekomst, maar de onderstroom’ (dus die maatschappelijke experimenten uit figuur 12). Die onderstroom bevat een aanzienlijk potentieel aan leiderschap van mensen die tegen de bovenstroom in roeien en langdurig grote inspanningen moeten verrichten om doorbraken te realiseren. Samen vormen zij een informele macht die in Nederland nauwelijks een stem krijgt omdat ze niet in de positie is om deel te nemen aan de besluitvorming. De ervaring leert dat de formele macht nogal behoudend is en hindermacht vertoont als het om systeemverandering gaat, terwijl de informele macht vooruitstrevend is en veranderkracht heeft. Deze informele macht is heel belangrijk in tijden van chaos, maar wordt schromelijk onderschat en het wordt tijd dat zij serieus wordt genomen.

De Triodos Bank liet een onderzoek uitvoeren door het bureau Motivaction, waarbij duizend mensen naar hun mening werd gevraagd. De hoofdeconoom Hans Stegeman en onderzoeker Ernst Hobma geloven op basis van de uitkomsten hiervan dat een kantelpunt ten goede dichterbij is dan de meesten van ons denken. Er is, stellen ze, een groeiend draagvlak voor grote transities.* Eerst gaat het heel lang heel traag, en dan in één klap razendsnel. Je hebt voor kantelpunten in sociale systemen geen meerderheid nodig. Ze zeggen (in navolging van de hiervoor gegeven theorie): ‘Een significante minderheid – vaak rond de 25 procent – kan al voldoende zijn om een normverschuiving in gang te zetten.’

Op de stelling ‘de CO₂-uitstoot moet veel sneller omlaag dan nu gebeurt’ reageert bijna de helft van de mensen met ‘zeer eens’ of ‘eens’. Ongeveer een derde is nog onbeslist, en bijna 20 procent is het ermee oneens of zeer mee oneens.

‘Dat lijkt op een sterk verdeelde opinie, maar je kunt het ook positiever bekijken: de groep voorstanders van snellere actie is inmiddels groter dan de groep tegenstanders’, zegt Stegeman in de NRC. ‘Dit is een belangrijke indicatie dat een kantelpunt in gedrag dichtbij kan zijn.’

Echter, in een enquête zéggen dat je een transitie ondersteunt, is nog iets anders dan je gedrag aanpassen, zo blijkt telkens weer uit cijfers over daadwerkelijk gedrag van onder meer het CBS en het SCP, en ook uit het Triodos-rapport. Want hoewel respondenten aangeven de transities gemiddeld best belangrijk te vinden en te willen ondersteunen, is er maar een kleine groep die daadwerkelijk zijn eigen gedrag volledig verandert. Bij zowel de energietransitie als grondstoffengebruik geeft een meerderheid aan het eigen gedrag pas te gaan veranderen wanneer de minder ecologisch belastende optie de goedkoopste wordt, dan wel als ze gedwongen worden of er geen andere manier meer is.

De ‘grootscheepse verbouwing’ waar Nederland voor staat, is volgens de bank onder te verdelen in vijf grote transities. De eerste drie zijn energie (de omslag naar zonne- en windenergie), grondstoffen (stappen richting een circulaire economie) en voedsel (de omschakeling naar meer plantaardig en meer lokaal geproduceerd voedsel). Daarnaast onderzocht het rapport de bereidheid tot ‘maatschappelijke transitie’ en de ‘welzijnstransitie’: respectievelijk de omschakeling naar meer sociale cohesie, en een grotere nadruk op een prettig leven en gezondheid in plaats van alleen economische groei en geld.

De richting die Triodos met hun interpretatie van dit onderzoek kiest is duidelijk ideologisch gekleurd; dat geven de onderzoekers zelf toe. Het is allerminst zeker dat dit de uiteindelijke richting van de economische en maatschappelijke ontwikkelingen zal zijn. Maar het rapport wijst op een opvallend gegeven: Voor alle vijf de transities die Triodos benoemt, geldt dat meer Nederlanders vóór dan tegen verandering zijn.

Wat vooral in het oog springt, gezien de opmars van klimaatscepsis en conservatisme in het politieke debat, is dat slechts een beperkte groep respondenten expliciet tégen de vijf onderzochte transities is. Deze tegengroep varieert per onderwerp wel duidelijk in grootte: 10 procent stelt zich negatief op tegenover de welzijns- en maatschappelijke transitie en 25 procent tegen de voedseltransitie. Binnen de voedseltransitie zorgt met name het opgeven van vlees en zuivel voor weerstand: bijna de helft van de Nederlanders is het oneens of zeer oneens met het idee van een vleestaks. Dat is dus zoveel dat het zelfs kan leiden tot een kantelpunt de ándere kant op.*

‘Het kan nog tien jaar duren voordat je echt die verandering krijgt’, zegt Stegeman. ‘Zeker als overheidsbeleid precies de andere kant op gaat. Maar de potentie voor snelle en radicale verandering bouwt zich in de samenleving in elk geval op.’ Klopt dat wel? Het lijkt er op dat een ongemerkte paradigmawisseling in het rechtstaatprincipe roet in het eten gooit, want de broodnodige overheidshouding raakt steeds verder uit zicht, zo zien we in de volgende drie afleveringen.

Onze democratische rechtsorde is een subtiel stelsel van wettelijke en ongeschreven regels, van een grondwet en fingerspitzengefühl, van reglementen en normen en waarden. Het is historisch gegroeid en heeft zich met de tijd aangepast aan de omstandigheden. Maar het is ook een paradigma waarin geloofd moet worden, een systeem dat alleen overeind blijft als het begrepen en omarmd wordt. Als dit geheel niet bij velen geïnterneerd is, zodat ze er automatisch naar handelen, kan het ook kantelen, en wel naar een autocratisch bestel.

Die trend signaleert Minister van Staat en nestor van onze rechtsstaatbehartigers Herman Tjeenk Willink (83). Hij heeft in de loop van zijn leven een langzame vervanging meegemaakt van de democratische rechtsorde door een vrije-marktorde – en dat heeft veel weg van een paradigmawisseling (al gebruikt hij dat woord niet). De kanteling is nog gaande, maar de seinen staan op rood, is zijn (en mijn) interpretatie.

Tjeenk Willink citeert de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben (1942) die zegt ‘dat er een wezenlijk verschil is ontstaan tussen de economisch-bestuurlijke en de politieke-juridische wijze van benaderen. De economische, managementachtige wijze heeft de overhand gekregen in de maatschappij. Terwijl ons systeem is gebaseerd op de politiek-juridische benadering.’ Dat wringt niet alleen, het bedreigt die rechtsorde, en dat terwijl zelfs het besef van wat dat inhoudt, bezig is te verdwijnen. De NRC interviewde Tjeenk Willink hierover op de verkiezingsdag in 2025 (29 oktober).* Het interview begin met de kwestie van wat er bedoeld wordt met democratische rechtsorde en waarom die belangrijk is.

Volgens Tjeenk Willink gaat het daarbij om twee dingen. ‘Ten eerste onze gemeenschappelijke waarden, de grondregels voor de wijze waarop de overheid met haar burgers omgaat en burgers met elkaar omgaan. Denk aan begrippen als tolerantie, rechtvaardigheid, grondrechten. De andere kant van de democratische rechtsorde is wat ik het ‘institutioneel arrangement’ noem. Het stelsel waarin politiek, bestuur en rechtspraak met elkaar in evenwicht moeten zijn.

De democratische rechtsorde is belangrijk in een tijd waarin er externe bedreigingen zijn. We zijn veel te goed van vertrouwen geweest dat het wel goed zit. Je moet het fundament van de democratie onderhouden, anders gaat het rotten. Zeker nu er krachten zijn die zeggen: die democratische rechtsorde zit ons alleen maar in de weg.

Democratie geeft ruimte aan verscheidenheid, het recht geeft gelijkheid en zekerheid. Het een kan niet zonder het ander, en ze moeten met elkaar in evenwicht zijn. Daarover gaat de democratische rechtsorde. Dat hele stelsel is gebaseerd op de gedachte dat macht zonder tegenmacht absolute macht wordt, en dat willen we niet. Dat geldt ook voor de gekozen meerderheid. Je kunt niet zomaar zeggen: de meerderheid van de volksvertegenwoordiging is vóór.

Voor veel politici staat politiek [tegenwoordig] gelijk aan meebesturen en regelen. Terwijl politiek is: keuzes maken voor het algemeen belang op grond van de visie die je hebt op de samenleving waarin je wilt leven. Ministers moeten de grenzen van het recht in acht nemen, ook van internationale verdragen. Het stelsel is niet gebaseerd op hiërarchie, maar op wederzijdse afhankelijkheid, anders valt de boel uit elkaar.’

De teloorgang begon met het streven naar een kleinere overheid in de jaren ’80. Dat werd toen niet gezien als een politieke keuze, maar als een economische noodzaak – waarbij de vraag wat de eigen verantwoordelijkheid van die overheid is naar de achtergrond verdween. Diensten werden uitbesteed, geprivatiseerd – en altijd naar de markt, nooit naar de civil society, nooit naar coöperaties van burgers. ‘In die opvatting is de overheid ook een bedrijf dat efficiënt moet functioneren. Maar de democratische rechtsstaat is nu juist geen bedrijf, want de democratische rechtsstaat gaat over waarden.’

We zijn nu allemaal tegen de uitwassen die dat beleid met zich meebracht, ‘maar aan de vraag wat de verantwoordelijkheden van de overheid wél zijn, wordt [intussen] weinig aandacht besteed. Voor mij’, zegt Tjeenk Willink, ‘zijn de kernverantwoordelijkheden van de overheid in 1983 gedefinieerd in de sociale grondrechten: het recht op onderwijs, gezondheidszorg, woonruimte – publieke verantwoordelijkheden waarvan we de uitvoering voor een groot deel hebben geprivatiseerd. De overheid is voor de invulling van haar verantwoordelijkheid afhankelijk geworden van de private sector. Dat zie je bijvoorbeeld bij de kinderopvang. Velen pleiten ervoor dat die gratis wordt – dat is dus blijkbaar een publieke voorziening. Maar kinderopvang is ook big business.’

Meerderheden die pal staan voor de democratische rechtsorde lijken soms ver te zoeken. Hoe kan dan het algemeen belang bewaakt worden, nu onze toekomst van alle kanten bedreigd wordt?

Tjeenk Willink vervolgt: ‘Het beleid van de afgelopen dertig jaar heeft tot uitwassen geleid en is heel kostbaar geweest. De toeslagenaffaire heeft miljarden gekost, en de immateriële kosten zijn nog veel groter. Om de democratische rechtsorde te verdedigen – die ook een sociale rechtsorde is – moeten we de klachten van burgers serieus nemen. Politici moeten de democratische rechtsorde onderhouden. Als je dat niet doet, dan vind je die blijkbaar niet de moeite waard. Dan moet je niet verbaasd staan dat mensen zeggen: wat hebben we eraan?

Er zijn streken in Nederland waar geen publieke voorzieningen meer zijn. Waarom zou je een overheid vertrouwen die onzichtbaar is? Er moet anders gedacht worden over wat een overheid in de democratische rechtsorde als verantwoordelijkheid heeft en voor welke minimale voorzieningen de burger op de overheid kan rekenen, waar die ook woont. Hoort daar een wijkagent bij? Huisvesting, een pinautomaat, een bibliotheek?’

Tegelijk morrelen sommige politici ook nog eens openlijk aan de rechtsstaat. Door niet te willen tekenen voor lintjes voor vijf mensen die zich sterk hadden gemaakt voor de opvang van vluchtelingen, zaaide minister Faber (Asiel en Migratie, PVV) in het kabinet Schoof twijfel aan de goede bedoelingen van burgers, in dit geval van burgers die zich inzetten voor vluchtelingen. Het eigenlijke punt was dat Faber de maatschappelijke democratie, het initiatief van burgers, ter discussie stelde. Echter, zegt Tjeenk Willink, ‘in een democratie is de overheid niet de enige die bepaalt wat het algemeen belang is, burgers hebben daar zelf ook iets over te zeggen.’*

Tegelijkertijd zaaide de BBB twijfel over de integriteit van de Raad van State, en daarmee twijfel aan het bestaansrecht van het instituut. ‘Natuurlijk is er kritiek mogelijk op instituties, zo zit het stelsel in elkaar. Maar dan wel kritiek op basis van feiten – hier ging het om beelden en sentimenten. En daar is iets gaande. Vroeger werden adviezen van de Raad van State ook al regelmatig genegeerd, als die adviezen gingen over uitvoerbaarheid of wenselijkheid. Maar de adviezen werden meestal gevolgd als het ging om juridische bezwaren, zoals: het is in strijd met een verdrag of met de Grondwet.

Ik heb de indruk dat dat veel minder serieus wordt genomen, en dan bevinden we ons op een hellend vlak. Ik zie het ook bij kritiek van politici op de rechterlijke macht. Je mag uiteraard kritiek hebben op rechterlijke uitspraken – dat is alleen maar goed als het met argumenten gebeurt. Maar niet vanuit de gedachte: die uitspraken zitten me maar in de weg. Politici en bewindslieden moeten weten wat de functies en eisen van democratische rechtsorde zijn.’

Partijen zijn ‘de afgelopen decennia hun identiteit steeds meer aan elkáár zijn gaan ontlenen. Het is een ‘zelf-referentieel systeem’ geworden – zeker naarmate partijen minder een ideologische binding hebben of vaste achterban. Als je alleen een visie hebt op losse onderwerpen als woningbouw of gezondheidszorg maar niet een heldere visie hebt over de maatschappij waarin we willen leven, dan wordt je referentiekader de andere partij. Lijsttrekkers zeggen dat er meer moet worden samengewerkt, maar tegelijkertijd zeggen ze: in die of die combinatie moet het niet. Daar zit een wonderlijke tegenstrijdigheid in. Partijen suggereren dat de inhoudelijke verschillen groot zijn, terwijl de afstanden in het brede midden eigenlijk gering zijn. Het is een geconstrueerd beeld.’

‘Democratie is debat voeren. We discussiëren wel in het parlement, maar dat is iets anders dan debatteren. Debatteren is met argumenten en tegenargumenten proberen tot een gemeenschappelijke conclusie te komen, niet het uitwisselen van monologen. Hetzelfde geldt in zekere zin voor de doorrekening van het Centraal Planbureau (CPB). Dat vinden we ook een soort examencijfer, wat onzin is. Het debat voer je niet door te zeggen: wij zijn beter geslaagd dan jullie.’

Dat hellende vlak van Tjeenk Willink is de instabiele toestand uit figuur 9. Een kritische transitie naar een autoritair bestel ligt dan op de loer.

Over de aanval van extreemrechtse demonstranten op het partijkantoor van D66 en andere gewelddadige protesten uit 2025, zegt Tjeen Willink: ‘We hebben te lang als vanzelfsprekend aangenomen dat hier de rechtsstaat niet bedreigd wordt, omdat dat na 1945 niet meer echt gebeurd is. We kregen het idee dat ze in andere landen misschien merkwaardig doen, maar dat dat bij ons niet voorkomt.

Je ziet nu allerlei negatieve effecten van die verwaarlozing (1), of het nu de toeslagenaffaire betreft of grote overheidsprojecten die niet goed lopen. Daarbovenop komt de druk van autoritairder denkende mensen (2), en komen externe dreigingen (3).

Ik denk dat we over de cumulatie van die drie factoren veel te naïef zijn. De rechtsstaat is belangrijk omdat de andere bindmiddelen in onze maatschappij minder zijn geworden: een gezamenlijk geloof, ideologie, geschiedenis of herkomst. En dus heb je om samen te leven en het stelsel draaiend te houden een gemeenschappelijk fundament nodig. De democratische rechtsorde.’

Om ons te verweren tegen de afbraak ervan, moeten we eerst nagaan wat we bedóélen met democratische rechtsorde. ‘Achter de sociale grondrechten uit 1983 zit de gedachte dat de klassieke grondrechten alleen betekenis hebben als aan de meest fundamentele behoeften is voldaan: eten, huisvesting, noem maar op. Daarom zijn die sociale grondrechten met algemene stemmen, van links tot rechts, in de grondwet opgenomen. Merkwaardig is dat tijdens de omvorming van de sociale voorzieningen er nooit een debat over de sociale grondrechten is geweest. Nooit is die koppeling gelegd.’

De nadruk moet liggen op wat die overheid wél moet doen. ‘Van welke publieke verantwoordelijkheid kan ze zich niet ontdoen? En dan zou je je moeten richten op de punten waar autoritaire regimes zich altijd op richten: de rechtelijke macht, de journalistiek, wetenschap, cultuur en de maatschappelijke democratie. Dan kan je tijdig proberen je tegen aanslagen te verdedigen, én die pijlers versterken.’*

Want niet iedereen heeft een democratische agenda. In dat kader moet ook de positie van burgers versterkt worden. Dat doe je door ‘burgerinitiatieven niet al te veel dwars te zitten. En er gebeurt ongelooflijk veel. Ik ben uitgenodigd voor een bijeenkomst over klimaat: ‘De top van onderop’. De titel laat zien dat een gedeelte van die democratie gebaseerd is op wat in de maatschappij gebeurt. Dé burger bestaat niet. De burger is een kiezer, iemand die toegang moet hebben tot het recht, de actieve burger, of de burger die bescherming behoeft. In alle vier die capaciteiten is de positie van die burger de afgelopen decennia achteruit gekacheld.’

‘We gaan ervan uit dat burgers allerlei dingen zelf kunnen. Dat blijkt niet het geval te zijn, wat leidt tot gevoelens van onmacht en ongenoegen. Structurele problemen worden niet structureel opgelost, maar ad hoc, of afgekocht. Je denkt toch niet dat burgers dat niet zien? We zitten al dertig jaar lang met een stikstofprobleem. En de politiek toont weinig belangstelling voor uitvoerbaarheid en uitvoering – een van mijn troetelkinderen – terwijl daar het contact met die burger plaatsvindt.’ Aan die uitvoerbaarheid schort het maar al te vaak. ‘Voeg daar nog bij dat de contacten met burgers vaak gedigitaliseerd zijn. Dat is handig en efficiënt, maar soms is het een onneembare barrière. En de individuele mens wordt niet meer gezien. Er moet menselijk contact zijn om het individuele geval te kunnen zien, omdat democratie gaat over verscheidenheid.’

De uitvoering van voorzieningen waarvoor een publieke verantwoordelijkheid is, zegt Tjeenk Willink, ‘is overgedragen aan private ondernemingen. Zowel overheid als private onderneming willen dat aan hun criteria wordt voldaan; dat leidt tot controle op controle en toezicht op toezicht. Je zou kunnen beslissen dat sommige dingen weer door de overheid moeten gebeuren. Dat is de paradox: soms moet je de overheid belasten met iets, zodat je dingen die voor de burger belastend zijn, kunt afschaffen.’

Tot de bescherming van de grondrechten hoort ook die van een veilige toekomst – terwijl die nu bedreigd wordt vanuit de sociaal-psychologische, economische, geopolitieke, ecologische en biofysische hoek. En wat denk je van AI? De overheid moet verantwoordelijk gedrag vertonen. En juist het Amerikaanse AI is gedwee omarmd.

Staat het gangbare economische model op het spel door de ontwikkelingen bij AI. Ik ben een absolute leek op dit technische gebied. Daarom geef ik hier de opinie van insider Michiel Bakker weer.* En in de volgende afleveringen put ik ook uit krantenartikelen. Bakkers schreef zijn stuk in de NRC van 27 maart 2026. Hij zegt:

‘Terwijl ik dit schrijf, lanceert Anthropic – een van de grote Amerikaanse ‘labs’ waar de belangrijkste AI-modellen worden ontwikkeld – een product waarmee hun AI-systeem je muis en toetsenbord overneemt. Het opent bestanden, navigeert software, vult formulieren in. Het is nog een vroege versie maar het werkt. De stap van ‘AI die code schrijft’ naar ‘AI die je hele computer bedient’ wordt nú gezet. En het gaat, zoals alles binnen AI, heel snel beter worden.*

Ik werk als AI-veiligheidsonderzoeker bij een universiteit in Amerika en bij een van de grote Amerikaanse labs waar deze modellen worden gebouwd. Zelfs de mensen die er middenin zitten hebben moeite om bij te houden hoe snel het gaat. De samenleving gaat er over een paar jaar fundamenteel anders uitzien – hoe we werken, creëren, en besturen – en bijna niemand heeft dat echt door. De wereld is niet klaar. Nederland ook niet.

Sinds december schrijven zelfs de beste software engineers die ik ken bijna geen regel code meer zelf. Op mijn laptop geven AI-agents zelfstandig richting aan hele projecten: ik kijk mee, stuur bij, maar het programmeerwerk doet de machine. Zelfs een half jaar geleden was dat nog ondenkbaar.

Dat dit juist bij programmeren begon is geen toeval. De grote AI-bedrijven hebben de afgelopen jaren alles op alles gezet om softwareontwikkeling te automatiseren: AI die kan programmeren, kan namelijk ook zichzelf verbeteren. Betere AI schrijft betere code, die betere AI oplevert, die weer betere code schrijft. Die feedbackloop komt nu op gang. In eerste instantie maakt het vooral de menselijke AI-onderzoekers effectiever maar, zodra de motor echt draait, worden de ontwikkelingen nóg sneller dan ze nu al zijn.

En wie denkt dat het bij software blijft, mist het punt. Een systeem dat goed kan programmeren is een hele stap naar al het andere wat wij op computers doen: bestanden verwerken, informatie controleren, berichten versturen naar anderen. Het overgrote deel van wat we ‘kenniswerk’ noemen is nu eenmaal werken met computers. AI kan vandaag al een contract analyseren, een spreadsheet bouwen, een rapport samenvatten, een mail opstellen. Wat het nog niet goed kan is wat jij de hele dag doet: al die losse stappen aan elkaar rijgen, van het ene programma naar het andere springen, context meenemen. Precies dát is wat Anthropic deze week lanceert – een AI die je computer bedient zoals een mens dat doet. Binnen een paar jaar zullen zulke systemen niet te onderscheiden zijn van een menselijke collega die op afstand werkt.

Het punt waar dit naartoe beweegt heeft een naam: AGI, artificial general intelligence. Geen machine die ‘denkt’ of ‘voelt’, maar nuchterder: een systeem dat op menselijk niveau functioneert in vrijwel alle cognitieve taken, van kenniswerk tot wetenschap. Dario Amodei, ceo van Anthropic, verwacht dat we daar in 2027 zijn. Dat betekent niet dat alle kenniswerkers dan op straat staan: organisaties hebben tijd nodig om deze technologie te integreren. Maar de vraag is niet óf ons werk ingrijpend gaat veranderen, maar hoe snel, en of we er klaar voor zijn als het zover is. Nederland praat inmiddels volop over AI, maar vaak alsof het een gadget is – een handig hulpmiddel, een nieuw stukje software.

De vragen die op ons afkomen zijn fundamenteel. Hoe bouwen we midden in een energiecrisis genoeg datacentra om te zorgen dat we niet volledig afhankelijk worden van buitenlandse AI? Hoe benutten we de enorme kansen zoals versneld medisch onderzoek en verkleinen we de risico’s zoals AI-gestuurde cyberaanvallen? Hoe denken we over zingeving en herverdeling als ‘economisch nuttig zijn’ minder vanzelfsprekend wordt? Hoe zorgen we dat deze technologie ons dient in plaats van andersom?

Juist op dat niveau schiet Nederland tekort. Er zijn geen Nederlandse economen die serieus doorrekenen wat het betekent als kenniswerk binnen een paar jaar geautomatiseerd kan worden. Er zijn geen maatschappelijke toppen waar overheid, bedrijfsleven, vakbonden en wetenschap samen aan tafel zitten. In het AI-Deltaplan pleiten we onder andere voor een AI-impactinstituut dat precies dit zou doen. De coalitie heeft dat advies laten liggen. En dat zegt alles: we behandelen AI nog steeds als een economisch dossier, niet als de maatschappelijke omwenteling die het is.

Dit gesprek moet nú beginnen. Niet over een jaar wanneer de eerste kantoren leeglopen, niet na de volgende verkiezingen, nu. De komst van AGI is het ingrijpendste dat onze generatie gaat meemaken. En het enige dat we niet kunnen doen, is wachten tot het zover is.’

Het ziet er dus naar uit dat deze kanteling ons gaat overkomen. We zijn gewoon onvoldoende bezig met wat kantelpunten eigenlijk zijn. En er is nog veel meer gaande.

Het loopt intussen al aardig uit de hand. Daar geeft de pers met grote regelmaat voorbeelden van. Ik noem er een paar.

In de eerste helft van 2026 waren er tal van enorme datalekken. Zo slaagde hackersgroep ShinyHunters erin om via de onderwijssoftware Canvas privégegevens van miljoenen studenten en docenten wereldwijd buit te maken. In Nederland werden zeker zeven universiteiten (waaronder de UvA, VU, Erasmus Universiteit en Universiteit Maastricht) en meerdere hogescholen (zoals Fontys en Hogeschool Utrecht) getroffen. De gekaapte gegevens bevatten namen, e-mailadressen en studentennummers. Moederbedrijf Instructure kocht de data uiteindelijk terug via een deal om verdere verspreiding te voorkomen.

Zo bericht AI ons op mijn vraag naar datalekken!

Ook doken na een grootschalig datalek privégegevens van naar schatting 6,5 miljoen Nederlandse klanten van Odido op het darkweb op. Er werd tevens ontdekt dat kwaadwillenden meerdere keren onbevoegd binnendrongen bij de overheid via een kwetsbaarheid in de Citrix-software. En verfgigant AkzoNobel werd slachtoffer van een gijzelsoftware-aanval die delen van de bedrijfsvoering verstoorde. Op de lijst staan verder Rituals, Booking.com, Basicfit en zorgsoftwareleverancier Chipsoft als grote gevallen alleen al in de maand april.* Daarnaast laat recent cybersecurity-onderzoek zien dat Nederlandse organisaties gemiddeld 24 dagen lang ongemerkt gehackt zijn voordat zij de inbreuk ontdekken.

In de maand mei 2026 vergaderden vertegenwoordigers van de Europese Commissie over AI-doemscenario’s.* Onderwerp van discussie was het Amerikaanse bedrijf Anthropic, groot in kunstmatige intelligentie, en zijn nieuwste AI-model Mythos. Volgens het bedrijf heeft het ‘preview model’ al “duizenden ernstige kwetsbaarheden” ontdekt in vrijwel “elk belangrijk besturingssysteem en webbrowser”. Om die reden vrezen critici dat hackers het model zullen misbruiken om digitale systemen binnen te dringen.

Dat is dus een reuzestap verder dan het bovengenoemde hacken.

Om ‘ernstige gevolgen’ voor de economie, openbare orde en nationale veiligheid te voorkomen, kondigde Anthropic in april Project Glasswing aan. Deze alliantie met techbedrijven als Apple, Microsoft, Google en financiële instellingen als JPMorgan Chase, is een ‘dringende poging AI in te zetten voor defensieve doeleinden’. Want terwijl het model digitale kwetsbaarheden razendsnel kan opsporen en zo de online weerbaarheid kan versterken, kan het ook een katalysator zijn voor digitale aanvallen.*

Dat Mythos, een zogeheten frontiermodel, wordt door experts als grensverleggend beschouwd. ‘Er is sprake van een ‘structurele tempoverschuiving’, waarschuwen Europese overheden. ‘Reactiecycli van dagen worden uren, weken worden dagen’, stelde het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC ) half april in een bericht over Mythos. ‘Directe actie’ is nodig.*

Europarlementariër Van Sparrentak somt op: ‘Mythos opent de deur naar grootschalige cyberaanvallen. Denk aan gehackte banken, ontregelde transportsystemen en ziekenhuizen zonder stroom. Mythos is slechts het eerste model. En met een Amerikaanse overheid die niet gelooft in het reguleren van AI, zijn we overgeleverd aan [de welwillendheid van] techbedrijven.’

Heel kort hierna werd die existentiële Europese angst al werkelijkheid. Halverwege juni 2026 ‘beval de Amerikaanse overheid dat dit nieuwste AI-model van maker Anthropic ontoegankelijk moest worden voor niet-Amerikanen. Volgens de regering-Trump zorgde het geavanceerde model Fable 5 (en het taalmodel waarop het is gebaseerd, Mythos) voor te grote cyberveiligheidsrisico’s om nog langer door buitenlanders gebruikt te worden. Anthropic protesteerde maar zag zich door het overheidsbevel gedwongen om Fable 5 wereldwijd ontoegankelijk te maken.

Deze ongekende, openlijke overheidsingreep in kunstmatige intelligentie zorgde voor veel internationale reacties, en heeft waarschijnlijk grote gevolgen voor de ontwikkeling van AI, de voorgenomen beursgang van Anthropic en andere AI-reuzen, internationale betrekkingen en meer.

In Europa draaiden de reacties vooral om de gevaarlijke afhankelijkheid van Amerikaanse technologie. De gevreesde kill switch, een ‘rode knop’ waarmee de Amerikaanse president AI kan uitzetten voor andere landen, blijkt er echt te zijn. De Franse presidentskandidaat Gabriel Attal reageerde meteen fel: “De AI-oorlog is begonnen.”’ Aldus de NRC.

En dit is nog lang niet alles.