Paradigmaschimmel of elementen van een toekomstanalyse 6
Kantelen – Komt de patiënt er wel doorheen?

JAN VAN ARKEL

Dit artikel gaat over het kantelen bij systemen. Dat houdt in dat ze plotseling van de ene toestand in een andere overgaan. Een helder meer wordt van het ene op het andere moment troebel. Bevroren water wordt vloeibaar water, of vloeibaar water wordt waterdamp. Vandaag heeft geld een bekende waarde waarop iedereen vertrouwd. Morgen blijkt het waardeloos, hetzij doordat het vertrouwen in rook is opgegaan, of omdat er geen producten meer zijn om het geld aan te besteden.

We beginnen dit artikel met acht afleveringen met voorbeelden van kantelen. In aflevering 2 is dat de coronacrisis. In aflevering 3-5 zijn dat elf kantelpunten binnen het grotere klimaatsysteem. En in aflevering 6 is het de verdringing van het paard door de auto. In aflevering 7-9 volgt een reconstructie van de crisis van 2008 toen het financiële systeem wankelde. Het zijn dus alle voorbeelden van zaken die ons direct raakten of raken.

Bij dat kantelen hoort een stukje theorie. Dat begint in aflevering 10 en 11 aan de hand van een stoel die omvalt. In aflevering 12 komt de kritische massa bij maatschappelijke veranderingen aan bod. Aflevering 13 geeft daarvan als voorbeeld de overgang van benzineauto’s naar elektrische auto’s in Noorwegen, waarna aflevering 14 dat doortrekt naar andere vormen van transitie. Dan volgt in aflevering 15-17 weer een theoretisch blok.

Over kantelen verschenen eind 2025 bijna tegelijk twee boeken waaruit ik put voor dit artikel. Het ene is Positive Tipping Points – How to fix the climate crisis geschreven door Tim Lenton.* Hij levert het eerste blokje theorie. Ook tal van voorbeelden komen van Lenton. Het andere boek is De kanteling – hoe samenlevingen kunnen veranderen geschreven door Marten Scheffer.* Hieruit put ik voor het tweede blokje theorie. Zij zijn beide optimistisch over kantelen. Dat optimisme deel ik niet, zoals aan het eind van dit artikel zal blijken.

In aflevering 18 bekijken we of er in Nederland een kritische massa is om een echte transitie op gang te brengen. Aflevering 19-21 zijn daaraan bijna tegengesteld: hier is de vraag of de democratische rechtsorde de huidige aanval erop wel kan weerstaan. Die rechtsorde is ook een systeem, al kijken we er normaal niet op die manier naar. Dit deel komt geheel voor rekening van Herman Tjeenk Willing.

Daarna krijgt kunstmatige intelligentie (AI) de aandacht. Daar probeer ik in een soort momentopname de kantelpotentie ervan te laten zien in aflevering 22-25: de razendsnelle vorderingen, concrete bedreiging door hacks, het Big Brother-aspect met speciaal aandacht voor de bedrijven Anthropic en Palantir.

Je krijgt kantelpunten meestal pas in de gaten als ze zich voltrokken hebben. Welke signalen kondigen een kanteling aan? Daarover gaat aflevering 26 en ik probeer dat in aflevering 27-29 toe te passen voor een mogelijke financiële crisis.

Ik blijf bij de inbreng van Lenton en Scheffer en vooral de actualiteit toch wel met vragen zitten. Die probeer ik voor de thema’s financiën, AI, klimaat en energie te preciseren in aflevering 30-33, maar het antwoord weet ik dus niet.

Ik breng hier alvast wat theorie in herinnering die we tegenkwamen bij Fleming.* Die begon over holons die als subsystemen kunnen helpen het grotere systeem van nieuw bloed te voorzien om zo het kantelpunt uit te stellen. Volgens de panarchietheorie heb je bij systemen altijd te maken hebt met schijnbaar onontkoombare cycli van ‘opkomst’ en ‘neergang’. Ik citeer uit aflevering 2 van artikel 5: ‘Complexe levende systemen, zoals wouden, ondernemingen, beschavingen of Gaia, nemen hun ruimte in gestuurd door twee variabelen of dimensies: potentiaal en verbondenheid. Potentiaal is een maatstaf voor de rijkdom van het systeem in de zin dat het in staat is interessante dingen te laten gebeuren… Verbondenheid is een maatstaf voor hoe ver de verbanden tussen de verschillende delen van het systeem strekken en hoe sterk ze zijn … Hoe verbondener het systeem, des te groter is het potentiaal, en een groter potentiaal opent de weg naar meer volledig ontwikkelde connecties. Echter, als het potentiaal van een systeem toeneemt, stijgen ook de kosten om het geheel aan de gang te houden. Er zijn bijvoorbeeld meer inputs nodig; het systeem produceert meer afval; en het wordt verleidelijker om op vijanden te jagen. En met het groeien van de verbondenheid begint het systeem tenslotte minder flexibel te worden, gaat het trager reageren.’ Het systeem verstart. Na de fase van de exploitatie, waar het potentiaal en de verbondenheid beide nog goed ontwikkeld zijn, treedt in de fase van conservering die verstarring op. In die overgang zit het kantelpunt.

In de driedimensionale panarchiefiguur zit veerkracht erbij als derde dimensie. Die is nog sterk in de fase van de conservering, maar in de achterlus zien we hoe potentiaal, verbondenheid en veerkracht tegelijkertijd tot praktisch nul ineenstorten.

Gaat de maatschappij het volhouden, zoals Lenton en Scheffer hopen, of zal ze zich moeten reorganiseren naar een volkomen andere, eenvoudiger wereld? We gaan het in dit artikel onderzoeken, al blijft een definitief oordeel uit.

De coronacrisis overkwam ons in 2020 als bij toverslag. Uit onszelf bleken wij – inclusief de meeste van onze leiders – in een lineaire wereld te geloven. Daarom verwachtten we dat ook dit probleem zich in een gelijkmatig, beheersbaar tempo zou ontwikkelen. Terugkijkend kregen we een lesje in exponentiële groei. Want virussen kopiëren zich niet om de beurt. Iedereen met COVID kon de ziekte aan meerdere mensen doorgeven, die het op hun beurt aan meerdere mensen konden doorgeven. Zo verdubbelde bij dit virus het aantal gevallen elke twee of drie dagen. Hoe begon dat, achteraf gezien? Tim Lenton vertelt het ons.

Op 30 december 2019 wist de GGD in Wuhan in China dat ze te maken hadden met een nieuwe variant van het coronavirus. Ze lieten een waarschuwing uitgaan. Die avond ontving Marjorie Pollack van het Program for Monitoring Emerging Diseases (ProMED) in Amerika een foto van deze waarschuwingsmail van een collega uit Taiwan. Ze vond in de Chinese media al snel twee artikelen die ze met Google vertaalde. Een ervan betrof een ‘urgente boodschap over het behandelen van longontsteking door een onbekende oorzaak’. De beschrijving deed haar denken aan de SARS-uitbraak van 2002-2004. Marjorie stuurde daarop een email naar de tienduizenden abonnees van ProMED, met erbij een vertaling van de Chinese berichten. Nog diezelfde avond trof Sharon Sanders, mede-oprichter van de Amerikaanse website Flu Trackers (die overal ter wereld griepuitbraken volgt), soortgelijke berichten aan bij RTV Hong Kong en op de website Chinese Daily. Ook zij zond daarop een internationale waarschuwing rond. De volgende dag, 31 december, meldde de GGD van Wuhan dat er 27 ziektegevallen waren. Sommige internationale nieuwsagentschappen gaven de berichten door, wat in Engeland bijvoorbeeld in de krant kwam onder de titel ‘Mysterieuze ziekte velt 30 mensen in Chinese stad’. Achteraf bekeken waren er op dat moment waarschijnlijk al 266 mensen besmet.

Taiwan legde direct het luchtverkeer uit Wuhan stil en nam nog allerlei andere maatregelen. Zo zochten ze er ook direct uit met wie patiënten contact hadden gehad om zieken te kunnen isoleren. Het eiland, met 24 miljoen inwoners, telde uiteindelijk slechts 800 COVID-patiënten en 7 sterfgevallen. Het Verenigd Koninkrijk daarentegen (met 67 miljoen inwoners) telde 2,5 miljoen zieken en 93.317 sterfgevallen.

In de loop van januari werden overal ter wereld gevallen van COVID gesignaleerd, waarvan het eerste op 13 januari in Thailand. Japan volgde op 16 januari, en onder andere de VS, Zuid-Korea, Taiwan, Singapore, Vietnam, Frankrijk, Australië en Canada volgden in de tien dagen daarna.

Toch hielden de Chinese autoriteiten en de Wereld-Gezondheids-Organisatie (WHO) nog tot 14 januari vol dat er ‘geen duidelijk bewijs was voor de overdracht van mens op mens bij dit nieuwe coronavirus’. En de gemeenteraad van Wuhan-stad organiseerde vier dagen later (op 18 januari) desondanks een nieuwjaarsbanket met 40.000 families op tien verschillende locaties. Het aantal gevallen was opgelopen van 266 op 31 december tot meer dan 17 duizend.

Op 27 januari gaf de vermaarde epidemioloog Gabriel Leung (deken van de Universiteit van Hong Kong) een drie uur durende uitleg op YouTube, waarin hij schatte dat er in China al sprake was van 100.000 gevallen. Pas drie dagen later volgde de definitieve waarschuwing van de WHO.

‘De rest is de geschiedenis die we allemaal kennen’, zo besluit Lenton deze reconstructie.

De mensheid moest zijn grote verbondenheid drastisch inperken om het potentiaal te conserveren. Dit ingaan tegen het vertrouwde systeem kostte grote moeite (veerkracht) en het is interessant om hier vanuit dit perspectief over na te denken. Maar bekijk het dan ook vanuit het perspectief van het virus: zijn grote potentiaal werkte zeer goed in het verbonden Verenigd Koninkrijk en veel minder goed in Taiwan.

We zijn intussen terug in het ‘oude normaal’, maar COVID was een duidelijk geval van niet-lineaire verandering. En het is lang niet het enige voorbeeld. De exponentiële groei waarmee niet-lineaire verandering gepaard gaat, leidt vaak tot een regelrechte kanteling. Dat is het punt waarop een klein verschil grote gevolgen heeft – gevolgen zo groot dat terugkeer naar de oude toestand er meestal niet meer in zit. Gewoonlijk volgt hierbij de ene verandering de andere op, in een kettingreactie die moeilijk te stoppen is. De verandering jaagt zichzelf aan met een uitkomst die goed of slecht kan zijn, afhankelijk van wat er kantelt en in welke richting dat gebeurt. Met het klimaat gaat het nu al decennia lang in de verkeerde richting. En in het milieu gaat het al net zo. De verovering van de markt door elektrische auto’s kun je dan weer als gunstig beschouwen. In sociale gevallen kan een zetje van de overheid enorm helpen om vernieuwingen van innovatoren door vroege gebruikers te laten omarmen. We gaan in dit artikel deze zaken nader bekijken.

Het democratisch paradigma kwam in de coronacrisis op gespannen voet te staan met de genomen dwangmaatregelen. En daar hebben we nu nog steeds last van.

De wereldvermaarde klimaatwetenschapper Tim Lenton is de aangewezen persoon om ons te vertellen welke kantelpunten er in het klimaatsysteem zitten.* Mijn samenvatting van zijn overzicht dient niet om zijn uitleg precies weer te geven, maar om het idee van kantelpunten als zodanig duidelijk te maken (hoewel het ons er meteen ook van doordringt hoe dun het ijs is waarop we ons bevinden).* Lenton kiest ervoor om hierbij de ‘grootschaligheid van het effect’ en niet ‘waarschijnlijkheid’ als criterium te nemen. Want als minder waarschijnlijke kantelpunten met een groot gevolg toch optreden, zitten we diep in de puree.

Klimaatkantelpunten zijn in wezen natuurlijke processen, al geeft de mens er met zijn CO₂-uitstoot de aanzet toe. Vanaf aflevering 5 zijn de kantelpunten maatschappelijk. Voor het principe maakt het niet uit.

Waren er in de klimatologie in 2008 nog slechts negen klimaatkantelpunten in beeld, nu zijn het er al zestien (zie de kaart).We bevinden ons met vijf ervan nu al in de gevarenzone. Dankzij voortschrijdend inzicht werd het in de loop van deze eeuw duidelijk dat het er alleen maar erger op wordt. Onderzoekers proberen steeds te bepalen of er versterkende terugkoppelingen zijn die krachtig genoeg kunnen worden om onomkeerbaar te zijn.

Figuur 1: De zestien kantelpunten en hun plaats op aarde.

Groenland

Als gevolg van het afsmelten van de bovenlaag van de ijskap op Groenland komt het oppervlak steeds lager te liggen, waar het warmer is. Daardoor versnelt het smelten. Sneeuw vult de ijsmassa aan. Smeltwater dat afvloeit en ijsschotsen die afbreken verkleinen de ijsmassa, elk in ongeveer gelijke mate. Als smeltverlies de sneeuwaanvulling overtreft, zal de zaak uiteindelijk kantelen. Van die situatie was de afgelopen twintig jaar sprake. Maar met die simpele voorstelling van zaken is het laatste woord natuurlijk niet gezegd. Het land is ruim vijftig keer zo groot als Nederland, dus is er een grote afstand tussen de uiteinden met verschillen die daaruit voortvloeien.

Het ijsdek in de Noordelijke IJszee

Bij het bevroren zee-ijs is het albedo-effect cruciaal. Donker zeewater neemt warmte veel beter op dan een weerkaatsend oppervlak van drijvend ijs. Zonder ijs in de zomer warmen delen van de Noordelijke IJszee nu vier keer zo snel op als het mondiale gemiddelde. Wetenschappers zijn het niet eens of er in principe (al) een onomkeerbaar kantelpunt bereikt is, of dat de zaak terug zal draaien als de mensheid erin slaagt de CO2-uitstoot op netto-nul te krijgen. Het oordeel over het grote geheel hangt dus nog in de lucht, maar er lijken wel regionale kantelpunten in de maak, zoals in de Barentsz Zee. Hier zou 1,5 graad mondiale opwarming genoeg zijn. Als alle zee-ijs zou smelten levert dat een extra bijdrage aan de mondiale opwarming van een halve graad! Dit is dus een levensgevaarlijk kantelpunt, dat andere kantelpunten zal aanjagen. Zie verder in aflevering 22, ook voor de figuur met het zee-ijsoppervlak van de laatste jaren.

Permafrost

Vijftien procent van het land op het noordelijk halfrond is permanent bevroren: in Siberië, Alaska, Canada en Groenland. Er zit 1.000.000.000.000 ton koolstof in deze vriezer, het dubbele van wat wij tot dusver hebben uitgestoten. Aan het oppervlak zit een ‘actieve laag’ die ’s zomers ontdooit en in de winter weer bevriest. Die slappe laag wordt dikker. Bij vertering gaat zowel CO₂ als methaan de lucht in. Het probleem zit hem in de hellingen in het landschap. Schuift de ontdooiende massa omlaag, dan wordt een nieuwe massa aan dooi blootgesteld èn ontstaan er onderin meertjes die warmte enorm goed absorberen. Die warmte vreet dan weer de zijkanten van deze meertjes aan, waardoor ze groter worden. Dit begon al bij een opwarming van 1 graad Celsius en neemt bij hogere temperaturen alleen maar toe. Wordt het nog warmer dan gaan microben zich tegoed doen aan het veen, wat nog meer uitstoot betekent. Iedereen die enig idee heeft van hoe warm het in een composthoop kan worden, snapt wat hier gebeurt. Het kan zelfs tot brand leiden, die bij droogte ondergronds voortwoekert.

Is er in de wetenschappelijke wereld grote eensgezindheid over de toedracht van de klimaatverandering, politiek ligt dat, vooral in de VS, helemaal anders. Hoe lang kan dat verschil in paradigma’s naast elkaar voortbestaan?

Boreaal bos

Ten zuiden van de permafrost begint de toendra en dan volgt het boreale bos. Die bosrand kan bij opwarming om verschillende redenen snel opschuiven. Dit zou boven 1,5 graad opwarming ineens op grote schaal kunnen gebeuren. Ook al wordt bij boomgroei koolstof gebonden, toch zou dit 0,14 graad aan de opwarming kunnen toevoegen vanwege het donkerder oppervlak. Aan de zuidkant van het bosgebied, waar een steppe begint, veroorzaken droogte en rups- en kevervraat bij de verzwakte bomen vaak enorme bosbranden. Dat kan een enorme uitstoot van CO₂ veroorzaken. Ook gaat er heel veel roet de lucht in, die dan verderop weer op het ijs van Groenland en de IJszee terecht kan komen, dat dan sneller ontdooit.

De Golfstroom

De Golfstroom brengt warm water naar het noorden van de Atlantische Oceaan.* Daar wordt het zo zout en koud dat het naar de zeebodem zakt, waarna het in de diepte terugstroomt naar het zuiden. De Golfstroom verlost het zuiden van een teveel aan warmte en helpt ons aan een prettig klimaat. Hoe het technisch werkt laat ik hier buiten beschouwing. Van belang is dat er twee stabiele toestanden bestaan: een sterke circulatie die diep reikt en een zwakke die dat niet doet. Veel zoetwatertoevoer en een warmer oppervlak kan de sterke circulatie stoppen. Dat gebeurde rond het jaar 1300 en bracht ons de Kleine IJstijd. Momenteel wordt er veel zoet water geloosd door smeltend ijs en meer regenval. Klimaatmodellen geven hier verschillende uitkomsten: ergens tussen een opwarming van 1,1 en 3,8 graden kan de kanteling opgewekt worden. En die kan heel plotseling zijn. Dan wordt het in ons land juist gemiddeld 2 tot 3 graden kouder. De straalstroom verschuift, de winters worden koud en de zomers heet, terwijl de zeespiegel bij Canada en New York met 30 cm zou kunnen stijgen.

Moessons

Als het land sneller opwarmt dan de oceaan stijgt de lucht boven land op, wat ‘onderin’ vochtige lucht uit de oceaan aantrekt. Hoog in de atmosfeer vloeit de lucht dan weer naar de oceaan en zakt, zodat een circulatie ontstaat. De waterdamp in de lucht die boven land optrekt, condenseert en regent uit als de moessonregen. Bij condensatie komen enorme hoeveelheden warmte vrij die lucht opstuwen en die circulatie stimuleren.* Er is per seizoen een kenmerkend kantelpunt waarbij de moesson begint en eindigt. Definitief uitvallen is desastreus. Het uitvallen van de moesson heeft 5.500 jaar geleden de groene Sahara doen verdorren. Veranderingen elders op aarde beïnvloeden de moesson. Als de Warme Golfstroom stil zou vallen, kan ook gevreesd worden voor de moesson dieper landinwaarts in West-Afrika. Maar bij een sterke Golfstroom en opwarming wordt de moesson daar sterker en bestrijkt hij een groter gebied.

Het Amazonewoud

Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan is de moesson gekoppeld aan het Amazoneregenwoud (met 100 miljard ton aan vastgelegde koolstof). Het regenwoud wekt ook zelf regen op die wat verderop weer neer komt. Regen wordt er dus hergebruikt, van 35 tot wel 70 procent. Achttien procent van het woud is al gekapt en het komt er steeds opener bij te leggen. Een groot deel van het woud zou kunnen vervallen naar een stabiele droge-savannetoestand. De klimaatmodellen zijn niet eensgezind: hoe werken verdroging, woudkap en opwarming samen? Als het mis gaat kan 30 miljard ton koolstof vrijkomen in de atmosfeer, die de regio aldaar met 2 graden Celsius doet opwarmen en de aarde met 0,1 graad, met wereldwijde implicaties.

Gletsjers

Een implicatie van Amazoneregenwoudverlies zou kunnen gelden voor Tibet, 15.000 km verderop. De gletsjers van de Himalaya en omgeving zullen dan allemaal harder gaan smelten. Bij 2 graden opwarming zullen trouwens overal ter wereld zo’n beetje alle gletsjers verdwijnen. Dat doet de opwarming weer met 0,1 graad toenemen en laat ook de zeespiegel stijgen. Het gebrek aan smeltwater in de zomer zal op veel plaatsen de landbouw finaal onderuit halen.

Het grote geheel, waarvan de Golfstroom een onderdeel is, verbindt ook de Noordpool met de Zuidspool. Wat naast Groenland wegzakt, komt in de Zuidzee weer boven, waar het Antarctica isoleert en koud houdt. Maar die Zuidzee warmt op…

West-Antarctica

West-Antarctica verschilt nogal van Groenland, omdat veel van het land onder zeeniveau ligt. Dat verduidelijkt onderstaande figuur.

Figuur 2: Schematische weergave van de instabiliteit van het zee-ijsdek van Antarctica.

Er is een scheidingslijn, waar de ijsplaat zich verheft boven het land en als een uitstulping op de oceaan drijft. Daar breken met het langzame opschuiven enorme ijsschotsen af die de oceaan in drijven. Dat vaste ijs bovenop het water remt de afvloeiing van gletsjers vanaf het land sterk af. Verlies vindt in Antarctica op zeeniveau plaats want bovenop smelt dit werelddeel door de koude vrijwel niet af. Het gevaar zit hem erin dat die scheidingslijn de aflopende helling dieper het land in bereikt. Dan verandert het evenwicht en gaat de terugtrekking steeds sneller. Dat lijkt op twee plaatsen al het geval te zijn (Pine Island en Thwaites). Dit kan resulteren in een zeespiegelstijging van 1 meter, of binnen 500 jaar van zelfs 3 meter. Nog erger, de uitstekende gletsjers kunnen helemaal in stukken breken met open scheuren. Dat zou echt een kantelpunt kunnen zijn en deskundigen denken dat we er dichtbij zijn. Sommige klimaatmodellen suggereren dat het bij een opwarming van 1,5 graad zeker onomkeerbaar wordt. En we zitten nu al over de 1,25 graad.*

Oost-Antarctica

Het pakket ijs op Oost-Antarctica is veel groter dan dat op West-Antarctica, en ook daar ligt de bodem soms onder het zeeniveau. Dat geldt in het bijzonder voor het Wilkes Bassin en het Aurora Bassin. Daar ligt genoeg ijs om de zeespiegel met 3 à 4 meter te doen stijgen. Versnelling met het risico van ineenstorting zou er bij 2 graden opwarming kunnen beginnen. De zeespiegelstijging die Antarctica teweeg kan brengen zou niet alleen Nederland overspoelen, maar alle laaggelegen ecosystemen, inclusief grote gebieden met permafrost. Koraalriffen zouden niet snel genoeg kunnen ‘verhuizen’, als ze tenminste nog zouden bestaan.

Koraalriffen

Tropische koraalriffen zijn fantastisch rijk aan biodiversiteit en net zoals het Amazoneregenwoud floreren ze juist in sommige van de armste wateren op aarde. Door alle grondstoffen waar ze behoefte aan hebben in zich op te nemen, te recyclen en vast te houden, komen ze toch tot die ongelooflijke rijkdom. Het koraal (een dier) biedt een veilig onderkomen en essentiële voeding aan haar fotosynthetische algenpartners (de zooxanthellae), die op hun beurt de zonnestraling gebruiken voor het scheppen van een hoogproductief ecosysteem. Ook sponzen spelen er een hoofdrol. Koraalriffen kunnen niet tegen te heet water, niet tegen verzuring, niet tegen voedingsstoffen die het land afspoelen, niet tegen sedimentatie en niet tegen overbevissing en direct toegebrachte schade (zoals bommen). En al die oorzaken zijn er nu en ze versterken elkaar. Het koraal verbleekt; de algen worden de deur uitgezet; het eindigt in de dood. Dat proces is stevig gaande en bij 2 graden opwarming is het over en uit. Vijfhonderd miljoen mensen leven nu van de koraalriffen en een van de mooiste ecosystemen zal er straks niet meer zijn. Ook de gevolgen voor het leven in de oceaan zullen groot zijn.*

Tot zover wat ik ontleen aan Tim Lenton.

Het valt me op dat hij het methaan in vaste vorm dat aan de randen van het continentaal plat zit, niet noemt bij de kantelpunten. Verder lijkt me de verzuring van de oceanen er ook een. In aflevering 9 van het artikel ‘Ontwrichtend gif’ in de rubriek Ontwrichting zegt oceanoloog Howard Dryden dat tussen nu en 2045 de pH van de oceanen zo laag wordt dat kalkskeletten niet meer gevormd kunnen worden. Zou dat niet het hele oceanische ecosysteem kunnen doen instorten, vraag ik mij af, met grote gevolgen voor het klimaat? Blijft de oceaan dan wel CO₂ opnemen, of wordt het er een bron van? Ik heb hier geen antwoord op.

Al de genoemde potentiële kantelpunten zijn onderdeel van het globale klimaatsysteem. Het is wel zeker dat de aspecten potentiaal en verbondenheid hier een rol spelen en kantelen de veerkracht verkleind. Maar op dit niveau geeft Lenton ons geen informatie. Ook al hamert de bedenker van de panarchietheorie, ‘Buzz’ Holling, erop dat een aantasting van het systeem op de verschillende ‘geneste’ niveaus tegelijk wel eens de grootste zwakte ervan kan zijn.

Ik ga nu over op een aantal voorbeelden van maatschappelijke kantelpunten, en wel historische en geen toekomstige (zoals hierboven bij het klimaat).

Steeds zijn er weer die onderlinge verbanden: Als er ergens in het onderling verknoopte systeem van de Aarde iets breekt, dan heeft dat elders gevolgen.

Toen tussen 1885 en 1890 de eerste auto’s geproduceerd werden, waren er drie elkaar beconcurrerende technologieën. Namelijk auto’s op basis van stoom, elektriciteit en benzine. In 1900 werd 40 procent van de verkochte auto’s door stoom aangedreven, 38 procent door elektriciteit en draaide slechts 22 procent op benzine. Elke vorm had in de begintijd een eigen niche en doel. De rijken gebruikten de rustige en schone elektrische auto’s voor uitjes in de stad. Ze laadden ze thuis op en deze motor hoefde gelukkig niet aangezwengeld te worden. De andere twee soorten dienden om mee te racen en voor tochten naar het platteland. Benzine-auto’s kwamen veel verder dan elektrische en in elke dorpswinkel kon je brandstof kopen, omdat die ook voor verlichting gebruikt werd.

Laten we het verloop van de strijd in Amerika tussen de drie typen auto’s tegenover de paardenkracht eens kort volgen.* Stoomauto’s stierven kennelijk een stille dood. Het ging al gauw tussen de andere twee typen. In 1908 kwam er weliswaar een elektrisch model op de markt dat zelfs de 100 mijl bereikte, maar deze auto’s waren duur. Henry Ford lanceerde in datzelfde jaar zijn Model T voor een prijs van 850 dollar. Daarmee kwamen klanten als dokters en rijke boeren in beeld.

De vrouw van Henry Ford hield het intussen op een elektrische auto; veel rustiger en schoner immers. Zelfs Henry scheen erin gereden te hebben. Hij ging ook een samenwerking aan met Thomas Edison om elektrische auto’s te produceren. Maar in 1911 kwam de elektrische startmotor. Die deed het voordeel van de elektrische auto, dat hij gemakkelijker startte, teniet. Met de groeiende markt werd de technologie beter en zakten de prijzen. Luchtvervuiling was duidelijk nog niet in beeld. Er begonnen sterke terugkoppelingen in het voordeel van de benzineauto te werken. Je kunt ze onderscheiden in ‘al doende leren’, ‘schaalvoordelen’ en ‘technologische bekrachtiging’ – een drietal dat je ook bij andere ontwikkelingen kunt tegenkomen.

Al doende leren vond zowel bij de technici als bij de gebruikers plaats. In 1913 kwam Ford in de fabriek met de lopende band, wat de productietijd halveerde. Ford buitte de schaalvoordelen agressief uit. Hij verlaagde de prijzen voortdurend, van die 850 dollar in 1908 naar 360 dollar in 1916. De elektrische startmotor vormde de technologische bekrachtiging.

Complexiteitseconoom Brian Arthur, schrijft Lenton, noemt dit verschijnsel ‘toenemende winst bij acceptatie’, dat wil zeggen dat hoe meer mensen een product of dienst gaan gebruiken, hoe waardevoller het wordt voor nieuwe gebruikers. Dat kan op zich al een kantelpunt veroorzaken. Want bemerken dat anderen het doen, is sociaal besmettelijk. Dat je het dan zelf niet wilt missen maakt de benodigde kritische massa bij het kantelpunt kleiner. Wat dit inhoudt bespreken we verderop.

De strijd van de auto met het paard viel duidelijk in het voordeel van de eerste uit. Het voer voor paarden kostte veel bouwland en moest worden aangevoerd en het mestprobleem dreigde steden boven het hoofd te groeien. De energie die samengebald zat in olie had intussen zoveel voordelen. Uitvinders, ondernemers en gebruikers van auto’s spanden samen om nieuwe vormen van gebruik te vinden. Het resultaat was een transformatie in de persoonlijke mobiliteit.

Dat kantelpunt veroorzaakte weer andere kantelpunten, in een ‘kantelcascade’. Zo moest er een wegennet worden aangelegd, wat transport per vrachtauto vergemakkelijkte. Er waren allerlei onvoorziene gevolgen: Oude banen gingen verloren, nieuwe kwamen ervoor in de plaats. Auto’s werden het symbool van vrijheid, maar met de eindeloze buitenwijken kwam je op drukke wegen in de file terecht. Olie werd een kernsector in de economie, met een andere geopolitiek, olielanden (met Dutch disease) en onderlinge naijver en strijd als gevolg. Op zoek naar grondstoffen gingen we als mensheid de natuur steeds agressiever te lijf.

Het autosysteem kreeg met meer (soorten) auto’s voor meer mensen aanvankelijk steeds meer potentiaal (er kon meer). En met meer (soorten) wegen, meer bezinepompen, enzovoort, kwam er meer verbondenheid. Als er ergens een ongeluk was, kon je via een omweg toch je doel bereiken. Maar daarna ging het zoals kort beschreven in aflevering 2: naar verstarring. Zonder de auto zijn velen nu hulpeloos.

In de slipstream van de auto kwam er ook nog de tractor, met een eigen kantelpunt ten opzichte van het boerentrekpaard. De eerste tractor van Ford kwam in 1917 op de markt en het werd een enorm succes. In 1930 waren er al 1 miljoen tractoren in de Verenigde Staten. De Grote Depressie bracht de opmars tijdelijk tot stilstand, maar samen met hybride zaden en kunstmest bracht de tractor een revolutie in de landbouw teweeg, die ook weer tal van uitwaaierende onvoorziene gevolgen had, zoals we kunnen lezen in het artikel ‘Onvolwassen en authentieke vooruitgang –het grotere geheel zien’ van Daniel Schmachterberger, en dan vooral vanaf aflevering 20.

Er was steeds al grote eensgezindheid in de omarming van het autosysteem in westerse landen. China en de rest van de wereld blijken trouwe volgers. Het is het mondiaal heersende paradigma.

Het neoliberalisme meende de sleutel te hebben voor een zonder mankeren draaiende groeieconomie. Bemoeienis van de staat was nergens voor nodig. Deregulering gaf bedrijven handelingsvrijheid. Grootscheepse privatisering had de bedrijfswinsten tegen het einde van de vorige eeuw flink opgestuwd. Maar er moesten nieuwe bronnen worden aangeboord. Daarbij raakten grenzen opgerekt en met de financiële crisis die hieruit voortvloeide leek dit paradigma te kantelen, al gebeurde dat uiteindelijk niet. Wat gebeurde er toen?

Op 15 september 2008 ging Lehman Brothers, de vierde bank van de VS, failliet. Het was het grootste bankfaillissement in de Amerikaanse geschiedenis. De bank had 600 miljard aan waardepapieren in portefeuille. De Federal Reserve, het stelsel van centrale banken van Amerika, probeerde andere banken te bewegen Lehman over te nemen, maar dat mislukte, niet in de laatste plaats omdat de ‘Fed’ niet garant wilde staan voor de ‘slechte leningen’ voor de zogenaamde ‘subprime’-hypotheken. Voor het grote publiek begint hiermee de financiële crisis – die ook wel bekend staat als de Grote Recessie en bij ons als de Kredietcrisis – maar de aanloop begon al veel eerder. Ik geef hier een beschrijving ervan door Richard Heinberg uit zijn Paradigmaserieboek Einde aan de groei:

‘Tussen 1997 en 2006 steeg de prijs van het gemiddelde Amerikaanse huis met 124 procent. De gemiddelde huizenprijs nam veel sneller toe dan het gemiddelde inkomen. Van 1981 tot 2001 schommelde de gemiddelde huizenprijs tussen 2,9 en 3,1 maal het gemiddelde inkomen per huishouden. In 2004 steeg die verhouding naar 4,0 en in 2006 naar 4,6. Dit betekende dat een toenemend aantal huiseigenaren met de woningen die ze gekocht hadden feitelijk boven hun stand leefden. En dankzij de lage rentestand koos menig huiseigenaar er ondertussen voor zijn woning te herfinancieren of op basis van de waardestijging van het huis een tweede hypotheek af te sluiten, om daarmee een nieuwe auto te kopen of het opknappen van de woning te betalen. Veel van deze hypotheken kenden een verwaarloosbare – zij het flexibele – aanvangsrente, wat betekende dat veel leners even later voor nare verrassingen kwamen te staan.

Wall Street had dit ‘ontzagwekkende geldreservoir’ in de Amerikaanse hypotheekmarkt gepompt, om in alle schakels van de financiële keten enorme vergoedingen op te strijken – van de hypotheekverstrekkers tot de kleine banken die de makelaars financieren, tot de gigantische zakenbanken die deze hypotheken securitiseren, samenbundelen en wereldwijd aan investeerders verkopen. Ook verschafte deze kapitaalstroom miljoenen mensen een baan in de bouw en de vastgoedsector.

De effectenmakelaars op Wall Street begonnen te geloven dat ze in ruil voor hun diensten daadwerkelijk recht hadden op miljoenen dollars per jaar, simpelweg omdat ze erin geslaagd waren uit te vissen hoe ze het schuldsysteem naar de hoogste versnelling konden schakelen en daarvan ook nog een smakelijke percentage voor zichzelf af te romen. Onverantwoord gedrag werd rijkelijk beloond, en dus besloot vrijwel iedereen op Wall Street zich onverantwoordelijk te gedragen.

In 2003 was de voorraad nieuwe hypotheken, die onder traditionele leenvoorwaarden tot stand kwam, goeddeels uitgeput geraakt. Maar de vraag naar mortgage-backed securities bleef onverminderd hoog, en dit leidde uiteindelijk tot het uitkleden van die leenvoorwaarden, tot het punt waarop sommige flexibele hypotheken werden aangeboden tegen een aanvangsrente van nul procent, of zonder dat er een aanbetaling verlangd werd, of dat er hypotheken werden verstrekt aan leners die deze aantoonbaar met geen mogelijkheid konden terugbetalen – of alle drie tegelijk.

Gebundeld in mortgage-backed securities, verkocht aan pensioenfondsen en zakenbanken en de risico’s afgeschermd met derivatencontracten, vormde de hypothecaire schuld bij uitstek de ruggengraat van het Amerikaanse financiële systeem, en in toenemende mate ook van de economieën van tal van andere landen. In 2005 was 62 procent van alle inkomsten van commerciële banken op de een of andere manier aan hypotheken gelieerd; in 1987 was dat nog 33 procent geweest. Met als gevolg dat wat een beperkte crisis had kunnen zijn met voor zo’n 300 miljard dollar aan dubieuze leningen, nu zou uitgroeien tot een financiële catastrofe van vele biljoenen, die niet alleen het financiële systeem van de Verenigde Staten als een tsunami overspoelde, maar ook dat van veel andere landen.

Van juli 2004 tot juli 2006 trof de Fed beleidsmaatregelen die bedoeld waren om de rente op bankleningen te verhogen. Dit droeg bij aan een stijging van de eenjarige en vijfjarige flexibele rentetarieven op hypotheken, wat op zijn beurt de maandlasten van huiseigenaren opstuwde. Omdat vastgoedprijzen doorgaans dalen wanneer de rente stijgt, werd vastgoedspeculatie opeens een stuk riskanter. De zeepbel begon leeg te lopen.*

Wat omhoog gaat…

Tussen de zomer van 2006 en september 2008 daalde de prijs van het gemiddelde Amerikaanse huis met ruim 20 procent. Toen begin 2007 het aantal executieverkopen plotseling sterk opliep, rapporteerden 25 hypotheekverschaffers hoge verliezen, zetten zichzelf in de etalage, of lieten zich failliet verklaren. Het hele stelsel functioneerde prima zolang de onderliggende onderpanden (huizen) jaar in jaar uit in waarde stegen. Maar toen de huizenprijzen hun piek bereikt hadden, begon de omgekeerde piramide van onroerend goed, schuld, derivaten en zogenaamde collateralized debt obligations (beter bekend als ‘rommelhypotheken’) te wankelen, en stortte de hele boel in.

Terwijl de prijzen een duikvlucht maakten, bevond menig kersverse huiseigenaar zich plots ‘onder water’. […] Het aantal huiseigenaren dat op zijn hypotheekbetalingen in gebreke bleef nam spectaculair toe. Van 2006 op 2007 steeg het aantal onteigeningen met 79 procent (en trof bijna 1,3 miljoen woningen). Deze tendens zou in 2008 verder verslechteren, met een stijging van 81 procent ten opzichte van het voorgaande jaar, naar bijna 2,3 miljoen gedwongen executieverkopen en uithuiszettingen. In augustus 2008 was 9,2 procent van alle Amerikaanse hypotheekhouders ofwel nalatig of dreigden ze uit hun huis gezet te worden; in september van het jaar daarop was dit percentage tot een kolossale 14,4 procent omhooggeschoten.

Toen de huizenprijzen eenmaal in een vrije val belandden en de handel in dubieuze subprimeleningen op zijn achterste lag, begonnen de dominostenen in de hele financiële wereld stuk voor stuk te kantelen.

Op 15 september 2008 kwam het complete Amerikaanse financiële stelsel tot op slechts 48 uur van een totale paniekstop. Met het omvallen van financiële gigant Lehman Brothers schudde ook het wereldwijde financiële systeem op zijn grondvesten. Het hele mondiale systeem van kredietverlening bevroor, en de Amerikaanse overheid moest te hulp schieten met een ongekende reeks financiële injecties, die de grootste Wall Street-banken en verzekeringsmaatschappijen moesten redden. Alles bij elkaar bedroeg het Amerikaanse pakket van leningen en garanties een verbijsterende 12 biljoen dollar. Het bbp van het land als geheel dook de rode cijfers in, en in een paar maanden tijd gingen 8 miljoen banen in rook op.’

Tot zover Richard Heinberg. Ik laat nu Tim Lenton het verhaal overnemen.

‘Op 17 september trokken investeerders 144 miljard aan Amerikaans geld terug. Dat was twintig maal zoveel als in de week ervoor. Het kredietsysteem voor de korte termijn kwam tot stilstand. Te midden van deze crisis legden de minister van Financiën Henry Paulson en de voorzitter van de Federal Reserve Bank Ben Bernanke op 18 september aan de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden Nancy Pelosi een verzoek voor om een fonds te vormen van 700 miljard om de giftige hypotheken mee op te kopen. Twee dagen later ging het verzoek naar het Congres. Op 29 september wees het Huis van Afgevaardigden het verzoek af, wat (opnieuw) een enorme koersval veroorzaakte, niet alleen in de VS, maar wereldwijd. Na nog meer koersdalingen gaf het Huis op 3 oktober toch haar fiat. Maar in de week erna bleven de koersen maar dalen. Het was ongekend. Op 11 oktober zei het hoofd van het Internationaal Monetaire Fonds dat het financiële systeem wereldwijd op de ‘rand van instorten’ stond. En op 24 oktober stortten de beurskoersen helemaal in en ontwikkelde zich een monetaire crisis omdat investeerders geld naar sterkere munten overbrachten.’

De crisis kwam niet van de ene op de andere dag. Dat zagen we al. In 2007 gingen al diverse investerings- en spaarbanken failliet. Zo nam de investeringsbank Bear Stearns twee hedgefondsen over die leden onder slechte hypotheken. In die zomer werd ook duidelijk dat banken minder geneigd werden om elkaar geld te lenen. Op 12 december 2007 begon de ‘Fed’ banken die in moeilijkheden waren te helpen met korte-termijn-kredieten. Op 22 januari 2008 verlaagde de Fed ineens de rente. En op 17 maart was het zover dat de Fed de leningen van Bear Stearns onderschreef zodat JP Morgan Chase de bank kon overnemen. Op 7 september, een week voordat de crisis losbarstte, nam de Federal Housing Finance Agency nog de Federal National Mortgage Association (Fannie Mae) en de Federal Home Loan Mortgage Corporation (Freddie Mac) over.

De kwetsbaarheid bleek toen dus groot. Veel kleine banken waren bijvoorbeeld afhankelijk van leningen van dezelfde handvol grote banken. Het financiële systeem wankelde. Alleen met buitengewone ingrepen van overheden werd dat voorkomen. Maar de kracht die nodig was om de terugkoppeling richting crisis op te heffen, was enorm.

Het vertrouwen verdampte. Er was sprake van een cascade. En het was niet zomaar voorbij. De nasleep was enorm en duurt tot op de dag van vandaag.