Paradigmaschimmel of elementen van een toekomstanalyse 5
Weerstand opbouwen met proeftuinen
JAN VAN ARKEL
Op maandag 9 september 2024 verscheen het langverwachte rapport over het concurrentievermogen van de Europese Unie dat in opdracht van Commissievoorzitter Ursula Von der Leyen geschreven werd door een commissie onder leiding van voormalig ECB-voorzitter Mario Draghi. Zelden maakte een rapport zoveel los. Je bleef maar horen: ‘dit moeten we nu (echt) gaan doen’.* De furie van Trump droeg daar vervolgens aan bij.
Waar gaat het zo’n beetje om? Het rapport bekritiseert het gebrek aan innovatie en de ‘zelfgenoegzaamheid’ van Europa. Om de technologische en economische achterstand in te halen moeten overheden en bedrijfsleven minimaal 750 tot 800 miljard euro per jáár éxtra investeren. Het doel moet zijn om de economische ontwikkeling van de EU weer op de rit te krijgen en duurzame groei te faciliteren, zodat de EU minder afhankelijk is van landen als China en de VS. We moeten daarbij niet vasthouden aan ‘oude’ industrieën én we moeten belemmerende regelgeving voor innovatieve bedrijven opheffen. Start-ups moeten er voor gaan kiezen om in Europa te groeien in plaats van in de VS. De afhankelijkheid bij kritieke grondstoffen van vooral China moet worden verminderd. Om dit te financieren moet er volgens Draghi ook een kapitaalmarktunie worden opgericht, met gezamenlijke schulden.
In het kader van deze aflevering is vooral van belang wat er over decarbonisatie gezegd wordt. Die is volgens Draghi nodig en biedt, behalve hobbels op de weg, ook groeikansen. Zonder een gedegen strategie wordt Europa ingehaald door concurrenten zoals China, die sterk investeren in schone technologie. (China is een geduchte concurrent. Je hoort er nu bijna dagelijks over dat bedrijven in de groene sector hier moeten sluiten.) Ook gemeenten en provincies kunnen een actieve rol spelen in het faciliteren van hernieuwbare energieprojecten. Dit vraagt om snellere en efficiëntere besluitvorming en digitalisering van vergunningsprocessen. Decentrale overheden kunnen ook bijdragen door te investeren in lokale recycling en circulaire economie, met name in schone technologieën. Dit vermindert de afhankelijkheid van geïmporteerde grondstoffen en versterkt de lokale industrie.
Tot zover Draghi. Zonnepanelen uit China worden nu zo goedkoop op de markt gebracht dat een eigen industrie in Europa zich niet kan ontwikkelen. Daarover straks meer. En er is nog een keerzijde. In de komende decennia begint een gigantische berg van afgedankte zonnepanelen te ontstaan. Volgens een ‘bierviltje-berekening’ liggen er nu minstens 60 miljoen panelen in Nederland.* Dat zijn er voor Europa dan waarschijnlijk wel een miljard of meer. Die worden allemaal afval. En daar zullen dan jaar op jaar tientallen miljoenen panelen bij komen. TNO zegt: ‘Traditionele zonnepanelen zijn zo geconstrueerd dat je ze aan het einde van hun levensduur nauwelijks kunt recyclen.’ Dat komt doordat de verschillende lagen erg moeilijk van elkaar los te maken zijn.* En dan zit er in de gebruikelijke glas-folie-panelen ook nog eens antimoon en pfas, dat helemaal niet afbreekbaar is (zoals voor pfas te lezen is vanaf aflevering 12 van het artikel ‘Ontwrichtend gif, de derde crisis’ in de rubriek Ontwrichting). Mét pfas kunnen de Chinezen een levensduur voor hun panelen van 30 jaar garanderen.* Dus dat passen ze liever niet aan.
Er is ook een alternatief. Het bedrijf Solarge in Weert maakt lichtgewicht, circulaire zonnepanelen zonder pfas en antimoon.* De basis waarop de eigenlijke zonnecellen liggen is volkomen anders dan bij de standaardpanelen uit China: er komt geen glas of een metalen omlijsting aan te pas, maar er is een kunststofbasis die aan het eind van de levensduur verkorreld kan worden, waarna van dat materiaal opnieuw zo’n basis gemaakt kan worden. De paar lagen folie zijn bovendien door verwarming gemakkelijk los te pellen en ook recyclebaar. Dat maakt het een echt kringloopproduct. Met die kunststofbasis weegt zo’n paneel slechts de helft van de gangbare panelen, wat ook veel beter is voor de arbeidsomstandigheden bij de installatie. Deze panelen zouden in principe zelfs van biomassa, zoals suikerbieten, gemaakt kunnen worden (waarbij een beperkt areaal volstaat om ons blijvend van de grondstof voor panelen te voorzien). De zonnecellen zijn nog wel gemaakt met een standaard-siliciumschijf, maar het is denkbaar dat deze bijvoorbeeld in Noorwegen met waterkracht geproduceerd gaan worden. Er wordt op dit gebied volop onderzoek gedaan. Vooral perovskieten lijken in opkomst.
Dit circulaire paneel is een Nederlands product op basis van Nederlandse patenten en zo past het mijns inziens naadloos in het model van Draghi. Versterking van deze productie helpt de decarbonisatie, de werkgelegenheid en de energie-onafhankelijkheid van Europa.
De inkomsten uit de besparingen op fossiele energie kunnen de basis leveren om de investeringen op dit gebied te financieren. Lees dat in de volgende aflevering.
Nu volgt een plan van mij om circulaire zonnepanelen als die uit de fabriek van Solarge (en eventueel van nog meer van dit soort bedrijven) een solide marktpositie te geven.* Mijn idee luidt als volgt:
Overheden in Europa gaan een flink aantal circulaire, gifvrije, CO₂-arme en pfas- en antimoonvrije panelen per maand kopen, bijvoorbeeld 20.000 of 50.000 per maand in Nederland, of 200.000 of 500.000 in Europa, en dat minstens vijf jaar lang. Uitsluitend producenten van circulaire, gifvrije panelen uit de Nederland/EU mogen hierop intekenen.* Zijn er meer goede kandidaten dan wordt de opdracht niet aan één bedrijf gegund maar verdeeld, opdat vele innovatieve bloemen zullen bloeien.
De prijs die aan deze fabrikanten betaald moet worden vormt een heikel punt. De dumpprijzen van de Chinese panelen lagen in 2025 zelfs een stuk onder hun eigen kostprijs. (Zie voor een klein overzicht van de actuele stand van zaken aan het eind van 2025 onder het kopje ‘Chinese zonnepanelen’ op Ecopedia.) Dus met die norm kan niemand meedoen. Mijn idee is dat een bedrijf zo’n beetje zijn eigen, niet exceptionele, kostprijs betaald krijgt, die het dan met de geboden aankoop zelf steeds omlaag moet brengen. Dan mag met een staffel. Op deze manier heeft die fabriek een stevige basis om te produceren, maar maakt het bedrijf op deze productie feitelijk geen winst. Het is geen vorm van ‘in de watten leggen’ die lui kan maken. Het gaat er om de schaalvoordelen te laten groeien. De producent kan zo nodig wel een redelijk grote fabriek bouwen omdat de gegarandeerde afzet voor minstens vijf jaar geldt. Zo’n continuïteit zorgt er dan weer voor dat de markt vertrouwen heeft in het bedrijf. Al producerend gaat de kostprijs echt wel omlaag en dan komen steeds meer commerciële klanten in beeld, in Nederland, in Europa, maar ook erbuiten.
De panelen leveren vervolgens stroom die niet meer met fossiele brandstoffen opgewekt hoeft te worden. Bij de huidige kostprijs van deze panelen en de elektriciteitsprijs is deze publieke betaling een investering die zich nu misschien in 7 à 8 jaar terugverdiend. Dat valt ruim binnen de levensduur van de panelen. (Zie het kopje ‘kosten en baten bij zonnepanelen‘ op Ecopedia.) Ze verdienen zichzelf dus met zekerheid terug. Dat moet vanuit de economische optiek van overheden (of bijvoorbeeld woningbouwverenigingen) aanvaardbaar zijn, als ze het maar door de bril van Draghi willen bekijken. (Maar het zal minder aanvaardbaar zijn, bekeken met de normen van een bedrijf als Shell, dat graag een rendement van 15 procent wil halen.)
We hebben het dus niet over een subsidie, want het is geen gift maar een (iets te dure) aankoop van een eindproduct dat de koper een opbrengst levert. De waarde van de panelen kan je op de balans zetten.* Er zit op dat bezit een rendement door die opbrengst van de zonne-energie die opgewekt wordt als compensatie van de elektriciteitskosten. Dat maakt een volkomen andere financiering mogelijk dan bij reguliere overheidsuitgaven, zoals voor een brug of in de gezondheidszorg. Je moet het benodigde beginkapitaal weliswaar lenen, maar als je er een revolverend fonds (zie ‘Revolverend fonds’ op Ecopedia) van maakt is de hele onderneming na een startfase feitelijk gratis. Je koopt dan immers nieuwe panelen met de inkomsten uit de oude. Natuurlijk hebben panelen een beperkte levensduur, maar je kunt voor minstens twintig jaar en hopelijk langer op inkomsten rekenen.
En het kan helemaal goedkoop als de overheid het benodigde geld zelf schept. Een nationale variant op de door Draghi genoemde kapitaalmarktunie zou natuurlijk een precedent vormen (en dan is het nog maar de vraag of je dan zelf geld schept, of het leent bij de banken). Maar voor een overheid die én voor het klimaat, stikstof en woningbouw, én voor defensie én voor nieuwe industrieën extra geld nodig heeft, lijkt voor specifieke zaken als deze zelf geld scheppen de beste uitweg, vooral in dit geval met kapitaalvorming. Toch gebeurt het niet. Wat is probleem?
In het Verdrag van Maastricht van 1992 is afgesproken dat alleen private, commerciële banken geld ‘uit het niets’ mogen creëren. De overheid mag dat niet. Als de overheid geld nodig heeft voor een plan als dit, moet zij dat lenen van deze banken die dat geld dan dus zelf wel ‘uit het niets’ mogen creëren. Voor de bank staat in hun boekhouding de schuldbekentenis van de overheid tegenover deze lening. Zie het bij dit idee als een hypotheek die de overheid neemt, met de panelen (in plaats van het huis) als het onderpand en waarbij de overheid in de ogen van de banken zijn verplichtingen altijd wel zal nakomen. Leent de overheid bij banken, dan betalen generaties Nederlanders (als er niet wordt afgelost) over dat gemakkelijk gecreëerde geld nog decennialang rente aan de aandeelhouders van die banken. (Ik ontleen dit aan een artikel waarvan een langer gedeelte in deze noot staat.*)
Hier wringt zich dat dit op Europees niveau moeten gebeuren, in een niet erg veelbelovend politiek-economisch krachtenspel. En hiermee zijn we er nog niet met mijn plan. Verder in de volgende aflevering.
Laten we nu eerst de voordelen van deze aanpak voor Nederland (of Europa) op een rijtje zetten:
- Nederland/Europa zet een eigen zonnepanelenindustrie op poten die daarna zelfstandig kan groeien, want de bedrijven krijgen een tijdlang bestaanszekerheid en steeds meer vertrouwen van de commerciële markt.
- Nederland/Europa kiest hiermee voor de slimste manier om een lagere commerciële kostprijs voor eigen panelen te bereiken.
- Nederland/Europa krijgt meer energiezekerheid in een onveiliger wereld.
- Nederland/Europa lost er een toekomstig afvalprobleem mee op en stopt het importeren van pfas en ander onverwerkbaar afval, zoals antmoon.
- Nederland/Europa krijgt een product dat helpt bij verduurzaming en het tegengaan van klimaatverandering.
- Nederland/Europa krijgt door deze aankoop panelen in handen die tactisch kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld door woningbouwverenigingen op daken van slechte woningen.
- Nederland/Europa krijgt door deze aankoop lichtgewichtpanelen die ingezet kunnen worden op plaatsen met weinig fysieke draagkracht, zoals schuren waarop nu asbestplaten het dak vormen. Dat is in Nederland 50 miljoen vierkante meter.* Betrek je hier dergelijke daken van commerciële en industriële gebouwen bij, dan kom je uit op het viervoudige, of meer.
- Nederland/Europa maakt hiermee de goedkoopste en meest effectieve keuze.*
- Het geïnvesteerde geld circuleert waarschijnlijk nog meerdere malen door de economie van Nederland (of Europa), met gunstige gevolgen voor de werkgelegenheid en de besteedbare inkomens, in plaats van weg te vloeien (naar China) en voor eeuwig verloren te gaan! Dit is echt een niet te veronachtzamen aspect.
- Er komt een nieuwe bedrijfstak om trots op te zijn. Ook heel belangrijk voor het Europese verhaal.
- En: zou de overheid nu het benodigde geld zelf scheppen, dan zouden wij bovendien bij de kosten van het geld nog eens drie procent goedkoper uit zijn.
Als het allemaal zo gunstig is, gaat het dan ook gebeuren?
In termen van veiligheid, gelijkheid en vertrouwen bouw je zo aan een holon op nationale (of Europese) schaal. Het membraan zou behalve de productiekant en de grondstoffenleveranciers zowel de overheid als de woningbouwcorporaties en de energiecoöperaties kunnen omvatten. Het zou een samenwerkingsmodel op het specifieke terrein van zonne-energie op de schaal van ons land kunnen opleveren dat mogelijk ook moeilijke tijden kan overleven. Dat hangt wel af van het voortbestaan van vertrouwen en een gedeelde cultuur, maar daar bouwt zo’n model natuurlijk zelf ook aan mee. Bij hoe strak of slap die samenwerking zal uitpakken heb ik wel mijn reserves. Veel vastgeroeste normen moeten een nieuw jasje krijgen. Laten we er nog wat verder over nadenken.
Gaat de politiek zoiets wel doen? Dat is zeer de vraag. Voor overheden is het erg wennen aan het idee. Ze zullen zich formeel (strak) afvragen: ‘Hoe geven we dat financieel handen en voeten?’ En: ‘Wat doen we met die panelen?’ Als het rijk bijvoorbeeld de gunning doet, kunnen de panelen naar de Rijksgebouwendienst, Rijkswaterstaat en de groei bij Defensie. Als je daarentegen gemeenten of woningbouwverenigingen mee wilt laten doen, hoe knoop je dat dan organisatorisch aan elkaar? Je moet het micro-, meso- en macroniveau koppelen, met aankoop/financiering, installatie, onderhoud, verrekening en afschrijving. Maar, zou je denken, een ministerie dat raad weet met de DSE+-verrekeningsmodellen moet dit toch aan kunnen?*
Je hebt ook Aedes als overkoepelend orgaan van de woningbouwverenigingen. Misschien kunnen die de regie nemen. Bij 240.000 panelen per jaar en zes stuks per woning, gaat het om 40.000 woningen; een uitdaging die opgelost moet kunnen worden als je bedenkt hoeveel miljoenen panelen er nu al liggen en er toch al jaarlijks bij komen.* (En dat heb ik het nog niet over een eventuele eerlijke verdeling in Europa, waar ieder natuurlijk zijn of haar eigen voordeel probeert te behalen.)
Een heel andere insteek zou de verplichting kunnen zijn om bepaalde (nieuwe) gebouwen van circulaire zonnepanelen te voorzien èn daarbij 40 procent Nederlandse content te eisen. Denk aan overkappingen van parkeerplaatsen, bedrijfsgebouwen, rijks- en gemeentepanden, tennisparken, enzovoort. Dan zou Nederland dat als een aanvulling op de SDE+-regeling kunnen toevoegen.* Waarbij de spagaat lijkt dat het voordeel niet mag toevallen aan het enige bedrijf dat Nederlandse content kan leveren, maar dat mag dus wel.*
Nog zijn we niet klaar met dit onderwerp.
In het kader van de opmerkingen van Fleming over de intensiveringsparadox is het grote systeem waarschijnlijk niet meer in staat om dit te regelen, wat ook Draghi’s probleem is. (En wat kunnen we van eurocommissaris Wopke Hoekstra als oud-McKinsey-man verwachten? Hij kon de erosie van de Europese transitieplannen in november 2025 in elk geval niet tegenhouden. Dus echt serieus neem het Europees Parlement Draghi kennelijk niet.)
Hoe lastig het is, zie je bij een verbod op pfas in panelen. Dat is natuurlijk hard nodig en zou onder andere neerkomen op een slagboom aan de grens van Europa voor zulke Chinese panelen. Zo’n voorstel werd eerst nog in 2025 verwacht.* Máár… dan treedt dat waarschijnlijk pas over vier jaar in werking! In een wereld die zich dankzij Trump bijna elke dag voor aanpassingen gesteld ziet, is dat verbijsterend lang. Dan gaan door de Chinese overmacht in de tussentijd de pas opgekomen Europese bedrijven misschien nog failliet ook.
Andere redenen om importpanelen aan de grens van Europa te belasten zijn:
- Een jonge, kwetsbare industrie beschermen.
- De CO₂-voetafdruk belasten.
- De toekomstige recyclingkosten alvast innen.
De beschermingsreden lijkt me politiek onhaalbaar. We willen de nodige energie immers zo veel mogelijk duurzaam opwekken. Dan móeten we (voorlopig) wel een heleboel panelen importeren.
Het belasten van de CO₂ die vrijkomt bij de productie en het transport van de panelen lijkt me een goed idee, maar dan is het probleem dat je bij de (Chinese) industrie dat aspect van de productieketen aldaar precies in kaart moet kunnen brengen en het lijkt me niet dat daar medewerking voor komt. Integendeel, de Chinese bedrijven zijn onbetrouwbaar.* Je kunt natuurlijk ook Europese cijfers als norm nemen. Die CO₂-heffing geldt immers evengoed voor op dezelfde manier gemaakte Europese panelen. De recyclebare panelen zou je vrijstelling kunnen verlenen. Ik zie dit voorlopig niet werken in de praktijk.
De recyclingkosten alvast innen is wel goed te doen en lijkt me een zeer valide argument, want de kosten ervan moeten op de producent verhaald worden, niet op de gebruiker (of, zoals nu, de toekomstige belastingbetaler).* Die kosten maak je bovendien hier in Europa en zijn dus wel vast te stellen. Als de gangbare panelen zo moeilijk uit elkaar te halen zijn, zal het hier om aanzienlijke bedragen gaan; misschien 10 of 20 euro per stuk en dat voor Nederland met 7 miljoen panelen per jaar.* Bij 15 euro kom je dan uit op (het mooi ronde bedrag van) 100 miljoen euro aan jaarlijkse recyclingkosten.
De koop van 20.000 panelen uit aflevering 34 zou bij het bedrag 175 euro per paneel een bedrag van 3,5 miljoen per maand vergen. Als de kostprijs zakt wordt dat eerst 150 en dan waarschijnlijk 125 euro per paneel. Laten we dus met het gemiddelde rekenen, wat uitkomt op zo’n 30 miljoen aan kosten per jaar. Dat bedrag moet dan, om de elektriciteit op te wekken, nog wel verhoogd worden met de kosten van organisatie, omvormers en installatie; zeg dat die post op 70 miljoen uitkomt (en voor installatie op daken wordt het al gauw wat meer).* Samen wordt dat 100 miljoen. Dat is hetzelfde bedrag dat aan de buitengrens geïnd wordt om de recycling mee te betalen!*
Geld dat bedoeld is voor recycling moet daar natuurlijk ook voor gebruikt worden. Alleen, die recycling gebeurt pas over 20, of misschien zelfs 30 jaar. Dat geld zou intussen dus prachtig voor de aankoop van de panelen gebruikt kunnen worden. Na verloop van tijd zouden dan de uitgespaarde brandstofkosten de pot voor de recycling weer kunnen vullen.
Zo heb je twee communicerende fondsen die na een aanloopfase zichzelf financieren, waarvan een vanaf de aanvang revolverend is, en de ander de opbrengst aan het eind opslorpt.
En dan nog dit: Binnen de holon-theorie is er misschien veel voor te zeggen om dit op een bestuurlijk zo laag mogelijk niveau aan te pakken. Dan kom je in Nederland uit bij de gemeenten en provincies. Dan zou dat in hun onderlinge overleg opgezet moeten worden. Die financiering krijgen ze met hulp van het rijk vast wel voor elkaar. Die panelen kunnen ze zeker plaatsen; er zijn nog daken genoeg. Ze zouden kunnen samenwerken met energiecoöperaties. Het probleem zal er misschien in zitten dat ze het gevoel hebben ‘in zaken te gaan’, iets wat per definitie niet thuishoort in het bestuursstelsel (zoals we zagen in het artikel ‘Handel en bestuur: twee stelsels’ in de rubriek Ethiek). Maar wat dit dus eigenlijk niet is. Het is eerder als belastinggeld dat volgens bepaalde regels besteed moet worden.
Als het zou lukken een modus te vinden en vertrouwen te krijgen, dan ontstaat na verloop van tijd een subsysteem dat lokaal en regionaal de veerkracht versterkt, niet alleen omdat het een stuk energievoorziening veilig stelt, maar vooral ook omdat er een nieuw, flexibel organisatiemodel toegepast wordt, dat in tijden van crisis een voorbeeld kan zijn voor andere terreinen.*
Het zou dan een holon kunnen worden, zoals Fleming dat bedoelt.