Paradigmaschimmel of elementen van een toekomstanalyse 5
Weerstand opbouwen met proeftuinen
JAN VAN ARKEL
Jan Rotmans, die aan de wieg stond van de wetenschappelijke transitie-management-benadering en intensief voeling houdt met allerhande initiatieven overal in ons land, beschrijft in een opiniestuk in de NRC de opkomst van de onderstroom:*
‘In de bovenstroom, de voor iedereen zichtbare en dominante trends, zijn de golven hoog en wild, met oorlogen, geopolitieke machtsverschuivingen, handelsconflicten, voortwoekerend populisme, autocratische leiders, voelbare klimaatverandering, strijd om kritieke grondstoffen en democratieën die worden bedreigd. Maar er is ook een onderstroom, waar contra-trends ontstaan die zich onder de radar afspelen en die de kiemen vormen voor de toekomst. Mensen zoeken elkaar op en verenigen zich in gemeenschappen op lokaal niveau om hun eigen schone energie op te wekken, om voedsel te verbouwen, om voor elkaar te zorgen, eigen scholen te stichten en hun eigen leefomgeving in te richten. Deze mondiale onderstroom wordt ook wel The Commons genoemd – gemeenschappelijk gedeelde gronden en middelen – een snel groeiende beweging van onderop die voor velen onzichtbaar is maar snel aan kracht wint.*
De onderstroom bestaat uit mensen die nieuwe antwoorden zoeken voor de uitdagingen van onze tijd. Ze bouwen aan andere vormen van ondernemen, wonen, landbouw, energie, zorgen, besturen en samenleven. Deze onderstromers wachten niet op toestemming, denken voorbij het bestaande systeem en handelen vanuit betrokkenheid, urgentie en verbeeldingskracht. Dat maakt de onderstroom geen randverschijnsel, maar de toekomst in wording.
De initiatieven in de onderstroom hebben één ding gemeen: zij representeren de zoektocht naar een ander, menselijker, duurzamer, natuurlijker, democratischer systeem, waarbij mensen echt gezien en gehoord worden. Veel mensen zitten klem tussen de bureaucratie van de overheid en de kilte van de markt, en dat is geen comfortabele positie. Daarom nemen zij het heft in handen en laten zien hoe het wel kan, vanuit hun hart en vanuit waarden als samenredzaamheid, vertrouwen, compassie, verbondenheid en liefde.*
De onderstroom is nu nog kwetsbaar en ongeorganiseerd, maar groeit snel en wordt uiteindelijk mainstream, zo leert de transitielogica. Het zorgt voor druk op bedrijven en overheden om de omslag echt te maken. De indirecte impact van de onderstroom is groter dan de directe impact, alleen zien veel onderstromers dat niet. Veel mensen denken dat persoonlijke keuzes en acties weinig uithalen om systeemveranderingen te realiseren, maar die lijden aan de illusie van machteloosheid. Wij zijn het systeem en systeemverandering begint juist met persoonlijke acties en keuzes. Dus als mensen de illusie van machteloosheid van zich afwerpen kan dit een betekenisvolle beweging worden met grote impact.*
Niet de golven van de bovenstroom bepalen het ritme van de toekomst, maar de onderstroom en daarin gebeuren mooie, hoopvolle dingen. Hoe groter de chaos in de bovenstroom, als markering van een verandering van tijdperk, hoe krachtiger de onderstroom wordt, die uiteindelijk de invulling vormt van een nieuwe tijd. In schijnbaar hopeloze tijden is er meer dan ooit behoefte aan hoop en die is te vinden in de onderstroom, voor wie goed en scherp kijkt.’
Tot zover Jan Rotmans. Hij is een geboren optimist en het is ook een beetje alsof hij ons moed probeert in te praten in deze barre tijden. Zijn maatschappij van de onderstroom is wel chaotisch, maar nog tot heel veel in staat. Wat ik mij in het kader van deze artikelenreeks afvraag is: Hoe stevig zitten deze onderstroom-initiatieven in elkaar als de basis verslechtert? Wat blijft ervan over als de afdaling begint naar het niveau dat David Fleming ons voorhield in artikel 4? Daar wil ik in dit artikel dieper op ingaan. Ik doe dat met een willekeurige greep voorbeelden, waarbij de keus bepaald wordt door zaken waar ik al (enigszins) vertrouwd mee ben. Dat is wel een zwakte, maar bij mijn weten is wat ik probeer nog nooit zo gedaan, zodat het in elk geval een aanzet is.
Ik kwam uit bij banketbakker Paul Koekie, het agrarisch toeleveringsbedrijf EM Agriton, energiecoöperatie De Windvogel, de circulaire zonnepanelenproducent Solarge, bij Suncom dat met zonnespiegels industriële warmte-opwekking realiseert en bij de innovatieve Bouwgroep Dijkstra Draisma. Maar aan de hand waarvan gaan we de zaak beoordelen? De diverse aangehaalde auteurs van de artikelen hiervoor boden ons al een inkijkje in de criteria waaraan gemeenschappen in tijden van verval moeten voldoen. Die vat ik nog een keer samen in aflevering 6 en 7. Maar eerst de uitleg van David Fleming van de betekenis van ‘holons’.
Daarom nu eerst nog vier afleveringen over panarchie en subsystemen.
Het beeld van een levensrad stelt ons in staat om na te denken over de levenscyclus van een complex systeem; het kan verklaren hoe het zit met die schijnbaar onontkoombare cycli van ‘opkomst’ en ‘neergang’.*
Complexe levende systemen, zoals wouden, ondernemingen, beschavingen of Gaia, nemen hun ruimte in gestuurd door twee variabelen of dimensies: potentiaal en verbondenheid.
Potentiaal is een maatstaf voor de rijkdom van het systeem in de zin dat het in staat is interessante dingen te laten gebeuren, zoals met de omvang en verscheidenheid van planten- en dierlijk leven in een ecosysteem; of de vriendschappen, het vertrouwen en het sociale kapitaal die een samenleving op peil houden; of het vakmanschap en de prestaties van een cultuur; enzovoort.
Verbondenheid is een maatstaf voor hoe ver de verbanden tussen de verschillende delen van het systeem strekken en hoe sterk ze zijn; verbanden die beïnvloeden of regelen hoe die delen op gebeurtenissen reageren.
Je kunt je voorstellen dat deze twee eigenschappen positief gelinkt zijn: hoe verbondener het systeem, hoe groter het potentiaal is, en een groter potentiaal opent de weg naar meer volledig ontwikkelde connecties.
Maar dit kan niet eeuwig verder gaan. Als het potentiaal van een systeem toeneemt, stijgen ook de kosten om het geheel aan de gang te houden. Er zijn bijvoorbeeld meer inputs nodig; het systeem produceert meer afval; en het wordt verleidelijker om op vijanden te jagen. En met het groeien van de verbondenheid begint het systeem tenslotte minder flexibel te worden, gaat het trager reageren, is het lokaal minder inventief, meer ‘strak-gekoppeld’. Het risico bestaat nu dat, bij trammelant, het hele systeem verscheurd raakt.
De opeenvolgende stappen hierbij zijn in de wetenschap van de panarchie in een model gevat. (Lees nu eerst de afleveringen 4-8 van het artikel ‘Panarchie’ in de rubriek Ecologie om goed te kunnen plaatsen wat er nu volgt). Heel in het kort: er zijn in het leven van een systeem vier fases, er is als geheel sprake van een ‘adaptieve cyclus’; noem het een levensrad. Het wordt weergegeven in deze figuur:

Figuur 5.1: De panarchie-cyclus kent vier stadia: groei, ontwrichting, reorganisatie en vernieuwing.
In de vier fases van die levenscyclus zijn er twee waarin het systeem juist heel veerkrachtig is, en schokken dus beter kan opvangen. De een is het latere deel van de fase van de exploitatie. Dan zijn het potentiaal en de verbondenheid beide goed ontwikkeld terwijl de verstarring nog niet is ingetreden. De ander is in de reorganisatiefase, wanneer de overblijfselen van de complexe structuren worden opgebroken tot een vorm die bruikbaar is in de volgende fase – want omdat er weinig structuur en verbondenheid is, kunnen zelfs grote schokken hier weinig kwaad.
In de eerste van deze twee veerkrachtige fases heeft het systeem het meeste te verliezen en heeft het alle veerkracht nodig die het maar kan krijgen. Die eerste fase gaat ons het meeste aan, want op dat punt zit onze maatschappij op dit moment. De andere fase is voor onze situatie minder relevant. Fleming heeft het schema hertekend en dat presenteer ik in de volgende aflevering.
We staan voor het vooruitzicht dat de maatschappij zal opbreken en zich moet reorganiseren naar een ander systeem, naar een volkomen andere wereld. Het spreekt vanzelf dat we dat moment willen uitstellen. Zijn er dan geen dingen of ingrepen te bedenken – ingrepen die vanuit een systeemperspectief effectief zijn – die het leven in de cyclus waaraan we gehecht zijn kunnen verlengen?*
Oftewel: wat kunnen we opvangen?
Als we de (driedimensionale) adaptieve cyclus versimpelen tot een (platte) cyclus van zes fasen dan kunnen we de mogelijkheden om het verlies aan veerkracht op te vangen misschien ophelderen. We verdelen dan de exploitatiefase uit de eerste weergave in een deel ‘exploitatie’ en een deel ‘verbinding en groei’. In de overgang van de laatste naar conservering zit dan die ene fase van grote veerkracht. Laten we die zes fasen eens aflopen.

Figuur 5.2: De zes fasen van de platte panarchie-cyclus
- Exploitatie (of vernieuwing).
Dit is de fase van de pioniers die zich als organismen ontplooien door dingen uit te proberen en zo hun productiviteit verhogen.* In de meeste gevallen lukt dat niet, omdat er gebrek aan verbondenheid heerst: ze zijn niet geworteld in rijke ecosystemen die hen beschermen, die hen samenbrengen in allianties en wederkerigheden, en die de lengte van hun natuurlijke levenscyclus van dagen verlengen tot jaren. Toch overleven sommigen en ze beginnen met anderen samen te werken in een systeem.
- Verbinding en groei
Dit is het ochtendgloren van het systeem. Er worden connecties gesmeed en het systeem groeit in omvang en complexiteit; complexe organismen bewonen het. Er is een kettingreactie van stimulans en inspiratie waarbij het ene succes het volgende teweegbrengt. Het systeem wordt veerkrachtig, het weet met het tij mee te bewegen en het kan zich verweren tegen spanningen.
- Conservering (of consolidatie)
Het systeem verbreidt nu zijn connecties, werkt ze verder uit en versterkt ze. Bij een mensenmaatschappij is er bij de uitbreiding naar de wat luxere economie sprake van een intensivering met het aangaan van enorme verplichtingen waar niemand eigenlijk behoefte aan heeft, maar die er nu eenmaal bij horen om de grootschalige structuur overeind te houden.* Er is ook meer regulering die meekomt met de instituties die opkomen, terwijl deze samenleving minder divers wordt en meer coördinatie nodig heeft vanuit het centrum.* Er is sprake van consolidatie: niets beweegt (althans niets van belang) zonder dat er tegelijkertijd een heleboel andere zaken moeten meebewegen. Problemen groeien als kool. De controle verloopt top-down en er is een verlies van flexibiliteit en voorstellingsvermogen, en een afkalvende veerkracht.
En, verdraaid nog aan toe, de conventionele middelen van deze fase lijken er wel voor bedoeld om het systeem, op dit moment van kwetsbaarheid, nog minder veerkrachtig te maken. Men zoekt de oplossing in standaardisering en efficiëntieverbetering, in een nog meer gecentraliseerde commandostructuur en in een strenger toepassen van processen, regels en procedures – kortom in het verder uitwerken van dure procedures die een effectieve aanpak juist in de weg staan. Dat wil zeggen dat ieder vernieuwend inzicht, experiment en initiatief tot zelfredzaamheid de kop wordt ingedrukt.
De grote schaal, starheid en complicaties van het hogere systeem vormen het probleem. Zo voelt men dat. Een nog grotere schaal, meer starheid en extra complicaties vormen de oplossing. Zo denkt men. Dit is een klassiek geval van een zelfversterkende terugkoppeling die typerend is voor een ingewikkeld systeem dat in moeilijkheden verkeert. Gelukkig is niet iedereen het eens met deze aanpak. Er zijn altijd ongevaarlijke gekken die er anders over denken. Dit is het punt waarop we ons nu bevinden. We zitten ergens langs de horizontale lijn die we de conserveringsfase hebben genoemd. Wat zou er in het verschiet liggen? Moeten we radicale antwoorden overwegen?
- Bevrijding
Naarmate de starheid toeneemt waarmee het systeem de schok probeert uit te stellen, en hoe langer dat uitstel lukt, des te catastrofaler pakt het ten slotte uit. Het potentiaal van het systeem valt uit. Inflexibel en gecompliceerd als het is, kan het zichzelf niet verdedigen. De grote structuren van de luxe-economie zijn er nog wel, maar ze functioneren niet en vormen een ballast die haar ineenstorting versnelt.
- Afbraak
Het verbonden systeem vervalt nu; haar productiviteit zakt naar nul.
- Reorganisatie
Dit is het compost-stadium. De resten van de samenhang van het systeem verrotten, en worden misschien rijk aan potentiaal om uiteindelijk in een nieuw systeem te regenereren.
Is deze volgorde echt onvermijdelijk?
Om de vraag of deze gang van zaken onvermijdelijk is te kunnen beantwoorden, moeten we nadenken over de aspecten tijd* en subnetwerken (ook wel ‘holons’ genoemd) die deel uitmaken van elk systeem. Deze onderdelen of holons zijn ieder voor zich compleet en functioneel; het zijn dus systemen binnen systemen. Om van nut te zijn voor het grotere systeem moeten ze in omvang variëren; moeten ze andere dingen op andere manieren doen; moeten ze de vrijheid hebben om te experimenteren, te repareren en zich te herpakken, zich aan te passen en te evolueren. In een gezond systeem kan elke holon haar gang gaan, en wel in haar eigen tempo, volgens haar eigen ritme. Ze wordt van bovenaf beschermd door het grotere, slomere systeem waartoe het behoort; en ze wordt gestimuleerd door en reageert op de kleinere, snellere, kortere cycli van innovatie en respons van de holons in het niveau eronder.*
Als subsysteem kan een dorp bijvoorbeeld flexibel zijn op het vlak van zijn eigen leven, economie en maatschappij. In plaats van de verfijnde preoccupaties van de stad na te apen, kan het dorp zich meer met de realiteiten van het leven en de natuur bezig houden, terwijl de stedelijke samenleving dat niet (meer) kan. Laten we die holons in meerdere niveaus in de tekening toevoegen.

Figuur 5.3: Holons in meerdere niveaus.
Subsystemen of holons, die kleine vakjes in de figuur, kunnen komen en gaan, zich snel aanpassen of afsterven en zich dan weer opnieuw uitvinden. Ze kunnen meegaan met de getijden van vallen-en-opstaan, van leven-en-dood. Hier liggen de strategieën van herstel-elastische veerkracht; hier zit het vermogen om terug te veren.
Dit zijn die strategieën:
- Opoffering en opvolging: terwijl sommige delen van het systeem mislukken, nemen andere hun plaats in.
- Nieuwe fase: het systeem neemt voor een tijdje een andere vorm aan.
- Elasticiteit: het systeem drijft met de stroom van verandering mee zonder enorme schade te lijden.
- Weerstand: het systeem is robuust – in staat flinke schokken op te vangen zonder schade op te lopen.
- Opportunisme: het systeem gebruikt de schok als een kans – om te jutten of een slaatje te slaan uit zwaktes elders in het systeem.
- Elegantie: het systeem heeft zo min mogelijk ballast en weinig te verliezen; het reageert snel.
Het vermogen om zulke strategieën flexibeler en vlotter uit te vogelen komt voort uit de relatief grote buitenkant en de korte levenscyclus die kleinschalige systemen hebben ten opzichte van het volume en de levensduur van het grote systeem. Er worden immers meer signalen van verandering opgevangen en het is gemakkelijker om snel te reageren. En reeksen kleinschalige nieuwe opstarters, die steeds opnieuw en in veel onderdelen van het systeem opkomen, kunnen een gemeenschap of samenleving voorzien van een zich steeds vernieuwende veerkracht. Hoe flexibeler haar subsystemen zijn, des te hoger is de levensverwachting van het systeem als geheel.
De in de vorige aflevering bij consolidatie genoemde ‘ongevaarlijke gekken’ kunnen hierbij helpen. Dat zijn mensen die een radicaal andere kijk op een probleem hebben dan de goegemeente en die daarom gewoonlijk geridiculiseerd of belachelijk gemaakt worden – voordat ze gelijk krijgen. Nou ja, natuurlijk hebben niet alle ‘ongevaarlijke gekken’ het bij het rechte eind, zeker in deze tijd van sociale media (die er ten tijde van het schrijven van Fleming nog niet waren), maar het werk van dissidenten die, tegen de stroom van de deskundigen in, anders tegen problemen aankeken en met andere oplossingen kwamen, was en is soms indrukwekkend. Wij kunnen ze beter koesteren, maar zitten opgescheept met een mindset om dat juist niet te doen.
We zijn nog niet klaar met de holons.
De holons/subsystemen/gemeenschappen moeten vier kerneigenschappen hebben, willen ze de nodige herstel-elastische veerkracht bezitten:
- Ze moeten ten eerste behoorlijk zelfstandig (zwak gelinkt) en zelfredzaam zijn, zodat het systeem als geheel modulair is.
- Ten tweede moeten ze kenmerken en gedrag ontwikkelen als reactie op de lokale omstandigheden. Sommige reacties zullen niet werken – waarop afsterven volgt – maar de variatie maakt het waarschijnlijk dat andere reacties van weer andere holons (bijvoorbeeld als dorpen) wel werken. Dit geeft het systeem als geheel diversiteit.
- Ten derde moet er, dat spreekt voor zich, een zekere ‘slapte’ in de holons zitten, die indien nodig in het spel kan worden gebracht, en die de schade opvangt aan de periferie, zodat de kern niet vernietigd wordt.*
- En ten vierde is er ‘alerte terugkoppeling’ nodig – dus dat de delen bekwaam moeten zijn om gebeurtenissen snel te observeren en aan te pakken, zonder te wachten op bevestiging en permissie vanuit het centrum.
Een systeem dat deze veerkracht bezit, en dat zijn lokale subsystemen de kans geeft in ‘shock’ te gaan en dat ze hun levenscycli laat vervullen op kortere tijdschalen dan die van het hoofdsysteem, heeft een kans om voort te bestaan – om de betekenis van het ‘levensrad’ een haalbare inhoud te geven.
Met andere woorden, we hebben hier, in principe, een manier om het leven van een grootschalig systeem oneindig te rekken door de ravage van de tijd (de hele levenscyclus van geboorte tot dood tot geboorte) plaats te laten vinden binnen de onderdelen van het systeem, de holons; waarbij het grote systeem als geheel voortdurend vernieuwd wordt.
En dat is precies wat er binnenin elk levend schepsel gebeurt. Alle onderdelen zijn in een constante toestand van herstel-elastische veerkracht, waarmee het leven van hun gastsysteem verlengd wordt, weliswaar niet voor eeuwig maar toch veel langer dan hun eigen levenscycli.
De herstel-elastische veerkracht is meer een vorm van veerkracht die openstaat voor modulaire systemen, terwijl de ‘voorkómende veerkracht’ van complexe systemen best goed is in het voorkomen van schokken, maar slecht in het herstel ervan. Dus om te profiteren van de herstel-elastische veerkracht is het van het grootste belang om holons een forse vrijheid te gunnen. Dat is niet per se een geval van ‘alle macht aan het volk’, want het volk kan zo ontheemd zijn dat het zelf een holon-achtige structuur ontbeert. Het is meer iets als ‘macht aan de geneste geheel/onderdeel-structuur van huishouden-buurt-gemeenschap-regio’. Het is als een strijdkreet die na een tijdje gehoor vindt, want de wederopbouw van de harmonische orde van holons, die zich in de praktijk bewezen hebben, tot een complex systeem is een proces van lange adem.*
Het probleem bij de grootschalige burgermaatschappij is dat de kosten om de interne verbindingen overeind te houden een stijfheid met zich meebrengen die een essentieel deel van dit praktische proces – namelijk het bepalen wat overleeft en wat sterft – lam legt en daarmee de maatschappij als geheel tot de dood(stage) veroordeelt, en wel op grote schaal.
Onafhankelijke lokale slanke economieën zijn een middel om de onsterfelijkheid aan het systeem terug te geven, of tenminste zijn levensduur te rekken. Maar of ze hierin werkelijk zullen slagen hangt af van hoe lokaal ze zijn, hoe alert, hoe snel, hoe divers en hoe flexibel. Misschien is het te laat om een snelle overgang te bewerkstelligen naar de minder intensieve structuur van zelfvoorzienende, onafhankelijke groepen die de basis van veerkracht vormen. Maar we kunnen het allicht proberen.
Nu roep ik in herinnering wat er in de voorgaande artikel ook al weer gezegd is over de voorwaarden om tot levensvatbare gemeenschappen te komen.
Willen we in tijden van verval levensvatbare gemeenschappen kunnen oprichten, dan zijn daar om te beginnen veiligheid, gelijkheid/eerlijkheid en vertrouwen voor nodig (zo bleek in aflevering 8 van artikel 2).
Voor een gevoel van veiligheid is een goed ‘membraan’ vereist. Zo’n membraan omvat, beschermt, geeft identiteit, filtert en ‘wordt gemaakt om mogelijk te maken’. Als ieder groepslid zich het doel eigen heeft gemaakt, kan iedereen de ander als een bondgenoot zien.
Een gevoel van gelijkheid en eerlijkheid is een hoeksteen voor de gemeenschap; het helpt om de schadelijke effecten van een gevoel van onrechtvaardigheid te vermijden en om het membraan in stand te houden. Gelukkig zit het streven naar gelijkheid diep in ons.
Het begrip vertrouwen is problematischer. Vertrouwen bouw je op. Ontmoet je iemand die je niet kent, dan heb je signalen nodig die je vertrouwen geven.* Heersend vertrouwen is eigenaardig genoeg krachtig én kwetsbaar, nodig én ongrijpbaar, gewenst én wispelturig. Het kan bergen verzetten, maar ook in rook opgaan. Dit gevoel van ‘deelgenootschap’ kan wortelen in een gedeeld belang of in een ware, onvoorwaardelijke liefde. Normaal gesproken is dit kleine sprookje wars van rationele, economische ruil.*
Om een groepsgevoel te smeden is er ook een duidelijk doel nodig. In tijden van verval zal het doel om ‘samen het hoofd boven water houden’ waarschijnlijk genoeg zijn om een groep te vormen. Maar in de huidige praktijk van sociale media komt het groepsgevoel eerder voort uit een (aangewakkerde) weerzin jegens anderen. Het geloof in de welwillendheid van anderen is juist onontbeerlijk voor het aangaan van de voor een groep noodzakelijke sociale relaties. Het geeft de coöperatieve en altruïstische automatismen de gelegenheid zich vol te uiten. Want we weten: wederzijdse steun roept nieuwe wederzijdse steun op.
David Fleming voegt hier in zijn bespreking van de Slanke Cultuur (in aflevering 27 van artikel 4) drie kenmerken aan toe: welwillendheid, transparantie en congruentie.
Een sterke cultuur zit zo in elkaar dat wanneer mensen in eigenbelang handelen, ze dat tegelijk doen in het belang van anderen. Transparantie is eigenlijk een verkeerd, want onwerkzaam begrip. Congruentie, daarentegen, is het cadeau dat je jezelf bij het praten met mensen zonder voorbehoud bloot kunt geven. Het kan niet worden opgelegd, maar het ontbreken ervan houdt in dat ook vertrouwen ontbreekt. Als vertrouwen en de congruentie waar die op berust, zich herstellen, schrijft Fleming, zal dat komen vanwege de bouwstenen die de Slanke Economie begint te repareren – met intense en vastbesloten creativiteit, waarbij mensen er bij het stap-voor-stap-herstel weer in beginnen te geloven.
Hij voegt hier (in aflevering 15 van artikel 4) nog principes aan toe: manieren, schaal en erbij horen, en wat hij ‘slapte’ noemt.
Manieren houden in dit verband in dat ideeën met respect, aandacht en goede wil worden aangehoord. Zij geven ons een leidraad voor hoe met de natuur om te gaan, en met elkaar en met ons eigen denken; zij laten ons nadenken over ons gedrag, zodat we, al doende, praktische en verbazingwekkende antwoorden vinden in een heftige en moeilijke toekomst.*
We zijn het bijna verleerd om op kleine schaal te werken, terwijl die aanpak veel van onze actuele problemen juist omkeert: er is dan meer aandacht voor detail, meer flexibiliteit, en je hebt er wel zelf greep op. Je voelt dat jíj het verschil kan maken. Dat is erbij horen. Ook gaat de strakheid eraf. Gemeenschappen die klein genoeg zijn dat je er zelf individueel invloed op kunt uitoefenen, kunnen zo doelmatig zijn dat het onmogelijke doen er heel gewoon is. Ze zijn slank geworden. Het burgerschap wordt er herontdekt. Anarchistisch met betrekking tot onafhankelijkheid, ordelijk in de omgang met eigenaarschap, verantwoordelijk voor je eigen plek, verrassend qua inventiviteit – zo proberen allerlei gemeenschappen het nu opnieuw, hoewel sommige het altijd al zo deden. We moeten weer een thuis creëren.
Nog één aflevering over principes voor de case studies beginnen.
David Fleming legt ook nog uitgebreid uit wat in een wereld van verval een slappe economie behelst, als het tegenovergestelde van een strakke economie (aflevering 16 en volgende van artikel 4). Het lokale is dan waardevol en loyaliteit vormt een integraal element; ze moeten verdedigd worden tegen invloed van buitenaf (met het membraan). Duurzaamheid staat voorop, maar moet ook beschermd worden. Geld is een noodoplossing, ruil de regel. Alles is persoonlijk. Vertrouwen is essentieel; het is echter niet maakbaar, maar kan alleen groeien.
Er is geen standaardisatie, elk product is op maat. Concurrentie zoals wij die kennen, is er niet meer. Productie gebeurt in samenspraak; producenten en consumenten versmelten. Toch wordt de vakman begeerd door de gemeenschap, en de klaploper zoveel mogelijk geweerd. Alle vormen van kapitaal (natuurlijk, menselijk, sociaal en materieel) tellen evenzeer mee en moeten ‘thuis blijven’.
Besluiten moeten zorgvuldig afgewogen worden, met oog op de lange termijn en op de mogelijke gevolgen in de volle breedte voor mens en milieu. Het is als bij het beheer van de commons.
Samenvattend valt deze lokale economie in twee structurele vormen uiteen: De eerste is wederkerige ruil, die bestaat uit verplichtingen, taken, loyaliteiten en de uitwisseling van diensten zonder dat er geld aan te pas komt. De tweede is de culturele omgeving die de gemeenschap een identiteit geeft, op basis waarvan de wederkerigheden en samenwerking zich kunnen vormen.
Monbiot benadrukt (in aflevering 4 van artikel 3) dan nog het belang van een aansprekend verhaal, waarbij een beginselverklaring nog geen verhaal is. Als we onze politiek willen omvormen, dan dient het verhaal zo veel mogelijk mensen aan te spreken, en weerklank te vinden bij diepe behoeften en verlangens. Het dient ons uit te leggen hoe we weer uit de puinhopen kunnen komen. Ik denk dat we niet zozeer moeten streven naar een verhaal dat de hele samenleving aanspreekt, zoals Monbiot doet, maar met verhalen moeten komen voor de diverse holons. Dan kan het verhaal veel concreter zijn en gemakkelijker de juiste mensen aanspreken.
Bruno Latour en Nikolaj Schultz schrijven (in aflevering 18 van artikel 3) daarover dan nog: Het gaat er ook om dat je uitvindt waar je heen wilt en dat je jezelf oriënteert met en tegenover anderen die dezelfde beproeving van zelfomschrijving doormaken. Bij deze gedeelde omschrijvingen gaat het aldus om een diepgaande transformatie in de posities en politieke banden van ieder persoon, zoals die voortkomt uit de kosmologische mutatie (van overheersen naar deelgenoot zijn).
Auteurs die denken over de toekomst brengen bijna nooit verschillen in persoonlijkheid of karakter ter sprake, maar ze zijn volgens mij een essentieel element. Maar dit aspect goed meenemen bij de beschrijvingen in dit artikel, zou zelf een heel artikel vergen. Er zijn immers bibliotheken over volgeschreven; denk aan boeken over management. Je zou bijvoorbeeld de indeling van het enneagram kunnen gebruiken.* Ik wil hier alleen aangeven dat een zeker karakterologisch evenwicht in de praktijk het verschil maakt tussen succes en mislukking.
Ook het verschil tussen handel en bestuur (als twee aparte paradigma’s) en het verwarren ervan, is iets om in de gedachten te houden. Bedenk bijvoorbeeld wat Fleming doet bij de omkering van de economische voorwaarden in aflevering 7 van artikel 4).
Met wat hier beschreven is kan ik nu kleine case-studies maken van enkele kleine en grotere alternatieven in ons land.* Ik geef steeds een zo kort mogelijke beschrijving hoe zo’n organisatie kan voortleven als aparte holon. Wat ga ik behandelen?
Allereerst de Vereniging van Eigenaren, een door de wet ‘afgedwongen’ vorm van gemeenschap (aflevering 8-10). Dan de bedrijfsvoering van de eigenwijze bakker Paul Koekie (aflevering 11-16), en die van de leverancier van effectieve micro-organismen EM Agriton BV (aflevering 17-23). Vervolgens bekijken we de energie-coöperatie De Windvogel als voorbeeld van alle energie-coöperaties in het heden (aflevering 24-26) en in een verzonnen toekomst (aflevering 27-32). Dan volgt een voorstel voor circulaire zonnepanelenproductie met het Draghi-rapport en het bedrijf Solarge als uitgangspunt (aflevering 33-36). Ook de hitte van de zonnespiegels van het bedrijf Suncom verdient een plaats, al kreeg ik mijn vragen niet beantwoord (aflevering 37-39). Ten slotte volgt dan het innovatieve en eigenwijze bouwbedrijf Bouwgroep Dijkstra Draisma, dat helaas evenmin mijn vragen beantwoordde (aflevering 40-42). Artikel 5 eindigt met een viertal beschouwende afleveringen (43-46).
Ik heb hierbij steeds raad gevraagd aan nauw betrokken mensen, maar laat hen niet expliciet aan het woord. Hun inbreng is toch van grote waarde en mijn dank ervoor is groot.*
‘O, woon jij in een appartement? Dan zit jij in een VvE. Daar is altijd ruzie, hè?’ Dat krijg je nog wel eens te horen op verjaardagen en zo.
VvE is de afkorting van Vereniging van Eigenaars en ieder gebouw waar meerdere eigenaren wonen heeft wettelijk verplicht zo’n vereniging.* De bedoeling ervan is dat de zorg voor (de buitenschil van) het gebouw in handen is van een juridisch aan te spreken instantie. In een stad als Amsterdam heb je veel VvE’s met vier leden, omdat het gesplitste woningen van hetzelfde huisnummer betreft. Ik wil het hier echter hebben over flats met minstens twintig koopwoningen, omdat zoiets meer een gemeenschap vormt. Hiervan zijn er in Nederland zo’n 15.000 met royaal meer dan een half miljoen bewoners.*
Ik woon zelf ook in zo’n flat; gelukkig een zonder ruzie. Dat komt mede doordat de bewoners genoeg geld hebben. De samenstelling kan in andere gevallen heel divers zijn, wat een steeds verschillende praktijk oplevert.* Bij uiteenlopende belangen is er soms ruzie.* In mijn geval gaat het om zestig appartementen, waarvan de helft commercieel verhuurd is.* Ik spreek hier uiteraard vanuit die ervaring.
Laten we nu eerst de praktische kant bekijken en dan de gemeenschapskant. In aflevering 10 volgt dan nog een case-study van een andere flat.
De VvE moet zorgen voor het gezamenlijke deel van het gebouw, zo simpel is (of lijkt) het.* Het gaat om zaken als dakbedekking, schilderwerk, liftonderhoud, vloerbedekking en garage. De VvE regelt ook de schoonmaak van de gezamenlijke ruimten, het ramen lappen en klein onderhoud. Een actieve VvE kan ook nog toekomen aan nieuwe dingen zoals extra isolatie, zonnepanelen, laadpalen en dergelijke. Veel VvE’s hebben een contract met een schoonmaakbedrijf en ook een met een servicebedrijf. Dat laatste bedrijf ondersteunt de VvE door reparaties te laten uitvoeren, de servicekosten te innen, het bestuur te ondersteunen met het MJOP (zie onder) en met allerhande expertise.
Alle bewoners zijn lid en betalen servicekosten in verhouding tot hun woonoppervlak. Zij kiezen een bestuur uit hun midden. Als ze zelf niet hoeven, doen ze dat maar al te graag, want de meeste leden worden het liefst ontzorgd. Het bestuur bestaat tenminste uit een voorzitter, een penningmeester en een secretaris; vaak is er ook een bestuurslid technische zaken. Er is sowieso een kascommissie. En er kunnen ook andere commissies gevormd worden, bijvoorbeeld voor technische en bouwkundige zaken, tuinonderhoud, de ontvangst nieuwe bewoners, of het regelen van schilderwerk – waarbij de schilder door de commissieleden verwend kan worden, zodat hij (of zij) nog eens terug wil komen.
Het bestuur en de commissies staan ten dienste van de leden/eigenaren. Deze zuiverheid wordt nog wel eens uit het oog verloren als actieve mensen vinden dat ze rechten kunnen ontlenen aan ‘al het werk dat ze gedaan hebben’. Maar het is ‘vanuit de gemeenschap vóór de gemeenschap’; niets meer.
In het genoemde ‘meerjarenonderhoudsplan’ (MJOP) staan de kosten van alle toekomstige uitgaven verdeeld over de jaren in schema, zodat je weet waarvoor je moet ‘sparen’. Schilderwerk moet bijvoorbeeld eens in de vijftien jaar en op het moment dat de schilder komt, moet je als VvE het geld beschikbaar hebben. Met alles in een schema weet je ook wat je jaarlijks samen moet opbrengen om die kosten te kunnen betalen. Noem dit maar de spaarrekening. Je hebt ook een portemonnee (bankrekening) voor de lopende uitgaven, zoals schoonmaak- en energiekosten en voor kleine reparaties. De servicekosten vormen de optelsom van deze twee vormen van kosten.*
Essentieel bij een VvE is het vakmanschap van het bestuur; hoe kundiger het is, hoe ‘slanker’ het toegaat. Het bestuur moet allereerst technische, boekhoudkundige en juridische kennis herbergen, er moet organisatietalent aanwezig zijn en mensenkennis, en het liefst een hoop vrije tijd om beschikbaar te zijn als externe technici aan het werk willen.*
Dit was zeer in het kort de praktische kant. Nu nog aandacht voor de toepassing van de criteria in een tweede aflevering over VvE’s.
David Fleming benoemt drie principes waaraan een gemeenschap moet voldoen: manieren, schaal (met erbij horen) en slapte. De schaal en het erbij horen zit bij een VvE ingebakken in het gebouw en valt niet te veranderen. Dat is meteen ook de beperking ervan. Het is een soort vast membraan. In zo’n kleine gemeenschap kan iedereen erbij horen, en invloed heb je sowieso door je wettelijk geregelde stemrecht.
Bij manieren horen respect, aandacht en goede wil. Dit zijn allemaal dingen die een bestuur tot een goed bestuur kunnen maken. De onderlinge omgang van het bestuur en die met de leden is een sleutelelement. Een bestuur moet daartoe om te beginnen zelf bestaan uit mensen die in goede harmonie kunnen samenwerken; en het bestuur moet (in tal van opzichten) de leden op een correcte en verstandige manier voorlichten. Dat garandeert een vruchtbare ledenvergadering met zorgvuldige besluiten die het liefst met algemene stemmen worden aangenomen (zoals bij ons de gewoonte is). Het blijkt beter tweemaal per jaar te vergaderen dan eenmaal. Je kunt ook borrels houden en gezamenlijke activiteiten ontplooien. zoals specifieke schoonmaaksessies, tuinonderhoud of plantenbakken verzorgen. Dat helpt ook om onderlinge banden te smeden. Het is ook mooi als er zoiets als een gezamenlijke ruimte is.*
Het bestuur bestaat idealiter uit vaklui; de gemeenschap waardeert hen en wil ze maar al te graag behouden. Er is hier inderdaad sprake van verplichtingen, taken, loyaliteiten en uitwisseling als een vorm van wederkerige ruil. Er heerst welwillendheid en in de loop der jaren groeit het vertrouwen, waarin eenieder zich bloot kan geven zonder zich al te veel zorgen te hoeven maken. Kleine onenigheden worden meestal onopvallend beslecht. De verschillen in karakters worden vaak met toegeeflijkheid aanvaard.
Laat ik hier duidelijk zijn: dit is de ideale uitkomst, die lang niet altijd werkelijkheid wordt. Het vertrouwen is ook kwetsbaar. Er hoeven maar een paar wisselingen in eigenaarschap op te treden, en wat slap was, wordt ineens weer strak, waarna het jaren kan kosten om op het oude niveau van vertrouwen terug te komen.
Ruzie en onmin kan allerlei oorzaken hebben: Het bestuur is onbekwaam, het bakent zijn taak niet goed af, het beheert het geld niet zuiver, het communiceert slecht met de overige leden, er zitten kleine potentaatjes in die een heel verkeerde invulling geven aan hun functie. Leden hebben vaak geen zin om zich hiermee in te laten en al helemaal niet om de kop van jut te worden door (als enige) de confrontatie aan te gaan (omdat de rest te bang is).
Ook onder de leden kunnen pestkoppen en lastposten zitten. Die kunnen elkaar en het bestuur gek maken met hun gedrag, wat het animo voor de functie van bestuurslid natuurlijk niet bevordert. Zaken komen zelfs maar al te vaak voor de rechter, waar als vanzelf de juridische aspecten van aktes en reglementen overheersen en de gemeenschap als proeftuin voor de toekomst geen rol speelt. Waar in de voorgaande artikelen nog genoemd wordt dat bepaalde mensen ook door de gemeenschap geweerd kunnen worden, is dat in de VvE onmogelijk. Het eigenaarschap is bepalend, niet het persoonlijk karakter, of de bijdrage aan de gemeenschap of de vakkennis van bewoners.
Ook kunnen belangen uiteenlopen, of is er een groot verschil in wat de leden kunnen betalen. In een flat waar veel appartementen tijdelijk verhuurd worden (als is het voor minstens een jaar) komt een gemeenschap door een gebrek aan onderling contact nauwelijks van de grond en voelen de vaste bewoners zich opgezadeld met de lasten van de verhurende eigenaren. Of er is onmin tussen mensen die een laadpaal willen en de kosten willen delen met mensen met een benzineauto, of zonder auto. Dan blijkt vervolgens dat laadpalen van de brandweer in deze garage eigenlijk niet mogen, maar voordat dat duidelijk is kan de sfeer al verziekt zijn. Waar leden bepaalde, noodzakelijke uitgaven niet kunnen ophoesten, ontstaan ook al gauw spanningen.
Keer op keer zie je dat er bestuursleden nodig zijn die snappen waar David Fleming op doelt, die dat kunnen toepassen, kunnen sturen, en een constructieve toekomst kunnen tonen (als een soort van praktisch plan in plaats van een utopisch visioen). Dat is veel gevraagd. Het hoeft dus niet te verwonderen dat vrij veel VvE’s geen leden kunnen vinden die bestuurstaken op zich willen nemen. Die huren dan vaak een externe voorzitter, of technische man in. Dat kost natuurlijk extra en werkt een betere saamhorigheid ook niet echt in de hand.
Dit doet me concluderen dat de VvE een uitstekende proeftuin is voor de gemeenschappen die voor ons overleven straks essentieel kunnen worden. Deze praktijk laat tegelijk zien hoe lastig zo’n betrekkelijk eenvoudige beheersvorm al is.*
Wat ik hier nog niet eens bespreek is welke bouwkundige aspecten in tijden van verval kunnen uitvallen; denk aan liften met al hun elektronica, en hoe daar mee om te gaan. Ik geef in de volgende aflevering nog een voorbeeld hoe één persoon het verschil kan maken.
Verduurzaming binnen een VvE is vaak een complexe aangelegenheid.* Zie er maar eens uit te komen met soms tientallen buren of meer. In 40 procent VvE’s woedt een conflict over reparaties of verduurzaming. Plannen belanden vaak in de ijskast vanwege té hoge kosten, de lastige interne besluitvorming en de papieren rompslomp.*
Kletsen, heel veel kletsen met buren. En tegelijkertijd de experts plannen laten maken, zodat die hele verduurzaming tastbaar wordt. Zo slaagde Lodewijk Berkhout (in het dagelijks leven coördinerend beleidsmedewerker van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) erin om zijn eigen VvE, de Anslijnflat met 200 appartementen in het Amsterdamse Osdorp, succesvol te begeleiden naar een verduurzaamd gebouw. Zijn enthousiasme is aanstekelijk, dus bekijk vooral de video.
Lodewijk Berkhout paste een stapsgewijze aanpak toe. Hij begon met kleinere projecten, om eerst vertrouwen te winnen. Door regelmatig updates met foto’s van de werkzaamheden rond te sturen, kregen zijn buren steeds meer vertrouwen in hem. Zo kon hij zijn medebewoners om een mandaat vragen, zodat hij sneller en effectiever kon handelen en niet voor elk wissewasje een ledenvergadering hoefde op te tuigen. Dit waren die stappen:
Urgentie creëren: Om het belang van verduurzaming aan zijn buren duidelijk te maken, benadrukte Lodewijk de concrete, voelbare en zichtbare problemen, zoals achterstallig onderhoud en slechte isolatie. Hij wees zijn medebewoners op praktische voorbeelden, zoals deuren die tijdens een storm loskwamen vanwege gebrekkig onderhoud. Zo wist hij bewoners ervan te overtuigen dat niets doen uiteindelijk zou leiden tot hogere VvE-kosten. De stijgende energiekosten vormden een extra argument om urgentie te creëren binnen zijn VvE.
Huis-aan-huis gesprekken voeren: Goede communicatie is volgens Lodewijk erg belangrijk om verduurzaming van de grond te krijgen in een VvE. Hij besteedde dan ook veel aandacht aan gesprekken met bewoners. Door met buren in gesprek te gaan, begreep hij beter welke argumenten voor iedere bewoner belangrijk waren. Sommige bewoners overtuigde hij met financiële voordelen, terwijl anderen juist enthousiast werden door de esthetische verbetering van het gebouw. Een groepje bewoners ging regelmatig alle deuren langs. Op deze manier slaagden zij erin om een meerderheid te betrekken bij het maken van een plan.
Keuze vereenvoudigen: Ook voor het stroomlijnen van de besluitvorming binnen zijn VvE had Lodewijk een slimme aanpak. Hij stelde drie overzichtelijke pakketten met maatregelen samen waaruit bewoners konden kiezen, waardoor de discussie werd gestructureerd en de keuze vereenvoudigd. Door bewoners actief te mobiliseren om naar vergaderingen te komen, zorgde hij voor voldoende opkomst en draagvlak voor belangrijke beslissingen.
Financiële drempels verlagen: Een belangrijke stap in het proces was ervoor te zorgen dat de plannen financieel haalbaar werden. Verduurzamen kost flink wat geld en vaak vormt dit een belangrijk obstakel voor bewoners. Lodewijk zette in op een stapsgewijze verhoging van de maandelijkse bijdrage om alvast te sparen voor toekomstige uitgaven. De VvE kon gebruik maken van een lening en subsidies. Onderhoud blijven uitstellen zou tot hogere kosten leiden dan verduurzaming. Dat inzicht trok veel appartementseigenaren over de streep.
Blije buren: Na ongeveer drie jaar van voorbereidingen, werd het werk uitgevoerd. De eerste stap was isoleren met nieuwe kozijnen met triple glas en het inpakken van de gevels met isolatiemateriaal, net als de plafonds van de bergingen. Ook aan de binnenkant van het gebouw worden verschillende maatregelen doorgevoerd. Het isoleren van het dak staat voor later op de planning. En de bewoners? Die zijn blij. Zij hebben er nog nooit zo comfortabel bij gezeten.
Met geduld, een doordachte aanpak en goede communicatie kunnen dus zelfs grote en diverse groepen bewoners met verschillende belangen samenkomen om duurzame doelen te bereiken. In Amsterdam is het hiermee nog niet klaar. Na de isolatie van het gebouw, die ongeveer 9 miljoen euro heeft gekost, ligt de volgende uitdaging in het verschiet. Het afstappen van gas.
Lodewijk heeft zijn ervaringen en lessen gebundeld in het gratis boek ‘De lange hordenloop’, dat is samengesteld door Frank Steenkamp.
Zo maakte Lodewijk Berkhout zijn flat tot een hechtere gemeenschap dan eerst.
In 1989 nam banketbakker Paul Koekie in Arnhem een oude bakkerij over van bevriende, gepensioneerde bakkers. Eerst werd er door een team van drie compagnons zowel banket als brood gebakken, maar vanaf 1997 ging Paul in zijn eentje verder met alleen banket. De afgelopen jaren is er geïnvesteerd in een herstelde kelderruimte. Er is ook een helemaal op-maat-gemaakte marktwagen gekomen om elke vrijdag mee op de Utrechtse biologische markt te staan. Daar verkoopt Paul naast zijn eigen banket het brood van maar liefst drie bijzondere bakkers, zodat hij een uniek assortiment heeft.
Hij vertelt op zijn website: ‘Ik heb mijn passie gevonden door de afwisseling van het bakken, de administratie, de markt en het ontwikkelen of verbeteren van producten. Zodoende is er in al die jaren nog geen dag geweest dat ik met tegenzin naar mijn werk ben gegaan. Het enthousiasme van collega’s helpt daarbij ook. Mijn drijfveer is het creëren van lekkere en mooie producten uit biologische grondstoffen.’ Wat Paul allemaal bakt, kun je vinden op zijn website.
Het is al bijzonder dat iemand van zijn passie zijn beroep kan maken, maar voor ons onderzoek naar toekomstbestendigheid is het vooral interessant te kijken hoe Paul omgaat met grondstoffen, relaties en apparatuur.* Hoe werkt dat allemaal in de praktijk? We zijn het hem eind september 2025 gaan vragen.
Het eerste wat een bakker nodig heeft is natuurlijk meel. Daar gebruikt Pauls bakkerij tenminste acht verschillende soorten van. Hij betrekt bijna alle meel van Firma De Vlijt in Wageningen. Daar heeft hij namelijk een oude relatie mee, van de tijd dat hijzelf ook in Wageningen begon. Deze molenaar werkt dan weer samen met andere molenaars onder de naam ‘De vier windstreken’. Elk heeft zijn eigen soort maalstenen, geschikt voor specifieke soorten graan (dat harder of zachter kan zijn en kan verschillen per oogst). Paul vindt het fijn dat hij zo meel in allerlei volumes kan afnemen; in zakken van 25 kg, maar ook in zakken van 5 kg. De molens draaien als het kan op windenergie, maar grijpen zo nodig terug op elektrische aandrijving. Soms koopt Paul ook wel meel van de groothandel (zie hieronder).
Dan zijn er vetstoffen en zoetstoffen nodig en fruit. Paul gebruikt de ‘fantastische boter’ van de blaarkopkoeien van Boerderij Veld & beek in Doorwerth. Leuk is dat die mensen ook weer klant zijn door taart in te kopen voor hun bezoekers aan kasteel Doorwerth en dat Paul (en een andere bakker) mag meedoen met hun containerwinkel met (slechts een stekker en) een heel assortiment. Die maakt een tocht langs de dorpen. Het is zelfbediening. Mensen hebben toegang met een appje. Het gaat allemaal in goed vertrouwen. Paul Koekie houdt van zulke wederzijdse banden.
De zaken die niet in de koeling hoeven, noemen bakkers droogwaren, ook als het vers fruit is. Die producten komen meestal van de groothandels Horizon in IJsselstein en Do it organic in Barneveld. Horizon zoekt het liever dichtbij dan van verder weg, wat Paul zeer kan waarderen. Bij Do it organic proberen ze ook mensen met een beperking te laten meedoen, terwijl ze tegelijk een zeer professioneel, wereldwijd werkend bedrijf zijn. Hun uitgangspunt is meer: ‘wat heeft de klant nodig, dan gaan wij daarvoor zorgen’.
Jams komen uit Groeningen vandaan, net onder Nijmegen. Appels komen van net boven Nijmegen. Die appels worden als ze rijp beginnen te worden eerst bij de telers bijna vacuüm bewaard, totdat de bakker erom vraagt. Bij Paul komen ze dan onbewerkt, dus met de schil, binnen. Ze gaan bij hem door de appelschilmachine, zodat hij de appels zo vers mogelijk in de taart verwerkt.
Een paar andere benodigde producten zijn zeezout (biologisch helaas niet beschikbaar) en bakpoeder. Kraanwater wordt geactiveerd met een magneetsysteem met als gevolg dat de producten malser en langer houdbaar blijken. Paul was sceptisch, maar probeerde het toch uit. Dit is typisch een voorbeeld van het experimenteren – bedenken en meten – waarmee iemand die vasthoudt aan een ouderwetse aanpak, toch altijd bezig blijft.
Niets staat in deze bakkerij op de grond, altijd op een karretje. Daar zijn er honderd was. Goed voor de rug en de hygiëne.
Het is nu met de beschikbaarheid van betrouwbare biologische producten beter geregeld dan in de begintijd van Paul. Hij was een van de eerste biologische banketbakkers in Nederland (met daarnaast de macrobiotische Manna en Zonnemaire). Begin jaren tachtig was hij met zijn collega’s voor twee dagen bakken nog vijf dagen in touw om de grondstoffen als geitenkwark, eieren, boter, enzovoort overal vandaan te halen. En dan moest hij bij de leveranciers wel taart meebrengen, anders kreeg hij niet geleverd. Biologisch was toen echt pionieren. Maar met boter maakte hij wel aantrekkelijke taarten voor de (toen bijna altijd nog kleine) biologische winkels die er her en der waren.
Tegenwoordig krijg je grondstoffen kant en klaar in huis, soms diepgevroren, soms niet. Maar het kan nu allemaal de koeling of de vriescel van de bakkerij in, zodat het in flinke hoeveelheden tegelijk ingekocht kan worden en beschikbaar is wanneer het nodig is.
Behalve allerlei taarten maakt Paul ook brownies, appelflappen, droge koekjes, zelfgemaakte muesli en drie soorten granola. (De granola op de foto hierboven is de versie met rijststroop, havervlokken, een nootje en een vlokje van de kokos; het is het resultaat van één oven vol.) De producten gaan wekelijks naar een twintigtal winkels in Arnhem en omgeving – wel tot in Wageningen, maar niet tot in Amsterdam. Het gaat om een afzet van een paar honderd taarten in de week. Verder zijn er nog horecazaken klant en is er de markt in Utrecht. Die horeca neemt in de zomer nog eens honderd extra taarten per week af. In de buurt bezorgt Paul zelf. Iets verder weg neemt een collega het voor zijn rekening. Er is veel uitruil van diensten.
Met Odin (groothandel en winkels) is er ook een goede samenwerking, want dat zijn volgens Paul ‘mensen met de juiste visie, met het biologische hart op de goede plaats’. Een ander verhaal is Ekoplaza. Dat bedrijf werd opgericht door Jos, een goede vriend van Paul, en Heleen (die nu zijn vriendin is). Paul leverde Ekoplaza vanaf dat de eerste winkel geopend werd. Dat ging door totdat het er tien waren. Maar nieuw management verbrak die band. Dat betekende niet alleen het verlies van een grote klant, het was ook een vertrouwensbreuk – een aspect waarvan het belang voor de toekomst hier steeds weer benadrukt wordt.*
Deeg maken bakkers met planeetmengers voor intensieve menging. Je kunt ze zien als een grote versie van je keukenmixer. Er zit een motor in die rechtsom draait, en daar komt een garde uit die de andere kant op draait. Er is een klein tafelmodelletje van drie liter. Twee grotere hebben een capaciteit van 30 en 40 liter. De een heeft drie versnellingen. De ander is traploos, zodat je de snelheid kunt toespitsen op de hoeveelheid deeg die je maakt. De mengers staan robuust op de grond en zijn grotendeels van (giet)ijzer. De menger van 30 liter is al meer dan honderd jaar oud en de Amerikaanse producent Hobart levert nog steeds de onderdelen. Hij staat zonder wielen op de grond en is niet te verplaatsen, zo zwaar.
Dan is er nog de ‘Diosna’, die een stuk groter is. Daar gaan drie zakken meel van 25 kg in. Hier is het de kuip die op de motor draait. In de kuip zit een arm die op en neer en heen en weer langs de rand van de kuip gaat om te kneden. Die arm komt zo steeds een ander deel van het beslag tegen. Hij staat zo afgesteld dat nootjes in het deeg heel blijven.
Dat mengen is essentieel. Je wilt geen klontjes. In de kleinere twee mengers heb je vanwege het procedé meer bewegingsvrijheid, terwijl het in de grote kuip veel rustiger mengen is. Maar dan moet alles wel heel goed aangeboden worden, bijvoorbeeld met gezeefde bloem. Maar bakkers hoeven zo in elk geval niet meer met de hand te kneden!
Al deze apparaten zijn heel solide. De apparatuur blijft niet alleen zo lang functioneren omdat ze ouderwets degelijk en analoog is, maar ook omdat ze met zorg gebruikt wordt. Paul is voorzichtig, mijdt het overbelasten van machines en gebruikt precies de juiste smering. De kuipen gaan in de grote afwasmachine met biologisch schoonmaakmiddel. (Na corona gebeurt afwassen niet meer met hand, want de arbeidsmarkt is te krap geworden.)
Doordat Arnhem een helling heeft, is de bakkerij ‘splitlevel’, waar ergonomisch dankbaar gebruikt van wordt gemaakt. In aflevering 14 vind je een van de foto de oudste machine.
Er is in deze bakkerij een uniek persje dat oorspronkelijk bedoeld was om heel koud deeg tot boterkoek te persen. Het is voor Paul omgebouwd om zo’n 6 of 7 kg, soms heel koud of stevig deeg zo te persen dat het in een keer op de uitrolmachine kan.
Die uitrolmachine is een soort tafel met een lopende band van canvas om het deeg uit te rollen en er een laag van te maken van de gewenste dikte. Die band moet eens in de zoveel tijd vervangen worden. Paul weet ze nog steeds tweedehands te krijgen. Elke banketbakker heeft wel zo’n ding en soms willen ze gauw een nieuwe. Vandaar dat ze er tweedehands zijn, en toch nog goed genoeg. De machine wordt gebruikt voor zowel zanddeeg, bladerdeeg als honingdeeg.
Er zijn ook nog andere apparaten, zoals (hand)mixers en blenders van een liter of tien, en de al genoemde appelschilmachine. Ze staan veelal stil, maar soms zij ze keihard nodig. Voor Pauls stevige vijgenbrood (met nootjes en anijs erin) is er een plakkensnijder (om de plakken samen met een kaasplankje te kunnen eten). Eerst moet het tot een boomstam geperst worden. Daarvoor is er dan weer een speciaal ontworpen mal. Dit product levert Paul aan de groothandel van Odin.
Paul vertelt: ‘Veel bakkers hebben machientjes in hun bakkerij die je nergens anders vindt. Ze zijn speciaal ontworpen voor een specifiek product. Dat maakt de plaatselijke smid dan, of een bedrijf dat in de hoek van de bakkerijmachines werkt. Vanouds waren er tientallen, zo niet honderden bakkerijen in een stad en die bakkers pasten hun apparatuur vaak aan om er een bijzonder product mee te kunnen maken.’ Zo konden ze zich onderscheiden, maar het leuke eraan is ook dat innoveren de gewoonste zaak van de wereld was.
Paul staat in die traditie. De meeste bakkerijen zijn inmiddels opgedoekt, maar er zijn bedrijven die al die oude spullen verzameld hebben (en nog verzamelen). Een bakker als Paul Koekie kan daar terecht voor nog uitstekend werkende tweedehands apparatuur en heel vaak ook voor onderdelen.
Ik vroeg Paul ook nog of, als iets kapot gaat, onderdelen ook met een 3D-printer gemaakt zouden kunnen worden. Dat zou voor een tandwiel waarschijnlijk wel kunnen, dacht hij. Maar dan moet je natuurlijk wel beschikken over de pdf met precies de juiste maten. En of dat tandwiel het dan ook net zo lang blijft doen, weet Paul ook niet.
De oven is natuurlijk het hart van een bakkerij. In die van Paul is, in lagen, ruimte voor 6 vierkante meter aan baksels. Paul kocht hem tweedehands. De oven verbruikt gas voor de benodigde warmte en elektriciteit voor de ventilatoren. Je laat hem eerst tot precies de juiste manier opwarmen en dan wordt die constante warmte met de ventilatie goed verdeeld over alle boven elkaar gestapelde bakplaten. Er is ook nog een klein hete-lucht-oventje voor bestellingen die tussendoor komen, wanneer de grote oven niet aan staat. De grootte van de oven bepaalt overigens de omvang van de benodigde planeetmengers – ze vormen een combinatie.
De bakkerij beschikt maar liefst over twee koelcellen en drie vriescellen, zo groot dat je er in kan staan. Bij de eerste is de temperatuur plus 2 graden Celsius; daarmee blijven droogwaren tenminste twee à drie weken goed. De vriescellen staan afgesteld op minus 15, 22 en 23 graden Celsius. Boter, bijvoorbeeld, komt in een grote hoeveelheid diep gevroren binnen en gaat in de vriescel. En wat er in de komende paar weken nodig is, verhuist naar de koeling. Daarin blijven producten als olijven in hun verpakking eindeloos goed.
Als er taarten gebakken zijn, gaan ze deels in de koeling; de rest in de diepvries. Ondanks de energie die dat vergt, verhoogt het de efficiency enorm, doordat je kuip vol is en de oven ook.
Hele appeltaarten worden met een apparaat in punten gesneden, en dat kan alleen als ze nog diepgevroren zijn. Anders vallen ze uit elkaar.
Je moet als bakker wel goed weten wat je wel en niet kunt invriezen. Water gaat niet goed in de vriezer. Het moet een eindproduct zijn. Een taart met verse slagroom gaat dus niet; die valt na ontdooien uit elkaar. Met bavaroise kan het dan weer wel.
Roomkaas maakt Paul liever zelf dan dat hij die inkoopt. Dat geeft een veel beter product (en dat is steeds zijn streven). Daarbij moet je wel heel schoon werken. Zo worden allerlei dingen uitgekiend met proberen en testen.
Nu nog verder met de soorten deeg; alle recepten staan op papier in een ouderwetse multomap (en ook in de computer). En met de marktdag.
Er zijn in principe vier soorten deeg. De twee waarbij roomboter gecombineerd wordt met tarwe en met spelt. En dan is er margarinebladerdeeg; en bladerdeeg dat wordt gebruikt voor de quiches (dat heet snelkorst). De verschillen tussen tarwe en spelt (met een andere elasticiteit) brengen verschillende bewerkingen met zich mee. En dan heb je nog allerlei zanddegen, met suiker, honing, rijststroop en speculaas. Paul maakt wel acht verschillende soorten zoete degen die de diepvries ingaan totdat ze nodig zijn. Elke week wordt van alles de voorraadlijst bijgehouden en wordt bekeken wat er op het programma staat. Dat is op zichzelf al een hele puzzel, maar daar houdt Paul wel van. Hij doet het op papier, want dat toont veel beter hoe het zit – je ziet de verbeteringen voor je.
Ook puzzelt hij uit hoe hij zo weinig mogelijk afval produceert. Zo koopt hij de grondstoffen het liefst in recyclebare verpakkingen. De leveranciers komen met een grote bestelling zodat er voor langere tijd voldoende is voor de productie. Zo wordt het rijden echt beperkt. Dat is niet alleen efficiënt, het uitpuzzelen is ook echt een sport voor Paul. Zodoende heeft de bakkerij met al zijn activiteiten toch slechts eens in de 2 weken een gewone grijs-afval-kliko vol. Het plastic en papier gaat apart en is qua volume samen evenveel.
De marktkraam is echt een ander facet van het bedrijf. Paul staat nu alweer ruim dertig jaar op de biologische markt van Utrecht. Het is eigenlijk als hobby begonnen. Eerst was er een groep van zeven collega’s die samen met hun brood en banket op wel vijf markten stonden, zoals Nijmegen, Zwolle, Amsterdam, Utrecht en Den Haag. Helemaal in het begin stonden ze ook op de allereerste biologische markt in Groningen. Ze verdeelden de dagen onderling. Paul deed de Noordermarkt in Amsterdam.
Nu is het alleen Utrecht en weer als een eenmansbedrijf. Het is om te beginnen geen kraam, maar een speciaal ontworpen auto, met een klep aan de zijkant en de ‘kraam’ binnenin en in een tentdeel ernaast. Behalve het eigen banket, waar ook allerlei koekjes bij horen en zelfgemaakte muesli met noten, verkoopt Paul op deze markt dus het brood van drie verschillende bakkers.
Als klanten speciale wensen hebben, probeert Paul daar iets op te vinden. Daarom heeft hij een viertal broden van een ‘klein bakkerijtje’ uit Arnhem waar ‘ze niks met tarwe hebben en amper wat met spelt’. Liever kiest deze bakker voor folio, boekweit, teff en dergelijke; dus niet-glutenhoudende graansoorten. Het is een klein deel van de omzet, maar belangrijk voor die specifieke klanten. De tweede leverancier zit in Brummen en is zelf ook weer afnemer van Paul – het gaat dus over en weer, zoals Paul het graag ziet. Daar komt veel van het brood op de kraam vandaan. De derde staat ook zelf met een kraam op de biologische markt in Utrecht, maar levert ter plekke ook Paul behoorlijk wat brood. Dat vindt Paul ook een heel leuk bedrijf; het is een soort zorgbakkerij. De bakkers uit Arnhem en Brummen zetten hun broden in de nacht voor de marktdag in zijn bakkerij in Arnhem (zij hebben de sleutel, net als veel leveranciers).
Door die combinatie heeft deze kraam een uniek assortiment van honderd soorten brood. Het is natuurlijk een kunst om precies zoveel brood mee te nemen, dat je aan het eind van de dag ‘los’ bent. Je moet dan steeds rekening houden met het weer, vakanties en dergelijke. Dat lukt volgens Paul best aardig. Zo geldt bijvoorbeeld: ‘Slecht weer, geen witbrood’. De klanten voor desem- en gistbroden komen ongeacht het weer toch wel, omdat ze die broden nergens anders kunnen krijgen. De een of twee kratten die aan het eind van de vrijdag overblijven gaan naar het Leger des Heils of de gaarkeuken; en als het teveel is naar de beesten van een bekende van Paul.
De meeste klandizie op de markt is heel trouw. Toen de bakkerij getroffen werd door de torenhoge energietarieven in de crisis van 2022 werd er een actie op touw gezet om hem aan zonnepanelen te helpen. En alle beetjes bij elkaar waren de bijdragen ten slotte voldoende om die panelen te betalen.
Over geld uitgeven gesproken: In Arnhem werken diverse personeelsleden mee om alles voor te bereiden en te bakken. Zij zijn gewoon in loondienst. Op de markt helpen er ook altijd twee of drie studenten die los betaald worden. Ik heb het met Paul niet over het financiële reilen en zeilen gehad, maar ga ervan uit dat een 35-jarig bestaan aangeeft dat het bedrijf in de huidige omstandigheden levensvatbaar is. Maar het gaat mij dus eigenlijk om de vraag of een bedrijf als dit toekomstbestendig is in tijden van verval. En dat ziet er heel aardig uit.
Dit besluit de beschrijving van het bedrijf op basis van het interview. Ik geef nu dus verder mijn eigen visie.
Paul Koekie is geen luddiet. Hij verwelkomt vooruitgang. Dat zie je aan zijn vriescellen en zonnepanelen. En aan zijn waardering voor de automatische remrijs-oven die een bakker van tijdszorgen verlost (zie aflevering 16). Maar als het niet nodig is, hoeft vernieuwing wat hem betreft kennelijk niet. Deeg mengen is deeg mengen en als een honderd jaar oud apparaat dat goed blijft doen, is vervanging overbodig. De analoge aanpak heeft zijn nut bewezen.
Paul kient steeds zo goed mogelijk uit wat de beste aanpak is. Zo is hij niet star. Als hij een groot aantal taarten tegelijk bakt en hij stopt die grotendeels in de vriezer, dan blijkt hij energetisch toch beter uit dan zonder vriezer en het bakken van kleine porties. Hij is ook een innovator. Het beste product maken staat voorop, en dat kan je bereiken door varianten uit te proberen, en zo nodig door een speciaal hulpapparaat te laten maken.
Je moet je ook bij je leest houden. Verschillende soorten taarten is prima, met daarbij wat standaard koekjes, muesli, granola en vijgenbrood, maar niet nog veel meer soorten koekjes. Acht soorten meel gebruiken is al mooi genoeg. Het geheel moet overzichtelijk blijven.
Duurzaamheid telt zwaar mee, maar Paul houdt zich niet bezig met verval op termijn en welke gevolgen dat voor zijn bedrijf zou kunnen hebben. Hij zit in het nu. Hij is niet bezig met grote zaken als ‘alternatieven voor gas’. (Geen vragen als: Zou biogas kunnen, of warmte met zonnespiegels? Is daar ruimte voor? Kan de oven aangepast worden?) Desondanks kunnen we deze bakkerij wel degelijk vanuit het abstractere perspectief van holons en van Latours nieuwe horizon bekijken.
In aflevering 4 en 5 is sprake van strategieën van herstel-elastische veerkracht. Waar valt een bedrijf onder dat oude productietechnieken en handelwijzen in stand houdt die functioneren zonder een bijzonder hoog technologisch niveau? Dat in stand gehouden verleden maakt het als het ware al klaar voor de sobere toekomst. Toch bezet het in het nu een levensvatbare niche. Als subsysteem drijft het zo met de stroom van verandering mee zonder zelf veel schade te lijden. Het heeft voldoende weerstand in huis. En het kan snel reageren op onverwachte gebeurtenissen.
Het verlies van de klandizie van Ekoplaza werd opgevangen door spreiding over meer losse, lokale winkels, en er is diversificatie met de marktkraam. De verdubbelde energiekosten worden nu voor 15 procent gedekt uit zonne-energie en er gaan nog zes panelen op een verticale muur geplaatst worden. De bakkerij gebruikt alle stroom zelf (voor de altijd stroom vragende vriescellen) en heeft dus geen salderingsregeling nodig.
Latour heeft het in aflevering 17 van het derde artikel in deze serie over degenen die marginaal werden, omdat ze ‘niet meegingen in de overstap naar het globale’. Voor hen geldt de vraag ‘waar kunnen we landen?’ niet, want ze zijn nooit opgestegen. Zoiets geldt ook voor deze bakkerij. Hij staat middenin het heden, maar heeft geen concessies gedaan aan het droombeeld van schaalvergroting en technologische nieuwigheden. Daarmee is het bedrijf een toonbeeld van de toekomst die Latour schetst, waarbij de eerst vage, marginale buitenkant van de cirkel weer het centrum van ieders aandacht wordt en het oude middelpunt niet meer de horizon is waar alles zich op richt. Deze bakkerij wordt dan een voorbeeld van hoe het ook kan; ook voor andersoortige activiteiten trouwens. Bakken zal zeker weer veel lokaler worden, en dan zijn er een heleboel bakkers zoals Paul nodig.
Op het persoonlijke vlak heerst er zo te zien onderlinge veiligheid, gelijkheid en vertrouwen. Paul werkt soms al decennia samen met veel leveranciers, collega’s, klanten en zo meer. Er heerst transparantie en zelfs congruentie, onder meer door het intensieve persoonlijke contact, niet via websites, maar van aangezicht tot aangezicht. Zo vormen ze samen dus ook een membraan en is Pauls reputatie erbinnen belangrijk. Dat zag je aan de bijdragen voor zonnepanelen die de markklanten zo van harte gaven.
Het doel bij Paul is duidelijk: blijven voorzien in biologische producten, omdat die bij de samenleving horen waar je zelf ook deel van wilt uitmaken. Het blijkt niet al te moeilijk om genoeg medestanders te vinden die met dit idee mee willen gaan, als leveranciers, als medewerkers en als klanten. Zulke bedrijven houden het nog op allerlei plaatsen vol, ook al vormen ze maatschappelijk een kleine minderheid. En daar gaat het er vanzelf bijna slap aan toe, op een overzichtelijke schaal.
Er zijn vast ook in andere branches meer van dit soort bedrijven, maar dit is wel een bijzonder mooi exemplaar.
Alweer lang geleden moest mijn warme bakker in de Utrechtse wijk Wittevrouwen zijn oven vernieuwen. (Waarschijnlijk moest dat er een worden met een remrijskast erbij. Dan kan je overdag je deeg maken, en gaat het via de vriezer, na een opwarmingsproces automatisch de oven in.) Die oven zou (zegt mijn herinnering) 150.000 euro kosten. Met het oog op zijn pensioen zag de bakker toen van deze investering af en zocht elders werk. De bakkerij werd een woonhuis. Laten we hierover (met de natte vinger) eens wat hoofdrekenwerk verrichten om anno nu de positie van een warme bakker (of een andere detailhandelaar) wat beter te doorzien. Dat moet dan wel in de vorm van geld gebeuren, de prettigheid van het werk daargelaten.
Stel dat die nieuwe oven 30 jaar meegaat. Dan kun je de investering ook opdelen in 30 jaarlijkse porties van 5.000 euro. Die kosten komen bij 250 bakdagen per jaar uit op 20 euro per dag. Als de winst per brood 1 euro is (na aftrek van de kosten van de grondstoffen en de kosten van het winkelpersoneel), dient de verkoop van de eerste verkochte 20 broden dus om de oven te betalen.
De rente/aflossing zal ook wel 5000 euro bedragen. Dat is nog eens 20 euro per dag. Die oven kost ook energie; stel dat ook op 20 euro per dag. Tel er dus nog maar 40 te verkopen broden bij.
Dan is er nog de huur van de bakkerij plus de winkel. Stel dat de oppervlakte 50 m2 is en de kale huur 150 euro per meter, dan bedraagt de huur 7.500 euro per jaar: 30 broden per dag.
Zo komen we, met vast wel een paar grote missers in de aannames, op 90 broden die verkocht moeten worden voordat de bakker zijn eigen inkomen begint te verdienen. En één bakker kan per dag misschien wel een paar honderd broden bakken, maar geen duizend. Iedereen zal aanvoelen dat zelf vers brood bakken geen vetpot is. Daarom is zo’n bakker intussen een zeldzaamheid.
Hoe zal dat zijn in de nieuwe gemeenschap die wordt opgebouwd nadat het verval heeft plaatsgevonden? David Fleming ziet daar vooral veel ruil plaatsvinden. Een (halve) eeuw geleden kwam er in het winkelboek een streepje achter je naam voor elk brood dat je kocht en dat gebeurt dan misschien weer. (Met weinig verschillende broden en vaste patronen is die handmatige administratie doenbaar.) De klant heeft dan op een gegeven ogenblik een ‘schuld’ van een x-aantal broden. Als hij of zij ook een duidelijk beroep heeft, bijvoorbeeld kleermaker, dan kun je je wel een ruil voorstellen: kleren als betaling voor broden. Maar lang niet iedereen zal een kant en klaar product hebben om te ruilen. Wie huizen bouwt heeft al te maken met tal van toeleveranciers: de boer levert lisdodde of stro, een zagerij planken en balken, die weer als ruw materiaal van de houtzagerij (en de houthakker) komen. Je kunt je voorstellen dat er met al deze vormen van inbreng in theorie wel een soort eerlijke verdeling gemaakt kan worden, maar dat zal vast niet altijd van een leien dakje gaan. Naijver en meningsverschillen liggen dan op de loer. Dan is lokaal geld wel heel handig. Daarmee houden alle producten wel een prijs, maar is de rente die hierboven voor de aanschaf van de oven en de huur van de bakkerij betaald werd, wel uitgebannen.
Mensen als Rob Hopkins en David Fleming zien het misschien te positief. Zij zien de gemeenschap als een totaalproject, en zo mede als een bundeling van taken die nu eenmaal gedaan moeten worden. Eenieder in de gemeenschap zet zich dan aan deze of gene taak, waarbij het vakmanschap waarschijnlijk automatisch al ten volle benut wordt (en het leerlingenstelsel vast weer van stal gehaald zal worden). Maar het zou wel heel gunstig zijn als alle werk voor ieders gevoel eerlijk verdeeld wordt. En dat eenieder de waardering krijgt waaraan hij of zij zo’n behoefte heeft. En dat voor alles de vereiste vakkennis en handigheid voorradig is. En dat er eensgezindheid heerst over welke taken er allemaal zijn, en over de vraag hoe je die tegen elkaar afweegt. Er is altijd wel onpopulair of vies werk dat toch gedaan moet worden (denk aan wieden bij slecht weer).
Er zal dus hard gewerkt moeten worden aan eerlijke gelijkheid, welwillendheid en manieren. De kleine schaal zal daarbij vast helpen, maar iedereen er echt bij laten horen – veilig en gelijk – is iets waar we hier en nu alleen maar van kunnen dromen. Dat de gemeenschap samen huizen bouwt, of de oogst binnenhaalt, van alles en nog wat viert, en in vergadering de gang van zaken evalueert, maakt de uitgangssituatie veel beter dan in de gefragmenteerde samenleving van nu. Maar dat verval kwam intussen natuurlijk niet van harte. Of het een financiële of energiecrisis is, oorlog, een pandemie, het klimaat, of nog iets anders, het zal beginnen met puinhopen die je als gemeenschap weg moet werken, of (erger) waarmee je blijvend moet zien te dealen.
En waarschijnlijk zal – net zoals de jager-verzamelaars hun buren soms moesten vrezen – in de omgeving ook steeds gevaar op de loer liggen.*
Ergens rond het jaar 1990 ontdekte de Japanse hoogleraar landbouwkunde Teruo Higa de zogeheten Effectieve Micro-organismen, afgekort als EM. Higa was elke dag in zijn laboratorium in de weer met allerlei micro-organismen. Aan het eind van de dag moest hij steeds alles schoon achterlaten. Omdat alle micro-organismen waarmee hij werkte totaal onschadelijk waren, deed hij ze dan bij elkaar in een emmer en spoelde ze door de gootsteen. Maar op een keer vond hij ze té waardevol om ze op zo’n manier te lozen. Daarom kiepte hij de emmer uit over een stukje gras buiten het lab. Ongeveer een week later zag hij verschil met het omringende gras. Het begoten gras was weelderiger. Het groeide zichtbaar beter.
Higa dacht er eerst helemaal niet aan dat hij dit zelf had veroorzaakt. Hij meende dat een van zijn studenten aan het experimenteren was geweest. Maar zijn studenten herinnerden hem eraan dat hij het zélf was geweest die iets over het gras had gegooid. En ineens realiseerde Higa zich wat er gebeurd was. Het was de combinatie. Wat uniek was aan zijn emmer micro-organismen was dat het een mengsel was van verschillende typen. Dat méngsel gaf effecten die hij bij de individuele micro-organismen niet had waargenomen.* Eenmaal op het goede spoor kwam Higa ten slotte met het bekende mengsel van meer dan tachtig soorten micro-organismen, met groepen als fotosynthetiserende bacteriën, melkzuurbacteriën, gisten, actinomyceten en schimmels die fermentatie veroorzaken.* EM werd vervolgens een product dat wereldwijd op de markt kwam. Het eigenlijke EM komt in geconcentreerde vorm uit Japan en door de micro-organismen van voedingsstoffen te voorzien, kan de hoeveelheid ter plekke gemakkelijk tot een veelvoud worden vergroot. Deze EM is goed voor bodem, plant, dier en mens.
EM wordt in Nederland exclusief op de markt gebracht door het bedrijf EM Agriton BV. (Ik noem het verder Agriton.) Dat bedrijf is ook leverancier en producent van tal van andere natuurlijke producten, vooral voor de professionele veehouderij en land- en tuinbouw, voor hoveniers en de overheid, maar ook voor gebruik in huis en tuin en voor wellness. Agriton omschrijft hun missie zelf zo: ‘Onze producten zijn erop gericht om de chemische, fysische en biologische aspecten in de kringloop bodem-plant-dier-mest te verbeteren. Deze processen werken onafscheidelijk met elkaar samen aan een duurzame bodemvruchtbaarheid. Ons uitgangspunt is een beter milieu en de productie van gezond en veilig voedsel door beter en efficiënter gebruik te maken van de aanwezige natuurlijke voedingsstoffen.’
In de gangbare landbouw is de aandacht veelal eenzijdig gericht op stikstof, fosfaat en kali (NPK) en in de heersende reductionistische visie verdwijnt het belang van de noodzakelijke sporenelementen dan al gauw naar de achtergrond. Toch kan je met slechts een minimale gift van sporenelementen een belangrijke ondersteuning geven om bodem en plant vitaal te houden. Agriton wil de plant graag helpen bij de bouw van enzymen, vitaminen en essentiële aminozuren. Dat vereist een holistische kijk en die wordt in de gangbare landbouw node gemist.
Ikzelf bezocht al weer lang geleden in Duitsland een boer met 20.000 kippen (wat toen nog heel veel was), die EM verstoof in de lucht van zijn stal. Die kippen zagen er heel vitaal uit. Volgens de boer waren ze gezonder en pikten ze elkaar niet meer kaal. En ik sprak een andere boer die EM gebruikte rond zijn 50.000 fruitbomen. Ook hij was blij met de resultaten van EM, maar niet eenkennig: hij probeerde nog meer uit. Net als Agriton dat doet, als je naar hun assortiment kijkt.
Agriton heeft succes met Bokashi – dat is het Japanse woord voor ‘goed gefermenteerd organisch materiaal’. Door toevoeging van EM verwerk je, afgesloten voor zuurstof, organische resten tot een rijke bodemverbeteraar. Het mengsel wordt minimaal acht weken luchtdicht afgesloten. Dit kan op de schaal van het huishouden met speciale fermentatie-emmers en op schaal van de gemeente met verzamelcontainers.
Veel boeren sproeien bij het inkuilen van gras en mais er EM bij. Ze verpakken het hooi vaak in die grote plastic balen die je vaak ziet liggen (dat heet silage). De koeien vinden het zuurkoolachtige resultaat veel lekkerder. In deze noot meer hierover.*
Tenslotte is EM ook een fantastisch reinigingsmiddel voor in het huishouden. Dat gaat in flacons met de naam ‘Wipe & Clean’. Micro-organismen reinigen trouwens niet alleen onze woonomgeving, maar ook plekken die zwaar vervuild zijn. Er zijn op dit vlak tal van hoopgevende projecten.*
Nu zou je denken dat zo’n natuurlijk wonderproduct wel overal gebruikt wordt, maar dat valt eigenlijk wat tegen. Dat komt mede vanwege het holistische karakter van zowel het product als de benadering van Agriton. We horen daarover in een gesprek dat ik had met Jan Feersma Hoekstra, technisch directeur van Agriton. Maar eerst geef ik in de volgende aflevering een idee van het assortiment van hun producten.
Ik citeer in de volgende aflevering uit de website van Agriton, maar ben ook enigszins selectief in wat ik weergeef.
Wie op de website https://agriton.nl/producten-pagina/ kijkt, ziet dat ze daar vier productgroepen onderscheiden, bedoeld voor de bodem, het vee, in de akkerbouw, en voor huis, tuin en wellness. Ik geef hier de beschrijving van een aantal producten weer:
EM-1 is een (geregistreerd) mengsel van vrij in de natuur voorkomende Effectieve Micro-organismen en wordt gebruikt om de natuurlijke weerstand van bodem, plant, water en dier en ook bij jezelf te verhogen. Elk van de soorten erin heeft specifieke taken. Ze bevorderen bovendien elkaars werking. EM is dus puur natuur: verzameld in de vrije natuur en niet gemodificeerd of gemanipuleerd. EM-1 wordt samen met rietsuikermelasse (de dikke stroop die bij rietsuikerbereiding overblijft) gebruikt om EM-A (geactiveerde EM) aan te maken in een activator.
EM-5 is een gefermenteerde vloeistof op basis van EM, appel-azijn en alcohol. EM-5 ondersteunt de natuurlijke weerstand van planten en creëert een gunstig microbieel milieu op blad en stengel. Het weert schadelijke insecten. EM-5 doodt deze insecten niet, maar verdrijft ze. Het middel is echter niet selectief, dus ook hommels en bijen kunnen er door geweerd worden.
Microferm is een kant-en-klaar mengsel van micro-organismen van onder andere melkzuurbacteriën en gisten voor de fermentatie van mest en ander organisch materiaal. Samen met Pro-Mest Totaal zorgt het ervoor dat drijfmest gaat rijpen in plaats van rotten.
ÆGIR zeeschelpenkalk is een natuurlijke kalkbron die gewonnen wordt uit schelpenbanken op de Noordzee. Het product is rijk aan hoogwaardig calciumcarbonaat (CaCO3) en zit boordevol essentiële sporenelementen. Die zijn van groot belang voor de vitaliteit van de bodem. Het middel reguleert de pH en helpt het bodemleven.
Vulkamin oergesteente is een zacht oergesteente (‘zeoliet’) van vulkanische oorsprong. Het is een natuurlijke grondstof, rijk aan mineralen en sporenelementen. Het wordt in gemalen vorm gebruikt als boxenstrooisel, en in granulaatvorm als meststof.
Edasil is een kleimineraal (montmorrilloniet) afkomstig uit de groep bentonieten. Montmorilloniet kan door de unieke structuur een enorme hoeveelheid vocht opnemen. Dat gaat gepaard met een hoge bindingscapaciteit van nutriënten.
Bokamix is een mix van Edasil kleimineralen en Aegir zeeschelpenkalk, om samen met Microferm te gebruiken voor het maken van Bokashi.
Alloy Weide bevat een range van sporenelementenmeststoffen op basis van metaallegeringen bedoeld voor bijstrooien op de weide. Deze legeringen ‘roesten’ in de bodem weg. Hiermee komen essentiële micro-elementen (soms zeer) geleidelijk vrij overeenkomstig het behoeftepatroon van de plant.
Mest Best Pellets is een mengsel van meelwormenmest, raapzaadschilfers, edasil kleimineralen, vulkamin oergesteentemeel, zeewier, sporenelementen en bacteriecultuur. Hierdoor bevat het een hoog aandeel van organische stof, plus een verscheidenheid aan sporenelementen en ook NPK 3-2-2.
Er is nog een aanvulling hierop in deze noot.*
EM Silage is een kant-en-klaar bacteriepreparaat van melkzuurbacteriën én gisten, dat enkel nog met water moet worden verdund.
Met de Bokashi-emmer fermenteer je zelf je etensresten tot een smakelijk hapje voor het bodemleven. Bijna alle etensresten zijn geschikt, als ze maar vers zijn.
In en rond je huis kun je schoonmaken met Wipe & Clean. Het helpt de ‘goede’ bacteriën aan een meerderheid.
EM Drink is een gefermenteerde drank die onder meer actieve en levende melkzuurbacteriën bevat die kunnen bijdragen aan een gezonde darmflora. Het is verrijkt met biologisch aroniasap. De aroniabes zit boordevol met vitamine C & K en anti-oxidanten. Dit ondersteunt het lichaam.
EM-X Gold is een vloeibare anti-oxidant die cellen beschermt, een gezonde celdeling ondersteunt en het immuunsysteem stimuleert.*
We gaan na dit overzicht nu over naar het interview met Jan Feersma Hoekstra, die de holistische kijk van Agriton uitlegt en vertelt welke moeilijkheden die aanpak oplevert.
Jullie krijgen EM aangeleverd vanuit Japan. Wat gebeurt er dan precies mee?
Agriton krijgt (behalve EM-X) drie verschillende mengproducten uit Japan binnen. Die kun je mengen en die kun je vermeerderen met suikerrietmelasse en dan krijg je een product dat EM-1 heet.* Je hebt dus voedingsstoffen en je hebt microbiologie en die laat je op elkaar inwerken. Dan krijg je een gefermenteerd product als EM-1.
EM-1 is dan weer de grondstof voor veel andere producten. Je kunt met voeding, temperatuur en milieu je leefgemeenschap sturen. Dan gaat het er dus om: Hoe ga je de bacteriën voeden? Op welke temperatuur? Voeg je nog pH-regulatoren en andere zaken toe? Zo stuur je aan op bepaalde producten. Eén van de producten die daaruit komt is Microferm; een ander is EM-Silage; er is een broeiremmer voor de veehouderij; er is ook het reinigingsmiddel Wipe & Clean en een airverfrisser voor op het toilet, en je hebt EM-drink.
Dat kan allemaal omdat er in de basis verschillende groepen micro-organismen zitten die je op verschillende manieren kunt combineren. Dat vormt de sleutel. Dat is het mooie aan de gedachten van Higa. Zo wordt er bijvoorbeeld gebruik gemaakt van ‘fototrofe’ microbiologie. Iedereen denkt bij die naam aan licht, maar als je even verder denkt dan is licht niets anders dan straling; ga je nog verder dan is het niets anders dan geluid, trilling. En dat beïnvloedt elkaar.
Zet je mensen van gelijke aard en natuur bij elkaar, dan heb je binnen de kortste keren harmonie, vreugde en plezier, en dan kan er van alles. Zet je er mensen bij van een andere aard, dan gaat het fout. Die vibreren anders. Alles is trilling.
Het product EM is zo mooi omdat het een harmonisch geheel bevordert. Het is eigenlijk een leven dat bestaat uit verschillende onderdelen. Dan kom je bij Lynn Margulis terecht, zoals zij organen en lichamen en planten beschrijft – dat de fotocellen in een plant ooit fototrofe bacteriën zijn geweest. En je komt ook bij hoe ons lichaam functioneert. Dat lichaam is eigenlijk een levende robot voor bacteriën. Niet meer en niet minder. Die onderdelen beïnvloeden elkaar.

Figuur 5.4: e beïnvloeding van een rottend milieu door een gezond EM-milieu.
Hoe moet ik me die werking voorstellen, Jan?
De beïnvloeding door EM kun je inzichtelijk maken door een gezond EM-milieu en een rottend milieu weer te geven als twee klokkrommes naast elkaar. Deels overlappen ze elkaar. Het uiteinde van de kromme van het EM-milieu loopt onderin door in de kromme van het zieke milieu. Waar de overlap het grootst is, zie je de wederzijdse beïnvloeding het duidelijkst. Maar ook in het uiteinde van de (lange) staart, ver in de kromme van het zieke milieu, beïnvloedt EM het milieu. Ten goede, wel te verstaan.
In een rottend milieu trilt alles verkeerd door niet-gewenste microbiologie. Dat verzet zich tegen EM, net zoals EM in een gezond milieu rottingsbacteriën weinig kans geeft. Toch kun je niet-gewenste microbiologie dus bestrijden met EM. Als je in een ziek milieu maar steeds in EM blijft voorzien, als je maar blijft stromen, dan gaat het uiteindelijk alles meetrillen.* Je probeert met EM in dat milieu dezelfde resonantie te krijgen.
En hoe moet ik me dat dan voorstellen?
Denk bijvoorbeeld aan een volle zaal waar mensen een ritme slaan op een trom. Dan duurt het niet lang of de eerste mensen gaan op dat ritme bewegen. En dat zet weer andere mensen aan om ook te gaan bewegen. Het duurt niet lang meer of het grootste deel van de zaal beweegt op het ritme van de trom. Er zijn er ook die het ritme – of de verstoring van het milieu – niet aanstaat. Die bewegen niet mee, of verlaten de zaal.
Een van de krachten van EM is, dat als deze resonantie eenmaal klaar is, je juist niet hoeft door te gaan. Je kunt langzaam maar zeker zonder.
Agriton is dus juist geen dealer die verslaafde klanten maar kan blijven leveren?
Nee, maar je moet het systeem vervolgens wel in harmonie blijven houden. Als je dan gewasbeschermingsmiddelen gaat toepassen, dan ga je tegen het systeem in. Een plant wordt ziek omdat de balans er niet is. Het is nog niet zo eenvoudig om alle aspecten van een plant of een dier in balans te krijgen, maar met gebruik van EM wordt de plant of het dier minder makkelijk ziek.
Hier helpt het beeld van een klassiek concert. Ga je daarin halverwege een half uurtje Black Sabbath spelen, dan verandert er direct heel veel. Een groot deel van het publiek zal de zaal verlaten, een ander deel zal gaan swingen. Ga je halverwege echter een half uur Pink Floyd spelen, dan zal er minder verstoring zijn. Als je de zaal (het milieu) kent weet je ook wat je wel of niet moet doen om het publiek te houden.
Het is niet zo dat Europa deze benadering niet snapt; maar deze materie past niet in het hokjesdenken.
Alle grote multinationals zijn momenteel bezig om producten voor de menselijke gezondheid te ontwikkelen op basis van dit soort gedachten. BASF, Bayer, noem maar op. Ze zijn allemaal bang de boot te missen, zegt Jan Feersma. En ze vínden ook producten. Hij beschouwt dat echt als een doorbraak.
Ben je niet bang voor die concurrentie?
Niet echt. Dit soort natuurlijke producten kun je niet patenteren. Dat geeft ook mogelijkheden voor Agriton. De kracht van EM is dat het een mix is. Maar dat wordt in Europa niet begrepen, niet gewaardeerd en niet geaccepteerd. Hokjesdenken en regelgeving op basis van een andere kijk zitten EM in de weg.
Wij hebben daarom – bij wijze van noodgreep – de laatste jaren zelf tonnen geïnvesteerd in de ontwikkeling van een ‘single-strain-factory’. Dat kunnen we doen omdat we financieel een gezond bedrijf zijn. Wij herinvesteren voortdurend in plaats van dat onze winsten naar een verre holding gesluisd worden.
Komt die noodgreep door de regelgeving?
Ja. Om een mengsel op de markt te brengen moet je voor elke strain aantonen dat ze veilig is en dergelijke. Daarom zijn we hier drie jaar geleden mee begonnen. Wij kunnen nu één reine soort microbiologie kweken en vervolgens vermeerderen. Zo kunnen wij ze stuk voor stuk voor een cocktail kweken (die elk apart worden goedgekeurd) en die dan bij elkaar gooien, en dan mag dat product wel.
Dat je het zo moet aanpakken, ontdekten we toen we met EM-silage naar Brussel gingen.* Die mevrouw zei: ‘Oh, groeien jullie ze samen?’
Ik zei: ‘Ja. Vertel eens?’
Toen zei zij: ‘Our system is not built for that.’
Zo bleek dat we voor de toelating van EM met single-strains moesten beginnen. We investeerden dus terwijl we a) nog geen klanten hebben, en b) de wet er nog niet rijp voor is.
Is dit soort werk moeilijk?
Het is inderdaad niet zo eenvoudig. We moeten bijvoorbeeld bacteriën kunnen invriezen, ze bewaren in vloeibare stikstof. Je kunt ook niet steeds doorgaan met vermeerderen, want als je vertrekt uit een juiste beginstand krijg je te maken met natuurlijke selectie en genenoverdracht bij bacteriën. De natuur is constant bezig hè. Als je die natuur zijn gang laat gaan, is dat niet te beheersen. En je moet het juist niet wíllen heersen. Beter is dat wij ons aanpassen aan het natuurlijk milieu. Beheren is beter dan beheersen. En dat wil er in Europa zo moeilijk in.
Maar we hebben het toch over een mengsel van wel tachtig soorten, of zo?
Dat is ook zo’n mooi verhaal. In alle oude literatuur staat tachtig. Toen gingen ze het vijf groepen noemen (die uit aflevering 17). Als je nú naar de verpakking kijkt, zijn het alleen melkzuurbacteriën en gisten. De rest staat niet meer op het etiket. Dat doet Japan. En wat op het etiket staat is leidend.*
Als je de samenstelling precies wilt nakijken, hangt het er ook weer van af welke grondstoffen je gebruikt bij vermeerdering. Zeg je bijvoorbeeld: Ik gebruik suiker en die suiker is goed voor deze voedselketen. Dan zitten op die suiker bacteriën die op die manier in dat mengsel komen…
De weg die de overheid wil om voor natuurlijke producten de precieze samenstelling vast te stellen, is dan ook een heilloze weg. Maar het is ook de vraag of het verstandig is om het etiket bewust vaag te maken. Als er mensen onwel zouden worden van het innemen van EM-drink, dan kun je de tent wel sluiten.*
Mijn zoektocht, zegt Jan Feersma, is om de EM-techniek volledig geregistreerd te krijgen.
Gaat het alleen om EM?
Wij zijn veel breder bezig. Zo zijn wij ook bezig in de veevoeding met een product dat maakt dat je minder soja zou kunnen voeren in je rantsoen, wat op een lagere CO₂-footprint uitkomt. Wij zijn bezig met bemestingsvormen, zoals bladmeststoffen, waardoor je veel minder kalk en mosselsalpeter hoeft te gebruiken. Dat hebben we ook wetenschappelijk aangetoond. In de bemestingsstoffen zoek ik ook steeds naar nieuwe dingen. Als je gaat nadenken, krijg je invallen. Soms goede en soms, zo blijkt na beproeving, minder goede. Maar zodra wij succes hebben, zijn er allemaal bedrijven die het opvalt dat dat product overal komt en dan komen ze met een concurrerend product. Terwijl ze niet eens weten hoe onze producten in elkaar zitten.
Met de producten schelpenkalk en gesteentemeel hoeft dat niet. Die producten zijn duidelijk.
Laten we het nu hebben over die andere producten van jullie, schelpen en gesteentes.
Om te beginnen: die producten gebruiken is helemaal niet nieuw. Die toepassing is veel ouder dan de moderne land- en tuinbouw. Zeeschelpenkalk heeft het voordeel dat het a) kalk brengt aan de bodem, b) dat het pH-regulerend werkt.
Wij willen met ons allen gewoonlijk snel resultaat zien. Wetenschappelijk kwam er bewijs dat als je kalk maar zo fijn mogelijk maakte, het de pH het snelst omhoog krijgt.
De vraag was: ‘Hoe krijgen de pH zo snel mogelijk 5 naar 7?’ Want de wetenschap heeft met allerlei proeven uitgevogeld dat we met een hogere pH betere opbrengsten krijgen. Maar men vergeet dat de overgang van 5 naar 7 geen twee punten zijn; het is immers een logaritmische schaal. Dus dat is een verschil van honderd. Dat is dodelijk voor microbiologie.
Kijk, zegt Feersma, de pH is eigenlijk niet het probleem. De calciumvoorziening is het probleem. Bij lage calcium heb je altijd een lage pH, en bij hoge pH heb je altijd veel calcium. Kijk naar de hoofdelementen van Von Liebig: die NPK (stikstof, fosfaat en kalium) kennen we allemaal. Maar haast niemand weet wat de volgende hoofdelementen zijn. Dat zijn calcium, magnesium en zwavel. Die vormen met NPK de hoofdelementen. Dat sluit aan op CHNOSP. Dat zijn namelijk de elementen die elementair zijn voor alles wat leeft: koolstof, waterstof, stikstof, zuurstof, zwavel en fosfaat. Anders komen er geen eiwitten. Die twee moet je over elkaar heen leggen en kijken hoe je daarmee boert.
En hebben ze dat dan vrij eenzijdig geïnterpreteerd als: we moeten de pH verhogen?
Inderdaad. En dat gingen ze dus doen. Onderzoek begint altijd met een onderzoeksvraag. Die moet goed gedefinieerd worden. Men heeft bij veel van die onderzoeken naar de pH de boel vergeleken met het achterwege laten van een gift. Dan kun je gemakkelijk de verkeerde conclusie trekken.
En dan gaat het mis met de microbiologie?’
Als je dat met fijne kalk doet wel. Wij doen dat met de grove kalk van zeeschelpen. Dan komen de worteltjes van de plant om die schelpjes heen. Zeeschelpenkalk heeft een gladde binnenkant – die is moeilijk door bacteriën af te breken. Aan de buitenkant zit een heel dikke laag – die is ook stevig. Maar daar tussenin zit een zachte laag. Die worteltjes kunnen zo altijd aan calcium komen. En dat is voor het skelet van de plant heel belangrijk. En de pH stijgt met ongeveer 0,1.
Hoe komen jullie er aan?
Die kalk wordt in Nederland gemijnd, op de zeebodem. Door stromingen in de zee worden de dode schelpdieren in banken gedeponeerd. Die vis je leeg en kom je er dan twee jaar weer, dan is die bank weer vol. Enzovoort. Dat gaat om grote volumes. Wij verkopen het in de land- en tuinbouw per vrachtauto vol. Dat is 28 ton tegelijk. We malen de schelpen ook voor de veevoeding.
Is het goedkoop omdat je het alleen maar hoeft op te zuigen?
Ten opzichte van andere kalk is het zelfs duur. Maar in de veehouderij is het zo gewild dat we nooit een klant hoeven te bellen. Die bellen zelf wel. Zo tevreden is men erover. En ook de toepassing op het land groeit elk jaar nog gigantisch.
En er zijn ook nog gesteentes?
Wij hebben vulkamin. Dat is een gesteentemeel, een fonoliet. Die kan bijdragen om een klei-humus-complex te vergroten. Je hebt verschillende soorten gesteentemelen, maar vulkamin is echt een lavameel die anaeroob gestold is. Die ga je malen en dan krijg je een veel groter oppervlak dan wanneer je een steen gaat malen. Dat kun je ook zien. Voor duizend kilo vulkamin is een grotere zak nodig dan voor duizend kilo basaltmeel, dat we uit concurrentieoverwegingen ook maar in het assortiment hebben opgenomen. Die zak zit minder vol.
Behalve het oppervlak is er nog een verschil. Als molecuul ziet fonoliet er uit als een gesloten zeshoek. Binnenin is die kring negatief geladen. En als je dan ammoniummeststof gebruikt gaat dat positief geladen ammonium (NH4+) aan die negatieve lading zitten. Dat gebeurt zonder dat het reageert. Dus spoelt het niet uit en wordt geen ammoniak. Het blijft NH4 die magnetisch gebonden is. Dat doen fonolieten. Het ammonium blijft beschikbaar voor de plant en het wordt ook geen nitraat. Blijft NH4 zónder fonoliet in de bodem, dan wordt het omgezet in nitraat en nitraat spoelt uit. En bij ammonium komt dan ook vaak nog een stukje ammoniak vrij en dat gaat de lucht in. Dus ik heb met vulkamin twee keer winst.
Maar slaat dit aan?
Ja, langzaam maar zeker komen er steeds meer mensen die van het nut overtuigd zijn. Maar de landbouwvoorlichting pikt het nog niet op. Als ze dat zouden doen… Ik kan lezingen geven, wat ik wil. Maar die voorlichting zegt: de producten zijn te duur. Zij redeneren namelijk: de boeren huren ons in om hen advies te geven. Daar moeten ze ons voor betalen. Dus wij moeten overal zoeken naar het antwoord op de vraag: ‘Waar kunnen ze op besparen?’
Wat goed is, heeft niet de hoogste interesse bij de landbouwvoorlichting. Geld regeert.
Bokashi is op dit moment hot, vertelt Jan Feersma. Er zijn wel twintig Nederlandse gemeenten die Bokashi gebruiken. Groningen, Leeuwarden en Deventer bijvoorbeeld. De gemeente Rotterdam doet het onder andere met alle afgevallen bladeren. En als ze de Bokashi klaar hebben, brengen ze het terug in de borders. En dan zien ze dat ze door de dikte van de mulchlaag veel minder onkruid hoeven te wieden en die besparing alleen al is groter dan de kosten van het Bokashi maken. De borders zien er bovendien mooier uit en ze gebruiken er geen meststoffen meer.
Eerst was het: het afval naar de composteerinrichting brengen en daarvoor betalen. En dan compost afnemen om die terug in de bedding te doen, ook weer betalen – al deden ze dat met kleine beetjes. En dan schoffelen en wieden in de bedding, ook weer kosten. Rotterdam ziet het voordeel van Bokashi en gaat er helemaal voor. En niet alleen gemeenten passen Bokashi toe, ook bedrijven, loonwerkers en particulieren doen eraan.*
En nu Bokashi hot is, zegt de overheid: dan moeten we dat in een kader gieten; in een hokje duwen! Want compost heeft ook een kader. Dat compostkader stelt wat er goed en niet goed is. Er is de zogenaamde keurcompost. Dat is de beste compost. Bokashi wordt zo groot; dus daar moet dat ook.
Oké. En hoe is het met Wipe & Clean?
De schoonmaakmiddelen gaan goed bij winkels zoals Odin. Er zijn echter wel een paar struikelblokjes om het snel groot te maken. Zo hebben wij a) niet het marketingbudget, en kunnen we b) niet echt grote hoeveelheden produceren; en dan nog: ons product is om te maken duur. Dus: het werkt fantastisch, verwijderd vooral organisch vuil (terwijl je anorganisch vuil gewoon moet wegpoetsen) en het heeft neveneffecten zoals dat algen weggaan. En al zijn we nog geen grote speler, we groeien wel. Maar dan kom je op een punt: wat is je verwachtingswaarde? We hebben ervoor gekozen om ons niet tot het uiterste in te spannen om alle potentiële klanten op te zoeken.
Ik ben wars van moderne marketing, vult Feersma aan. Ik zou niet willen werken bij een bedrijf met die aanpak. Ik denk dat een drive van binnen moet komen.
Maar veel mensen weten helemaal niet van het bestaan van jullie producten. Daar moet je dan toch wat aan doen?
Maar daar zijn wel heel actief mee. We geven lezingen. We hebben de EMbassadors, een groep ‘influencers’ waaraan we ons nieuws doorgeven. Er zijn excursies. We gaan naar de boerderij. In de veehouderij zijn er weinig boeren die nog nooit van Agriton hebben gehoord. We staan regelmatig in de krant, alleen niet in de NRC die jij leest, Jan.
Agriton groeit microbieel nog elk jaar. De andere tak, de meststoffen, is erg onderhevig aan het milieu. Hebben we een droog jaar en veel plagen, dan gaat het goed. Hebben we het weer van 2025 dan verkopen we veel minder. Dan groeit alles goed. Maar eigenlijk neemt alles toe, ook de winkeltak. We zijn heel tevreden.
Hoe is het met het bestrijden van vervuiling? In het Griftpark in Utrecht, dat ook wel Gifpark werd genoemd, werkt men nu al weer jaren met bacteriën om die zware metalen en zo kwijt te raken en dat schijnt best goed te gaan.
Volgens mij gebruiken ze daar onze producten. De afbraak van dat soort dingen gaat inderdaad heel goed. Maar ook hier kom je op een gegeven moment bij regelgeving. Wij zijn een paar keer teruggefloten door de overheid omdat wij microbiologie gingen spuiten en toedienen die geen officiële toelating hadden.
We hebben heel mooie dingen gezien, zoals bij het oliebedrijf Argos in Rotterdam. Die hadden vervuilde grond. Daar werd een proef gedaan met bakken met die grond, en daar kwam EM met Bokashi als de schoonste uit.
Hoe is het met wetenschappelijk onderzoek? Dat zou toch betere opbrengsten moeten aantonen?
Om te beginnen: Wageningen staat voor alles open, zolang je ze betaald. Je zou het kunnen zien als een wetenschappelijke prostituee, al is het natuurlijk niet fair om alle mensen daar over één kam te scheren. Wij betalen er voor vijf promovendi. Drie zijn al gepromoveerd. Er komen hele mooie resultaten uit voor Bokashi. Dat promoveren is voor ons een middel om gehoord te worden binnen de universiteit. En ja, we hebben klappers vol data van allerlei producten, ook van tarwe bijvoorbeeld. Verzameld door onafhankelijke bedrijven. De wetenschappelijke methode wil echter herhaalde proeven. Maar het gaat niet zozeer om de wetenschappelijke beoordeling. Het probleem is dat die boodschap via de handel bij de boer moet komen.
De wetenschap probeert in Europa een formule te vinden voor waarnemingen die zo dicht mogelijk tegen de natuur aan ligt, zodat het voorspélbaar wordt. De Japanners zijn veel meer holistisch denkend. Die zeggen: laten we liever echt naar de natuur kijken, en kijken wat er daar gebeurt. Dan kun je al een heel aantal conclusies trekken wat je wel of niet moet doen om in de toekomst te overleven.
Want het gaat om overleven, zegt Jan Feersma. Als we allemaal biefstuk willen eten en een derde van wat we op het bord hebben weggooien, dan kan deze planeet Aarde ons niet voeden. Maar worden we morgen allemaal vegetariër, dan kan deze planeet makkelijk alle mensen voeden.
Ik zie dat er nu misschien dubbel zoveel mensen bij Agriton werken als vroeger. Bij zulke succesvolle producten had ik meer groei verwacht.
O, maar Agriton presteert nu veel meer dan in de begintijd. Verkijk je daar niet op. Dat komt mede door de inschakeling van anderen. Schelpenkalk bijvoorbeeld, gaat rechtstreeks van het schip naar de klanten. Meststoffen gaan ook direct per tankauto naar een locatie toe. Dan laten we een product ergens in Europa produceren. We hebben bijvoorbeeld een meststof op maïs die niet zout is. Die kopen wij in Amerika. Die komt dan per schip hierheen, en een gedeelte gaat bij het lossen rechtstreeks naar de klant. Die verpakt het dan zelf.
Heel veel bedrijven doen het tegenwoordig met weinig mensen. Wij ook. Maar onze verkoopafdeling is wel groter dan vroeger. We worden ook steeds meer Europees. En dat moet ook wel, want we zitten met een probleem in Nederland. We krijgen minder hectares. Er komt wel meer akkerbouw, maar minder veehouderij. En er komen minder boeren. Dus we krijgen in de akkerbouw minder boeren met grotere bedrijven. Ook in de veehouderij gaan de kleine bedrijven er allemaal uit. Vijfhonderd koeien is in Nederland al de realiteit. Dat gebeurt trouwens ook met de toeleveranciers: er zijn minder kunstmestleveranciers en er zijn minder krachtvoerleveranciers. Alles wordt minder en groter.
Minder agrarische ondernemers houdt in dat we minder klanten voor onze producten krijgen. Vroeger had ik bijvoorbeeld tien bedrijven, en vier gebruikten mijn product en zes niet. Viel er dan een af, dan deed dat zeer, maar het was niet fataal. Maar nu zijn die tien er twee, en als ik er daar een van mis, dan is dat de helft van de omzet.
En de coöperaties dan?
De coöperaties zijn niet echt geneigd om met ons zaken te doen. Die coöperaties willen zo dicht mogelijk bij de grootste groep boeren horen. De boeren zijn er lid van en over het algemeen is de agrarische tak vrij conservatief. Die kiezen voor het geëffende pad. Het moet niet te progressief en anders denkend zijn. En al is Agriton natuurlijk helemaal niet links en is ook EM helemaal niet links – Agriton ziet wel dat verandering noodzakelijk is. Ons soort ideeën zou ik niet eens progressief noemen, maar eerder realistisch. Als je doet wat je altijd hebt gedaan, krijg je wat je altijd had. En dat is vandaag geen optie meer!
En het is niet alleen dat boeren die wel eens iets willen uitproberen door deze kaders worden afgeremd. Er speelt meer.
Wat dan?
We krijgen steeds meer dat de grote partijen de boel dicteren. Een melkfabriek bepaalt vandaag de dag al vaak wat een boer wel en niet mag gebruiken. Brengen ze een nieuw product op de markt, dan gaat de melkfabriek de boer dicteren: als je dat product niet gebruikt, hoeven we je melk niet meer. Daar worden wij dus uitgesloten.
Tot zover het interview met Jan Feersma Hoekstra. Als ik hem naar het overleven van zijn bedrijf in tijden van verval vraag, hoort hij wel het woord toekomst, maar heeft niet de voorstelling van verval die ik van Fleming heb. Al heeft hij nog wel iets interessants voor de energievoorziening: waterstof of methaan laten produceren door microben.*
Als ik het zelf in probeer te vullen, denk ik het volgende:
Agriton is een bedrijf met een filosofie die eerder bij een duurzame toekomst hoort dan bij het zakelijke heden. Zo’n bedrijf zou groepen boeren kunnen organiseren rond hun visie en producten – als nieuwe coöperaties, gemeenschappen van de toekomst.
Maar blijft dit productenassortiment wel beschikbaar? Voor de directe toekomst geldt: door modern DNA-onderzoek en het werk met die single-strain-factory kan EM in principe ook hier gemaakt worden. Valt het scheepvaartverkeer met Japan uit, dan hoeft dat dus niet het einde van EM te zijn. Of er nog schelpenkalk opgehaald kan worden, weet ik niet. (Als de verzuring van de oceanen de dieren met een kalkskelet doet uitsterven, houdt dat met die schelpenbanken sowieso op. Sorry voor mijn somberheid.) Net zo wordt vulkamin misschien nog wel lokaal gewonnen, maar wordt het vervoer een probleem.
Bij echt verval zullen de technische hoogstandjes stuk voor stuk uitvallen. Misschien is er dan nog genoeg inventiviteit om toch behulpzame mengsels van micro-organismen te produceren, want die andere kijk leeft in bedrijven als Agriton dus nog wel voort. De Europese regelgeving is dan in elk geval verleden tijd. Megabedrijven zijn er ook niet meer (tenzij dictators aan de macht komen). Met kleinere bedrijven en veel meer boeren komt er ook weer meer aandacht voor wat er in de natuur precies gebeurt en groeit de expertise op het gebied van bodembeheer en vruchtbaarheid juist. Wie weet wat er op kleinere schaal nog allemaal mogelijk is.
Hiermee besluit ik de serie over EM Agriton BV. We gaan over naar het thema windenergie.
Vaak worden energiecoöperaties ten voorbeeld gesteld om hun rol in het streven naar een duurzame samenleving. Dat gebeurt vrijwel altijd op een oppervlakkige manier. Ik wil proberen er iets dieper in te duiken om te zien of we inderdaad te maken hebben met een holon die in tijden van crisis de veerkracht versterkt.* Ik beperk me hier tot de windcoöperaties en neem daaronder De Windvogel als voorbeeld omdat ik als lid daar iets meer van afweet en omdat de missie van deze landelijk opererende coöperatie me zo aanspreekt. In aflevering 25 en 26 beschrijf ik hoe het daar nu toegaat, maar eerst bekijk ik in deze aflevering nog hoe je een windcoöperatie begint. In de afleveringen 27-32 laat ik bij wijze van visioen de toekomst tot ons spreken.
Hoe gaat dat bij het fenomeen windcoöperatie in wording, het eerste begin? Dat start met een initiatief van een paar mensen die (om hen moverende redenen) graag een in gemeenschap beheerde windmolen willen.* Daarvoor moet zo’n coöperatie eerst (juridisch) opgericht worden en dan moet je leden winnen. Het is ten slotte een vorm van vereniging waar de leden elk een stem hebben (als persoon – de omvang van ieders financiële deelname telt niet mee). Die vereniging heeft een bestuur en statuten nodig. En veel moeilijker: ze moet een stukje grond bemachtigen om de aan te schaffen molen te plaatsen en die locatie moet politiek/juridisch aanvaardbaar zijn. De spoeling is tegenwoordig dun.*
De leden moeten geld opbrengen, waarbij de kost voor de baat uitgaat. Ook het risico dat het ergens onderweg mis gaat is best groot. Een windturbine is duur en je moet tegenwoordig – als ik me niet vergis – wel zo’n 30 procent van de prijs bij elkaar sprokkelen om de bank mee te krijgen om de rest te financieren (waarbij de bank in de vorm van rente natuurlijk ook een flink deel van de opbrengst gaat opslokken).
Welke mensen willen hieraan meedoen? Dat kan een gezelschap met heel verschillende motieven zijn. De initiatiefnemers, dus het eerste bestuur en de nog kleine kring daaromheen, willen waarschijnlijk vooral de duurzaamheid bevorderen. Dat motief zal evengoed voor veel deelnemers de reden zijn, vooral voor degenen die de kleine bedragen inleggen (zeg van honderd tot een paar duizend euro). Als er een miljoen euro nodig is om de molen te kunnen bestellen, heb je op deze manier dus waarschijnlijk wel duizend of meer leden nodig. Zoveel leden winnen bij iets wat feitelijk nog niet bestaat, blijkt vaak een te hoge horde. Je kunt als beginnend bestuur vrijwel zonder kosten te maken de sociale media gebruiken of op de markt folderen en een interview in de plaatselijke krant zien te krijgen, maar de oogst daarvan in leden en inleg zal bijna zeker veel te schraal zijn om het noodzakelijke kapitaal bijeen te brengen. Toch halen coöperaties meestal voldoende geld op om te kunnen beginnen.*
Voor het voortbestaan is juist succes in deze fase een belangrijke voorwaarde. Coöperaties kunnen vastlopen of besturen kunnen uit elkaar klappen als hun eerste project stroef loopt of zelfs mislukt. Dit is meestal niet te wijten aan geldgebrek maar aan een gebrek aan politieke medewerking.
Weliswaar wordt het meeste geld door leden eerst alleen toegezegd en gewoonlijk pas geïnd als alle vergunningen zo’n beetje rond zijn, maar het blijft een kip-en-ei-kwestie en het risico dat flinke bedragen verloren gaan is reëel.* De mensen die grotere bedragen zullen inleggen, willen ook niet jaren wachten totdat de zaak rond is. Ze zullen dat deels inleggen uit duurzaamheidsmotieven, maar er gelden ook puur zakelijke motieven.*
In die vroege, moeilijke fase komt De Windvogel anderen vaak helpen. De Windvogel heeft bakken ervaring en biedt aan om die te delen met beginnende coöperaties en wel zonder winstoogmerk. Die zijn soms wantrouwend: waar zit het verborgen motief zodat ‘die lui’ toch meeprofiteren? Maar er zit geen adder onder het gras. De enige eis die De Windvogel stelt is een tijdelijk gedeeld eigenaarschap van bijvoorbeeld fifty-fifty – dat dan na een paar jaar verandert in een minderheidsaandeel. Ook stapt De Windvogel alleen in als er een realistische kans van slagen is: het bestuur van de nieuwe coöperatie deugt, er is een plek voor de molen en politiek/juridisch lijkt het haalbaar.
Op het moment van schrijven, eind 2025, werkt De Windvogel in een of andere vorm samen met coöperaties in Nijkerk (Wind op Nijkerk), Ronde Venen (Veenwind), Montfoort en Oudewater (Lek en IJsselstroom), Rhenen en Wageningen (Wageningen Wint) en Veldhoven regio Noordoost Brabant (Kempenstroom – energie uit de zon), die dus nog geen van alle een molen hebben. Verder vindt op tal van plaatsen nog ‘verkenning van projectsamenwerking’ plaats.
Ook kan het in de eindfase nog misgaan. Al bijna rond ondervinden projecten soms ineens politieke tegenslag, zoals de Noorder IJplas in Amsterdam (zie verderop). Voor Rijnenburg-Wind (Utrecht) ziet het er juist goed uit: voor drie van de vier molens is de vergunning binnen.
Ter verduidelijking nog dit: Het klimaatakkoord ging voor lokaal eigendom. De Windvogel is landelijk, dus niet lokaal., maar ze steunen het doel en willen lokale gemeenschappen met hun ervaring en geld ondersteunen. Zo kan De Windvogel landelijk blijven en toch betekenis geven aan lokaal eigendom.
Hierover gaat het verder in de volgende aflevering waarbij De Windvogel zelf steeds beter in beeld komt.
De Windvogel is een landelijke coöperatie met een kleine vierduizend leden. Ze hebben al lange tijd twee eigen molens, een kleintje en een van de middelmaat (in 2024 was de opbrengst van de laatste, de Amstelvogel geheten, 4.101 MWh). Na hulp aan het Vlaardings Energie Collectief is er een gedeeld bezit van twee nieuwe turbines bijgekomen die in 2024 samen in totaal 15.884 MWh produceerden (momenteel is driekwart van De Windvogel). De Windvogel heeft verder een (beperkt) belang in het windpark Zeewolde en er wordt op bescheiden schaal deelgenomen in de te bouwen 45 windmolens in Drentse Monden. Verder is er nog Der Sonnevogel, een drietal zonnedaken net over de grens in Duitsland. De totale opbrengst van de coöperatie was in 2024 maar liefst 35.588 MWh. Dat is uitgaande van het verbruik van een gemiddeld huishouden van 2.500 kWh per jaar goed voor meer dan 14.000 huishoudens.
Bij de haven van Delfzijl doet de Windvogel mee met Zonnepark Valgenweg, met een omvang van ruim 31.000 panelen. Het is een gezamenlijk project van Groninger Seaports, Starvert en Eemsdelta Energiek samen met De Windvogel.*
Heet van de naald is de deelname aan een ander groot zonnepark bij Hengelo waarvan de investeringsbeslissing in 2026 gepland staat en de bouw in 2027 moet plaatsvinden.*
En dan is er intussen ook de AmstelbatterEi, de in het voorjaar van 2025 in werking getreden accu die gekoppeld is aan de genoemde Amstelvogel. De BatterEi is voor de helft eigendom van De Windvogel. De andere helft is van Emmet Green, waarmee samengewerkt wordt om deze specifieke expertise onder de knie te krijgen. Op het moment dat er op de elektriciteitsmarkt overproductie is, wordt de elektriciteit van de molen in deze accu opgeslagen, en bij krapte in het aanbod op de markt wordt vanuit de accu stroom aan het net geleverd. Het vermogen is maximaal 2 MW, de capaciteit is 4 MWh. Op maximale snelheid kan de BatterEi, als hij vol is, dus in twee uur worden geleegd. Het ziet ernaar uit dat dit project geslaagd is en het concept in de toekomst vaker kan worden toegepast. Er is best een risico mee genomen, want de kosten bedroegen 1,5 miljoen. Het kon omdat de coöperatie financieel gezond is. Toch was het mooi dat de leden dat risico aandurfden.*
Ik heb veel bewondering en eerbied voor de ongelooflijke inzet en vakkennis die er bij De Windvogel is. Wat komt daar zoal bij kijken?
Wil je een project laten slagen, dan moet je verstand hebben van de turbinetechniek om het juiste type molen te kiezen (wat betreft de kosten van aanschaf en onderhoud, èn de te verwachten opbrengst – staat de molen er eenmaal, dan wordt er een molenaar aangesteld). Maar bijna nog meer moet je kennis van de regelgeving en van het politieke en bestuurlijke spel in huis hebben en over de capaciteiten beschikken om dit vaak frustrerende spel te spelen. Er komt zoveel kijken op het gebied van vergunningen en voorwaarden waaraan je moet voldoen (en er is politiek gekonkel waar je mee moet kunnen dealen) dat een beginneling daar direct vastloopt. Je moet dan ook nog de energiemarkt kennen om een goed contract met de afnemer te sluiten. Dan kun je een calculatie maken om te kijken of het project überhaupt financieel haalbaar is (wat nog weer andere expertise vraagt) en gaan proberen het werkelijk van de grond te krijgen, wat niet altijd lukt. En je moet intussen een goede verstandhouding met de omwonenden opbouwen en handhaven, wat weer een heel andere bekwaamheid is.
Neem het geval Amsterdam-Noorder IJplas. Daar is eindeloos gesleuteld aan het concept, want de drie molens mochten niet te hoog zijn in verband met de aanvliegroute naar Schiphol. (Een twee keer zo grote molen levert vier keer zoveel energie; andersom werkt dit dus sterk in het nadeel van een kloppende financiële calculatie.) Ook de omgeving moest ontzien worden en de omwonenden tevreden gesteld, waarna de grond voor beste locaties moest worden verkregen, enzovoort. Eindelijk was er in november 2023 een ‘verklaring van geen bedenkingen’. Provinciale Staten moest het alleen nog afhameren. Maar daar grepen de VVD en BBB een ‘bezwaar’ van Rijkswaterstaat aan – namelijk dat automobilisten misschien afgeleid zouden kunnen worden – om het project te torpederen. (Niet omdat deze reden deze partijen ook maar iets interesseert, ze zijn gewoon tegen molens op het land.) Jaren vrijwilligerswerk en veel ledengeld ging zo verloren, nog afgezien van een gebrek aan hoogst noodzakelijke molens en een vertrouwen in goed bestuur.* Het is nu uitgelopen op een rechtsprocedure tegen de provincie.
Nu terug naar de windcoöperatie als holon, met De Windvogel als voorbeeld.
Je moet, zoals gezegd, als bestuur van een (beginnende) coöperatie met van alles kunnen dealen. Je gaat door een leerproces (waarbij ook de onderlinge verhoudingen onder druk kunnen staan). Maar het leuke is, dat als het bestuur daar allemaal tegen opgewassen is, het veel flexibeler, alerter en doeltreffender handelt dan het bedrijfsleven.* Je kunt trots zijn op het behaalde resultaat.*
Maar zijn windcoöperaties daarmee ook echt holonmateriaal?
Als democratische organisatie gaan hier de drie principes op: manieren, schaal (erbij horen) en slapte. Ledenvergaderingen gaan in goede harmonie. Het bestuur is open en eerlijk. Met zogenaamde broedsessies verkent De Windvogel aspecten waaraan het bestuur in alle drukte niet toekomt, maar die als inventarisatie maatschappelijk en voor de toekomst belangrijk zijn. De schaal is klein genoeg om erbij te kunnen horen, mede omdat het gros van de leden niet actief deelneemt. Daar schiet het ‘erbij horen’ van de rest dus tekort. De Windvogel geeft ook het tijdschrift De Windvaan uit, maar hoe intensief de leden dat lezen weet ik niet.
De Windvogel deed haar zaken tot voor kort op bijna anarchistische wijze (dus slap). Flinke discussies binnen het bestuur leverden gewoonlijk voldoende grond op om keuzes te maken en vervolgens op te treden in zo’n beetje alle zaken. Verschillen in persoonlijkheid werden welwillend geaccepteerd, zolang het algemene doel maar in beeld bleef.
Nu het vermogen in de miljoenen loopt en het werk de beschikbare ‘vrije’ tijd van het bestuur ontstijgt, is voor een nieuwe organisatievorm gekozen, met een operationeel en een financieel directeur, beide betaalde functies. De tijd moet leren of dat verkokering en bureaucratisering meebrengt, of dat de improviserende slagvaardigheid in stand kan blijven.* In de ledenvergadering was men het erover eens dat deze stap onontkoombaar was, maar dat hoe het uit zal pakken erg van de personen zal afhangen. Voorlopig is het vertrouwen groot. De eerste twee vaste krachten zijn bewezen vaklui die al jaren voor de coöperatie werken – typisch een voorbeeld van wat Fleming noemt: begeerd door de gemeenschap en daardoor een prijs waard. Dat die prijs vooralsnog in geld wordt uitgedrukt hoort nu eenmaal bij deze tijd; waardering blijft evengoed sterk meespelen.
De aspecten veiligheid, gelijkheid en vertrouwen hebben we hiermee eigenlijk ook behandeld. De vereniging vormt het membraan. Leden kunnen komen en gaan, maar de coöperatie blijft in alle opzichten de werkzame eenheid met een specifiek doel en een specifieke organisatie. De club omvat, beschermt, geeft identiteit, filtert en is gemaakt om mogelijk te maken. Zo voelt het inderdaad.
Laten we nu uitzoomen naar het onderdeel van de onderstroom van de gezamenlijke energiecoöperaties. Daar zijn er in Nederland zo’n 700 van, al hebben de meeste zonnepanelen en geen molen. De coöperaties lobbyen binnen het verband van Energie Samen. Hun lobby leverde bijvoorbeeld de regel op dat gemeentes en provincies de bevolking altijd voor 50 procent moeten laten meedoen in duurzame energieprojecten (wat de deelname in het zonnepark bij Hengelo verklaart). Er is een ontwikkeling gaande wat betreft verdergaande, praktische samenwerking tussen de coöperaties. Dat uit zich niet alleen in lobbyen, maar ook bijvoorbeeld in een eigen elektriciteitsbedrijf. Dat is ‘Samen om – nieuwe energie’. De Windvogel is geen lid van die coöperatie maar doet per 1-2-2026 wel als producent en gebruiker mee aan het leveringsplatform van OM. Met zo’n stap naar een eigen elektriciteitsbedrijf kan de stroom die de coöperaties opwekken ook direct aan de leden ten goede komen.
Daarbij loop je aan tegen het probleem van de leveringsplicht. Een elektriciteitsbedrijf moet ook in tijden zonder wind en/of zon haar klanten van elektriciteit voorzien, wat qua bedrijfsvoering het betreden van een heel nieuw gebied inhoudt. Zo komen de accu’s in beeld, maar wel op een veel grotere schaal dan die bij de Amstelvogel. De combinatie van molens en accu’s zou dus een concrete stap vooruit zijn in de richting van zelfvoorzienendheid. Alleen: je telt bij accu’s dat er stroom is nog in uren, of misschien een paar dagen, maar een grote winterdip los je met die capaciteit niet op.
Een ander deel van een oplossing in het grotere geheel van een eigen elektriciteitsbedrijf is het actief inpassen van wat de leden thuis opwekken. Ik weet het niet zeker, maar ik vermoed dat behoorlijk veel leden pionieren met van alles en nog wat. Denk aan thuisaccu’s, software die het gebruik van elektriciteit op momenten van beschikbaarheid aan zet, het gebruik van de accu van de auto, en dergelijke.* Het komt allemaal neer op het vormen van zo’n gemeenschap als waar we het in deze serie steeds al over hebben, alleen dan niet als dorp of buurt, maar als verspreid wonende leden.* Wie verder in de toekomst kijkt, zoals we in deze artikelenreeks doen, zal echter beseffen dat er ook een drastische aanpassing in het persoonlijke leven nodig is.
Eigen baas over eigen stroom, onafhankelijkheid in een woelige wereld – zowel van de commerciële energiemarkt, als van internationale strubbelingen – zal velen aanspreken. Maar velen zullen er ook huiverig over zijn of ze dan wel altijd op stroom kunnen rekenen.
Laten we daarom eens dromen. Een bericht vanuit de toekomst kan ons misschien over de streep trekken.
We verplaatsen ons in gedachten acht jaar in de toekomst. We zitten op deze alweer veel te warme dag voor de tijd van het jaar bij Gerrit aan de keukentafel. Gerrit is lid van De Windvogel, de succesvolle energiecoöperatie. Ook aanwezig zijn de leden Harm en Suzan. We willen graag van hen horen hoe dat succes tot stand kwam. Het wordt al snel duidelijk dat Gerrit vooral gevoel heeft voor het technische aspect, terwijl Harm eerder naar het sociale proces en de organisatie kijkt en Suzan dan weer geïnteresseerd blijkt in de persoonlijke verhoudingen. Zo kunnen ze hier het verhaal van alle kanten belichten.
Suzan vertelt dat ze acht jaar geleden gegrepen werd door het idee van ‘tijdreizen’. ‘Je maakt je dan als groep samen een voorstelling van de toekomst. En dan komt uit die toekomst een bericht over wat er allemaal bereikt is. Dat werkt heel stimulerend. Het sterkt de huidige leden in het vertrouwen dat ze door moeten gaan met hun ambities. De problemen waar ze tegenaan lopen, gaan ze zeker oplossen. Met doorzetten komt er succes!’
Daarom vroeg Suzan toen, in het begin van 2026, aan Gerrit en Harm: ‘Hoe zien jullie De Windvogel het liefst over, zeg, acht jaar?’*
Daar kwamen toen drie verschillende antwoorden op. Suzan zegt: ‘Gerrit zag vooral een uitbreiding voor zich van de opwekcapaciteit om de transitie daadwerkelijk te realiseren. En Harm hoopte vooral op een grote vereniging, met tenminste 10.000 actieve leden, die in het verband van Energie Samen een krachtige politieke en sociale factor was geworden. Nietwaar Harm?’
‘Zo is het maar net, Suzan, maar jij kwam met de gedachte om alles aan elkaar te smeden. Jij wilde de eigen energievoorziening voor de toekomst veilig stellen met een elektriciteitsbedrijf van, voor en door de leden, als een gemeenschap die zekerheid biedt in de moeilijke tijden die jij toen al verwachtte.’
‘Wat we toen eerst deden,’ vult Harm zichzelf aan, ‘was ons afvragen waarom we nog niet op volle kracht op weg waren naar 10.000 leden? Waarom groeide het ledental zo traag? In 2024 was die groei amper 2 procent (naar 3781 leden) en in 2025 was het slechts ietsje beter. Als de leden echt betrokken waren, zouden ze toch allemaal wel een familielid, buurman, vriend of collega lid kunnen maken? Die ‘Wieker-je-mee’-campagne werkte op de een of andere manier niet goed. En dat De Windvogel een landelijke, en geen lokale club is, maakte het er niet makkelijker op. Er ontbrak kennelijk een duidelijke stip op de horizon, een wenkend perspectief, een uitnodigend verhaal.’
Suzan: ‘Ja, van zo’n verhaal moeten mensen zich een concrete voorstelling kunnen maken, iets wat erg in hun eigen belang is. Dat brachten we kennelijk niet over.’
‘Daarom vatten we toen, acht jaar geleden, eerst eens samen waar De Windvogel voor ons drietjes eigenlijk voor stond,’ vertelt Gerrit. ‘Het was een coöperatieve vereniging die meer dan genoeg stroom opwekte om alle leden in hun behoeften te kunnen voorzien. Er was een enthousiaste, om niet te zeggen bevlogen kerngroep die heel behendig startende coöperaties door de moeilijke beginfases heen hielp, met de bedoeling om landelijk een zo breed mogelijke beweging te creëren. En dat leidde in 2025 tot een professionaliseringsslag, met een betaalde, bekwame directie.’
‘Maar,’ zegt Suzan, ‘als je goed door je oogharen keek, zag je ook de zwakke punten. De meeste leden hielden zich afzijdig van wat zo’n coöperatie nu echt beoogde, en kwamen niet naar vergaderingen. De kerngroep werd dus eigenlijk onvoldoende gedragen door de leden – wat misschien wel fijn was voor de armslag, maar niet goed voor de langere termijn.’
‘Nou overdrijf je, Suzan,’ reageert Harm. ‘Er waren toen ook broedsessies, er waren vieringen en er was communicatie via De Windvaan.’
Suzan: ‘Ja, maar de kanalen werden niet gebruikt om die reis in de tijd te maken, naar dat toekomstvisioen. Die conclusie trokken we toch samen? En daarop hebben we de leden een oproep gestuurd om hierover een groep te vormen. Met daarbij natuurlijk al een beeld van wat het kon worden. Dat leverde een dozijn reacties op. En met die groep gingen we toen aan de slag.’
We gaan het hebben over energiegemeenschappen. In het tijdschrift Energie en duurzaamheid verscheen op 13 maart 2025 een artikel waarin gesteld wordt dat energiegemeenschappen en energiehubs naar elkaar toe bewegen en samen sterker staan. Dit is de link naar dat artikel: https://pont.media/nieuws/1041199/waarom-energiegemeenschappen-de-energiehubs-van-de-toekomst-zijn/
Gerrit: ‘We gingen in die tijd door het hele land met groepjes per tijdscapsule naar de toekomst. Het thema was ‘Samen naar een veilige toekomst met zelf opgewekte stroom’. Dan vroegen we: “Wat stel je je daarbij voor? En hoe gaan we dat bereiken?” Daarvoor werden niet alleen de leden uitgenodigd, maar eigenlijk iedereen die mee wilde doen. Dat brachten we via diverse kanalen onder de aandacht. En het leverde meteen ook nieuwe, actieve leden op.’
Suzan: ‘Er waren een stel zeer interessante bijeenkomsten. Het met anderen kunnen sparren over een gewenste toekomst maakte mensen enthousiast. Ze konden hun fantasie de vrije loop laten. Dat maakte mensen zelfs emotioneel. Het bracht een verlangen teweeg, en dat ging veel verder dan een simpel wensenlijstje. Mensen wilden deel uitmaken van een mooiere toekomst.’
Harm vult Suzan aan: ‘Dat kwam ook omdat we in zo’n rare tijd leefden. Ga maar na: eerst corona en een energiecrisis, dan oorlog en nog veel meer oorlog, kinderen die men liet verhongeren, sociale-media-tycoons die de baas speelden, uit de hand lopende AI, exorbitant rijke mensen die aan de touwtjes wilden trekken, extreemrechts dat uit hun holen kwam en onmachtige regeringen met alom politiek geruzie – dat alles deed de mensen verlangen naar een cocon die in zichzelf goed was en waar ze in konden kruipen.’
Gerrit: ‘Bedrijven konden ook toen al vaak geen stroom krijgen als ze ergens mee wilden beginnen. De rechten op stroom waren bijvoorbeeld gekoppeld aan het contract dat hoorde bij een bedrijfshal. Als een bedrijf dat het moeilijk had inbond op zijn stroomrechten, kon een nieuw bedrijf dat vervolgens die hal huurde die oude rechten niet meer terug krijgen. Van dat soort problemen waren er. Die tekorten op industrieterreinen hadden wel als interessant gevolg dat er software werd ontwikkeld om de beschikbare stroom en de behoefte van complete bedrijfsterreinen moment voor moment zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Dat leverde best veel extra ruimte op. En van zulke software bleken wij ook gebruik te kunnen maken.’
Harm: ‘Er was ook een veel fundamenteler probleem. Namelijk dat we ons beeld van ‘beschikbaarheid’ moesten veranderen. Ook al wisten we door de eerdere moeilijkheden met Russisch gas dat de aanvoer van energie kwetsbaar is en werd dat versterkt door de oorlog met Iran, in ons denken bleef het een fonds in plaats van een stroom, om het in systeemtermen te zeggen. Er kwam immers gegarandeerd altijd stroom uit het stopcontact. Ons gedrag werd eens voorgesteld als van een stel apen die een drankfestijn hielden en er tegen het ochtendgloren achter kwamen dat de drank bijna op was en zich toen geen raad wisten. Ze moesten goed gaan zoeken naar de laatste restjes. Ze waren onverantwoord met hun fonds omgesprongen.’
Suzan: ‘Ja, Harm, jij met je systeemtermen. Mensen die wat verder vooruit keken zagen gewoon dat er een voorziening was die ze misschien beter zelf op peil konden gaan houden.’
Harm: ‘Maar Suzan, nu zeg je het zelf. Die mensen gingen energie dus als een stroom zien, die ze aan de gang moesten houden. En dat dat misschien niet steeds zou lukken. Ze zagen aankomen dat ook zijzelf, net als die bedrijven, soms wel eens op hun afname gekort zouden kunnen gaan worden. Alles begon ineens heel kwetsbaar te lijken, helemaal toen zelfs de overheid in 2025 ineens over noodpakketten en zo begon.’
Gerrit: ‘En de techniek was ook nog eens kwetsbaar voor aanslagen. Dat bleek met de Kerst van 2025 in Berlijn. En je zag hoe ze in Oekraïne voortdurend worstelden om de zaak aan de praat te houden als er weer bommen gevallen waren. Díe kwetsbaarheid drong zich veel meer op dan de kwetsbaarheid van een in de toekomst inzakkende olievoorziening. Dat had niemand op zijn netvlies.’
Suzan: ‘Sorry mensen, dit is natuurlijk helemaal geen enthousiast makend verhaal, maar we moeten ons nu eenmaal even herinneren hoe het was begin 2026. De tijd is immers zo snel gegaan.’
Harm: ‘Vanaf die tijd zijn we gaan “pingpongen”, zoals we het zelf noemden. Heen en weer tussen droom en daad. Allereerst was er toen de opzet van De Windvogel die ging stellen dat wij er alleen waren om de lokale coöperaties te helpen als ze meer wilden dan een molen, dat ze inderdaad een betrouwbaar eigen elektriciteitsbedrijf nastreefden. Wij dachten daar toen over na en vroegen ons af: welke bouwstenen heb je je voor zoiets nodig? Dat kwam mede doordat we in 2025 de BatterEi kregen.’
Dat beeld van het drankfeest dat voorbij is, komt van Richard Heinberg, die in 2003 (!) het boek The Party’s Over schreef. Doordat zijn voorspelling niet is uitgekomen, zijn wij op dit punt in slaap gesukkeld. Maar eens zal in een eindige wereld het feest ook het voorraadfeest toch echt voorbij zijn.
Gerrit: ‘Ja die accu vonden we toen nog enorm en hij werkte prachtig. De oorspronkelijke motivatie van onze vereniging was natuurlijk dat je op zonnige en winderige dagen niets betaald kreeg voor je opbrengst en dat je met de BatterEi het moment van levering opschoof naar uren dat je elektriciteit wel wat waard was. Maar dat was in onze ogen een te beperkt, calculerend motief. Wij zagen de accu als een deel van de oplossing om het probleem van de leveringsplicht van een elektriciteitsbedrijf mee op te lossen. Maar dan was er bij nieuwe accu’s wel nog veel meer capaciteit nodig. Daar begonnen we mee bij het zonnepark bij Hengelo.’
Suzan: ‘Maar dat was slechts stap 1. Accu’s zouden helpen bij het dag- en nachtritme, maar hoe moest het bij windstilte en in de winter?’
Harm: ‘Dat bracht ons logischerwijze bij de capaciteit aan zonnepanelen op de daken van onze leden. Dat bleken best veel panelen te zijn. Als we die konden inschakelen zouden we de behoefte bij de toestand van ‘wel zon maar geen wind’ al aardig opvangen.’
Suzan: ‘Nu sla je een stap over Harm. Er was in 2025 al een gezamenlijk bedrijf, maar dat leverde vanuit de opbrengst van de coöperaties, niet vanuit de daken van individuele leden en zo. En we zaten met het probleem dat dit niet tot de doelstelling van De Windvogel hoorde. Dat moesten juist de lokale coöperaties doen.’
Harm: ‘Ja, natuurlijk. Dat bedrijf was het ‘om | nieuwe energie’ collectief.* Dat bestond toen al uit zo’n honderd lokale energiecoöperaties, rijp en groen door elkaar, met samen een behoorlijke capaciteit. Zelf zeiden ze het toen zo: “Met elkaar wekken we 100 procent duurzame stroom op in jouw eigen buurt die jij vervolgens weer kunt afnemen.’ Die coöperaties zagen het als een bindmiddel en ze konden zo ook nieuwe leden winnen.’
Gerrit: ‘In 2026 al gingen we als producent en gebruiker meedoen aan het leveringsplatform van OM. Maar die stap naar de leden van De Windvogel duurde dus langer. Hij kwam er uiteindelijk wel. De wereld veranderde waar je bij stond en wij hadden dringend veel meer leden nodig, niet alleen om zelf sterker te staan, maar ook om de financieringsstroom op gang te houden. Je kunt immers 4.000 leden niet elk jaar opnieuw om de inleg van een miljoen of meer blijven vragen.’
Suzan: ‘Tja, we wisten toen nog amper aan wat voor een lang proces we begonnen. Eerst om leden te winnen en ze te leren kennen. Dan om ze over de halen mee te doen aan iets wat je samen deelt. Het hielp natuurlijk wel dat in 2027 de salderingsregeling pardoes werd afgeschaft. Dat deed mensen om zich heen kijken. Hoe dan ook, we hebben toen een psychologisch expert geconsulteerd hoe we dat moesten aanpakken.’
Harm: ‘We hebben veel gehad aan het leren begrijpen van hoe wederzijdse steun werkt. Daarvoor heb je een groep nodig met een doel dat mensen enthousiast maakt. We hebben er toen jarenlang aan getrokken om de leden met elkaar bekend te maken, ze inbreng te geven en ze te enthousiasmeren. Dat deden we door allerlei huiskamerbijeenkomsten te organiseren en door berichten vanuit de toekomst te versturen – steeds met die kernboodschap hoe belangrijk en fijn een veilige toekomst met gezamenlijk opgewekte stroom ging worden en om deel uit te maken van zo’n gemeenschap. Dat deden we voor onze eigen, nogal verspreid wonende leden, maar juist ook voor leden van lokale coöperaties en verder voor wie er maar mee wilde doen.’
Suzan: ‘Gelukkig paste zulke steun wel bij het doel van De Windvogel en daardoor was er ook financiële armslag om dit handen en voeten te geven. Zo is er iemand betaald als professionele kracht om het allemaal te organiseren en te begeleiden.’
Harm: ‘Er was in die jaren eerst een fase waarin ‘om | nieuwe energie’ steeds volwassener werd. Er was ook almaar nauwere samenwerking binnen het verband van ‘Energie samen’. Maar nu hebben we het over de fase dat individuele opwekking geïntegreerd werd. Dan had je steeds te maken met individuen, die allemaal gelijk waren in de zin dat ze panelen op hun dak hadden, maar die verder oh zo verschillende bleken te zijn.’
Suzan: ‘Het is nog wel leuk hier te vertellen dat ons initiatief niet het enige was. Bij meer coöperaties werd er nagedacht over de toekomst en kwamen er groepjes met allerlei ideeën. Dat hielp de zaak enorm vooruit. Er groeiden ook andere verbanden, zoals met de huiskamerbijeenkomsten van Extinction Rebellion.’
Op de website zegt OM: ‘Onze missie is om zoveel mogelijk initiatieven van lokale opwekking te koppelen aan zoveel mogelijk lokale gebruikers van elektriciteit.’
Suzan ging verder: ‘Maar om door te gaan over de interesse voor die samenwerking van ons… Daarbij hielp het dat mensen veel zonnige momenten hadden dat hun stroom niets waard was en er tegelijk tegen opzagen om in hun eentje met thuisbatterijen te gaan pionieren. Dat was een aspect om ze op aan te spreken. Om ze in een energiegemeenschap te halen die als groep lokaal oplossingen zocht en dat ook weer deed in een breder verband van een netwerk van zulke gemeenschappen. We probeerden het goede gevoel daarvan over te brengen.’
Harm: ‘En dan zie je wat je altijd bij kantelingen ziet: er zijn innovators en voorlopers. Er is een vooruitstrevende groep die dan aansluit en er blijven mensen die afhoudend zijn. Het was voor ons de kunst om in contact te komen met die echte voorhoede.’
Gerrit: ‘Dat waren mensen die zelf al bezig waren met hoe ze het slimste met hun eigen stroom omgingen. Zo van: “Konden ze die tijdelijk opslaan, misschien in hun elektrische auto, om op andere momenten die stroom weer te gebruiken?” Die lui begonnen heel individueel. We moesten proberen hen in een groter geheel te laten opereren, want er zat daar een massa kennis en creativiteit. Bracht je ze samen, dan wisselden ze intensief ideeën uit en stimuleerden ze elkaar enorm.’
Harm: ‘Toen dat eenmaal vorm kreeg, en ik moet erbij zeggen dat er wel een paar jaar overheen ging, was de groep vroege aansluiters aan de beurt. Bij hen werd betrokkenheid bereikt door heel simpele zaken als lokale excursies naar enthousiaste voorlopers, door ze elke morgen naar de resultaten van de energiegemeenschap van de vorige dag te laten kijken, een beetje zoals beleggers naar de koersen kijken. Zouden zij niet liever daaraan meedoen? Dan zouden ze als betrokkenen naar hun eigen resultaten kijken!’
Suzan: ‘Het is intussen duidelijk dat in een samenleving waar het van kwaad tot erger gaat, een hechte gemeenschap waarop je kunt vertrouwen goud waard is en dat we hierbij goed op weg zijn.’
Gerrit: ‘Helaas zaten er ook negatieve kanten aan de economische malaise. Blijft het Europese of zelfs het landelijke net nog wel betrouwbaar? Anders is het wél nodig om op een eigen manier de uitwisseling van de stroom naar de leden mogelijk te maken. Het was een punt waar we toen geen antwoord op hadden. We waren er eerst wel bang voor. We zijn immers met storingen wel een paar keer door het oog van de naald gekropen.’*
Harm: ‘En dit was niet alleen een simpele technische vraag. Het gaat al gauw ook om zaken als: “Krijgt de beheerder van het stroomnet in tijden van verval nog wel genoeg inkomsten om zijn taak uit te kunnen voeren? Mag hij overal blijven optreden als een soort monopolist? Blijft er, kortom, nog genoeg overheid, of verkruimeld de boel?” Die vrees leeft nu meer dan ooit.’
Suzan: ‘En behalve problemen bij energiezekerheid binnen een bestek van dagen, was er angst voor de winterdip. Het beeld dat er in een winter een tijdlang amper wind én zon kon zijn deed de leden beseffen dat ze zich daar in gemeenschap tegen moesten verweren. Dat bracht een nieuwe mindset met zich mee van: Zo van “Ja, het kan soms nodig zijn om een tijdje de behoeften gezamenlijk flink terug te schroeven, maar als we er samen over praten is het gemakkelijker te doen. Dan kunnen we ook bejaarden en zwangere vrouwen door zo’n periode heen helpen.”’
Gerrit vult aan: ‘En een tijdje energiezuinig leven bleek ook best te kunnen: je wast je aan de wastafel in plaats van te douchen, je fietst veel meer, je doet de was eens met koud water, je zet je mobieltje en laptop op rantsoen en je laat eten garen in een hooikist. Je let er kortom op wat de grote energieslurpers zijn.’*
Harm: ‘Eigenlijk zie je nu allerlei oplossingen uit de tijd van ‘hou het klein’ weer terugkomen. Het Lowtech Magazine van Kris de Decker wordt ijverig bestudeerd. En dat alles vanuit een drang om als gemeenschap je onafhankelijkheid te bewaren, ook in een moeilijke fase, alsof het een sport is om de cijfers laag te houden en met het oog op een toekomst die er niet beter op zal worden.’
Suzan: ‘En tegelijk had je al die discussie over de datacentra. Dat waren pas energieslurpers. Die vraten stroom. Was dat wel nodig? Het schiep de moeilijke kwestie: moest je ze steunen om het internet op gang te houden? Zodat bijvoorbeeld onze software kon draaien? Of moest je ze proberen te sluiten omdat ze alleen dienden om de zakken van de techmiljardairs te spekken? De techbedrijven gaven in elk geval geen enkele openheid van zaken. Misschien is het daarom geen wonder dat er wereldwijd al diverse aanslagen op datacenters gepleegd zijn.’
De kranten meldden eind 2025 dat de energiebehoefte van datacentra in de komende vijf jaar zal verdubbelen. Voor de VS betekent dat: van 4 naar 8 procent van het totale energieverbruik.
Gerrit zegt: ‘Die onzekere toekomst bracht ons al vrij vroeg op verschillende vragen: “Met welke software en apps kunnen we ons eigen energiesysteem bedienen en waar slaan we onze data veilig op?” En ook: “Wat zou er gebeuren als de molenbouwer failliet gaat?” En: “Hoe zit het voor de langere termijn als er verdergaand verval komt?”’
Harm: ‘Wat betreft die software. We zijn gaan kijken wie er ons bij zou kunnen helpen. En in die eerste tijd waren er zat ontwerpers die de klus zouden kunnen klaren. Ook hier hebben we toen een coöperatie opgericht van een heel stel mensen en bedrijfjes die dat samen gingen aanpakken in opdracht van en in samenwerking met de energiecoöperaties. Dat hebben we trouwens niet zelf gedaan. Maar het kwam wel van de grond. Zo zitten we nu bijna op een doorgeëvolueerd en grondig getest systeem dat we in eigen beheer hebben.’
Suzan: ‘Daar zijn we dolgelukkig mee. Bedenk eens hoeveel bevrediging het geeft dat we dat met zijn allen voor elkaar hebben gebokst.’
Gerrit: ‘We zijn ook blij dat we al in een vroeg stadium besloten om zelfstandige technici te zoeken met verstand van moderne turbines. We vroegen ze hoe kwetsbaar wij van De Windvogel zouden zijn – en trouwens iedereen met een molen – als er geen onderhoudsdienst meer was, en als de beschikbaarheid van reserve-onderdelen zou haperen of stoppen. Het bleek dat we sommige printplaten misschien nog zelf zouden kunnen maken, maar dat andere problemen de molens misschien zouden doen stilvallen. Dat was wel schrikken.’
Harm: ‘Het was natuurlijk denkbaar om met de onderdelen van de ene molen een andere aan de praat te houden, maar dan was je die ene molen wel kwijt. We zijn toen in een stadium dat anderen ons voor gek verklaarden essentiële reserve-onderdelen gaan inslaan, in de hoop dat we, als molenbouwers failliet gingen, toch nog minstens tien of liever twintig jaar vooruit zouden kunnen.’
Gerrit vult hem aan: ‘En kijk, onze molens draaien nog allemaal, terwijl sommige andere nu al allerlei problemen hebben, vooral die in windparken op zee. De situatie wordt er vast niet beter op, maar wij verwachten de eerste jaren bij ons geen stilstand.’
Suzan: ‘Als we het geheel overzien, hebben we, al met al, heel wat bereikt. Daar zijn we trots op. Het is hoopgevend.’
Harm: ‘Ja, iedereen is nu een stuk armer dan acht jaar geleden. De sluipende crisis heeft ons meer op onszelf teruggeworpen. Die gaandeweg optredende verandering heeft net zo gaandeweg de leden steeds meer betrokken bij hun gezamenlijk project. De Windvogel heeft nu inderdaad die tienduizend actieve leden. Eerst wilden we graag zoveel mogelijk nieuwe leden erbij. Nu controleren we of kandidaten er echt wel bij (willen) horen. Dan moeten ze actief deelnemen. Dat is een voorwaarde geworden. We zijn aantrekkelijk geworden voor profiteurs. En dat heeft de zaak omgedraaid. We hebben nu een membraan dat veiligheid biedt door verkeerde invloeden buiten de deur te houden. Dat membraan onderhouden is nu onze nieuwste uitdaging in deze woelige wereld.’
Suzan: ‘Niet zo negatief Harm. Vertel gewoon hoe we er zelf concreet voorstaan. We bezitten nu, al of niet gedeeltelijk, tien molens en twee grote zonneparken meer dan in 2025, en een dertigvoudige accucapaciteit vergeleken bij de AmstelBatterEi. We doen met drieduizend leden mee aan het bidirectionele laadpalensysteem voor auto’s. We hebben de software bijna rond waarmee we die stroom en de opgewekte zonne-energie van tweeduizend leden in ons eigen elektriciteitsbedrijf kunnen integreren, samen met de stroom van nog veel meer leden van andere coöperaties. Dat elektriciteitsbedrijf borduurt voort op het bedrijf ‘OM nieuwe energie’ en De Windvogel doet er nu wel aan mee. En dat alles gebeurt mede onder de paraplu van Energie Samen, zodat ook de boeren van de Windunie meedoen met nog tientallen windmolens in hun bezit.’
Gerrit: ‘Intussen proberen we met die software het netbeheer zo te regelen dat het heel modulair wordt, in kleine kringen, met als het ware de leden gegroepeerd naar molens en gemeenten. We bouwen aan een netwerk en daarbij letten we op dat dat zoveel mogelijk veerkracht krijgt. Als we bijvoorbeeld bij een molen bewoners de ene kant op wonen en andere bewoners de andere kant op, noem die plekken A en B met C als de molen, dan verbinden we niet alleen A-C en B-C, maar ook A-B. Dat hele zaakje goed uitvoeren is een volgende uitdaging.’
Harm: ‘Dat is als technische uitdaging net iets voor jou Gerrit, maar ik denk dat wij vooral sociaal in de komende acht jaar voor grote uitdagingen komen te staan, groter dan die van de afgelopen acht jaar.’
Suzan: ‘Zullen we tot slot nog iets van onze verwachtingen bespreken?’
Harm vervolgt: ‘We hadden het al over dat membraan dat we gevormd hebben. We houden ons daarbij al steeds meer aan de regels van hoe je meentes beheert, Je weet wel, die regels die Elinor en Vincent Ostrom in hun veldwerk vonden.’
Nu over de periode voorbij de komende acht jaar.
Suzan: ‘We zitten met het probleem dat we te verspreid zitten, zowel met de molens als met de leden. De verharding van de samenleving is in bepaalde kringen onverminderd doorgegaan en onze leden, wijzelf, zouden het liefst meer bij elkaar kruipen.’
Harm: ‘En wat de mensen van 2026 niet weten, is dat de huizenmarkt nogal is ingestort. Huizen zijn weer betaalbaar. Dat komt mede omdat veel mensen met een te hoge hypotheek uit hun huis zijn gezet – de banken blijken ook in Nederland geen lieverdjes en de steeds zwakkere overheid kan niet tegen hen op. Maar het voordeel is dat mensen nu makkelijker kunnen verhuizen. Leden zoeken elkaar op. Ze beginnen al te clusteren.’
Gerrit: ‘Daarom gaan we binnenkort ook beginnen naar die groepen eigen stukjes leidingnet aan te leggen, met transformatorhuisjes en al. Als zoveel mogelijk leden bij elkaar zitten, en dichtbij molens en zonneparken, kunnen we ze veel meer zekerheid bieden. Ik moet eigenlijk zeggen: bieden ze zichzelf meer zekerheid.’
Suzan: ‘Intussen is de maatschappij zodanig verhard en gespleten, dat we niet meer iedereen zomaar verwelkomen. We moesten onze basishouding helaas grondig herzien. We zijn selectief geworden bij wie er tot de coöperatie mag toetreden – namelijk degenen die de regels van het meentebeheer onderschrijven. En dat niet alleen. We kiezen ook de bedrijven die wij van stroom voorzien zorgvuldig uit. Het liefst zijn het groene starters, die dus tot de onderstroom behoren, of anders vroege aanvaarders*. Ze moeten toekomstperspectief hebben, dat wil zeggen dat ze nu al anticiperen op een maatschappij met een ander energiebeheer. Al helpen we ook een paar bedrijven aan stroom die groter zijn maar essentiële producten maken. Denk aan Solarge en Suncom.’
Harm: ‘Het gaat trouwens niet alleen meer over elektriciteit. We willen dat onze meente zich meer tot een totale economische eenheid ontwikkelt. Dat geeft meer veiligheid. Daarom moeten bedrijven die wij stroom leveren ook mee gaan doen aan ons @ndere geldsysteem. We hebben onze munt ‘samen van ons’ genoemd, en er doen al aardig wat winkels en ambachtslui aan mee, maar het geldsysteem van de oude economie blijft tot nu toe nog overheersend.’
Suzan: ‘De wereld is zo’n puinhoop geworden dat de centrale banken bezig zijn hun greep op het geldstelsel te verliezen. Daarom zien wij nu kansen. De bereidheid om aan zoiets mee te doen groeit snel. De mensen beginnen de voordelen te snappen. Dat geld niet nodeloos wegvloeit, maar steeds opnieuw binnen de eigen kring rondgaat.’
Gerrit: ‘In het oorspronkelijke idee werd er eerst ergens een pot gestald met evenveel euro’s als er @nder geld in omloop gebracht werd En dan ging dat @andere geld veel vaker rond dan de euro’s uit de pot gedaan zouden hebben. Dat diende dus als buffer, het gaf veerkracht. Nu de euro onbetrouwbaar wordt leek het ons het beste ons vermogen in molens enzovoort als onderpand te gaan gebruiken. Dan heb je net zo goed een limiet aan de geldhoeveelheid en kun je inflatie voorkomen. En dan gaan we meteen ook krediet uit het niets scheppen zoals de Social Trade Organisation dat uitlegt.’*
Suzan: ‘En dan kunnen we juist die projecten – niet alleen bedrijfjes, maar bouwwerken en boerderijen – financieren die wij, als gemeenschap, het hardste nodig vinden. En die de overheid juist nooit zou steunen.’
Harm: ‘Steeds staan we weer verbaasd wat mensen allemaal verzinnen om uit de puinhopen te komen, wat een creativiteit er is, wat een samenwerking. Daar kijkt de rest van Nederland intussen jaloers naar. We moeten oppassen dat we onze eigen groei kunnen blijven beheersen. En we moeten tegelijk oppassen dat conflicten met de buitenwereld niet te hoog oplopen. Dat mafkezen onze molens gaan opblazen, puur uit jaloezie, of dat maffiatypes ons willen afpersen.’
Susan: ‘Dat is dus nog weer een ander terrein dat we moeten ontginnen: zelfverdediging. Grote delen van de wereld beginnen steeds meer het scenario te volgen van ‘Linksom of rechtsom door de polycrisis’ uit het boek van Michael Albert (dat 4eco al in 2025 uitgaf – over een vooruitziende blik gesproken). Dat beangstigt wel hoor!’
Gerrit: ‘In Amerika verkruimelt een groot deel van federale staat, China zit met een volk van oudjes die alle welvaartsziekten hebben die wij ook zo goed kennen, in Rusland drinken elk jaar een miljoen mensen zich dood, net als vroeger; in Oekraïne gebeurt trouwens hetzelfde.’
Suzan: ‘Ho Gerrit, we weten dat het zo is, maar wij hebben de sleutels in handen om ons hieraan te onttrekken. Dus niet zo somber hè! Wij sturen de mensen van 2016 juist een positief bericht vanuit de toekomst.’
Harm: ‘Ons bericht uit de toekomst luidt dus dat er een heel vlechtwerk van onderdelen van een alternatief energiesysteem aan het ontstaan is, plus een nieuwe, lokale economie, die ons weerbaarder maakt voor de grote klimaatverandering en politieke chaos die we nu meemaken. En dat dat nog slechts een eerste stap is in de opbouw van een nieuwe, levenskrachtige gemeenschap. Wij roepen de mensen van het verleden daarom op: Doe mee, dan hoor je er straks bij.’
Na het onderwerp energiecoöperaties nu over naar eigen Nederlandse zonnepanelenproductie.
Op maandag 9 september 2024 verscheen het langverwachte rapport over het concurrentievermogen van de Europese Unie dat in opdracht van Commissievoorzitter Ursula Von der Leyen geschreven werd door een commissie onder leiding van voormalig ECB-voorzitter Mario Draghi. Zelden maakte een rapport zoveel los. Je bleef maar horen: ‘dit moeten we nu (echt) gaan doen’.* De furie van Trump droeg daar vervolgens aan bij.
Waar gaat het zo’n beetje om? Het rapport bekritiseert het gebrek aan innovatie en de ‘zelfgenoegzaamheid’ van Europa. Om de technologische en economische achterstand in te halen moeten overheden en bedrijfsleven minimaal 750 tot 800 miljard euro per jáár éxtra investeren. Het doel moet zijn om de economische ontwikkeling van de EU weer op de rit te krijgen en duurzame groei te faciliteren, zodat de EU minder afhankelijk is van landen als China en de VS. We moeten daarbij niet vasthouden aan ‘oude’ industrieën én we moeten belemmerende regelgeving voor innovatieve bedrijven opheffen. Start-ups moeten er voor gaan kiezen om in Europa te groeien in plaats van in de VS. De afhankelijkheid bij kritieke grondstoffen van vooral China moet worden verminderd. Om dit te financieren moet er volgens Draghi ook een kapitaalmarktunie worden opgericht, met gezamenlijke schulden.
In het kader van deze aflevering is vooral van belang wat er over decarbonisatie gezegd wordt. Die is volgens Draghi nodig en biedt, behalve hobbels op de weg, ook groeikansen. Zonder een gedegen strategie wordt Europa ingehaald door concurrenten zoals China, die sterk investeren in schone technologie. (China is een geduchte concurrent. Je hoort er nu bijna dagelijks over dat bedrijven in de groene sector hier moeten sluiten.) Ook gemeenten en provincies kunnen een actieve rol spelen in het faciliteren van hernieuwbare energieprojecten. Dit vraagt om snellere en efficiëntere besluitvorming en digitalisering van vergunningsprocessen. Decentrale overheden kunnen ook bijdragen door te investeren in lokale recycling en circulaire economie, met name in schone technologieën. Dit vermindert de afhankelijkheid van geïmporteerde grondstoffen en versterkt de lokale industrie.
Tot zover Draghi. Zonnepanelen uit China worden nu zo goedkoop op de markt gebracht dat een eigen industrie in Europa zich niet kan ontwikkelen.* Daarover straks meer. En er is nog een keerzijde. In de komende decennia begint een gigantische berg van afgedankte zonnepanelen te ontstaan. Volgens een ‘bierviltje-berekening’ liggen er nu minstens 60 miljoen panelen in Nederland.* Dat zijn er voor Europa dan waarschijnlijk wel een miljard of meer. Die worden allemaal afval. En daar zullen dan jaar op jaar tientallen miljoenen panelen bij komen. TNO zegt: ‘Traditionele zonnepanelen zijn zo geconstrueerd dat je ze aan het einde van hun levensduur nauwelijks kunt recyclen.’ Dat komt doordat de verschillende lagen erg moeilijk van elkaar los te maken zijn.* En dan zit er in de gebruikelijke glas-folie-panelen ook nog eens antimoon en pfas, dat helemaal niet afbreekbaar is (zoals voor pfas te lezen is vanaf aflevering 12 van het artikel ‘Ontwrichtend gif, de derde crisis’ in de rubriek Ontwrichting). Mét pfas kunnen de Chinezen een levensduur voor hun panelen van 30 jaar garanderen.* Dus dat passen ze liever niet aan.
Er is ook een alternatief. Het bedrijf Solarge in Weert maakt lichtgewicht, circulaire zonnepanelen zonder pfas en antimoon.* De basis waarop de eigenlijke zonnecellen liggen is volkomen anders dan bij de standaardpanelen uit China: er komt geen glas of een metalen omlijsting aan te pas, maar er is een kunststofbasis die aan het eind van de levensduur verkorreld kan worden, waarna van dat materiaal opnieuw zo’n basis gemaakt kan worden. De paar lagen folie zijn bovendien door verwarming gemakkelijk los te pellen en ook recyclebaar. Dat maakt het een echt kringloopproduct. Met die kunststofbasis weegt zo’n paneel slechts de helft van de gangbare panelen, wat ook veel beter is voor de arbeidsomstandigheden bij de installatie. Deze panelen zouden in principe zelfs van biomassa, zoals suikerbieten, gemaakt kunnen worden (waarbij een beperkt areaal volstaat om ons blijvend van de grondstof voor panelen te voorzien). De zonnecellen zijn nog wel gemaakt met een standaard-siliciumschijf, maar het is denkbaar dat deze bijvoorbeeld in Noorwegen met waterkracht geproduceerd gaan worden. Er wordt op dit gebied volop onderzoek gedaan. Vooral perovskieten lijken in opkomst.
Dit circulaire paneel is een Nederlands product op basis van Nederlandse patenten en zo past het mijns inziens naadloos in het model van Draghi. Versterking van deze productie helpt de decarbonisatie, de werkgelegenheid en de energie-onafhankelijkheid van Europa.
De inkomsten uit de besparingen op fossiele energie kunnen de basis leveren om de investeringen op dit gebied te financieren. Lees dat in de volgende aflevering.
Nu volgt een plan van mij om circulaire zonnepanelen als die uit de fabriek van Solarge (en eventueel van nog meer van dit soort bedrijven) een solide marktpositie te geven.* Mijn idee luidt als volgt:
Overheden in Europa gaan een flink aantal circulaire, CO₂-arme en pfas- en antimoonvrije panelen per maand kopen, bijvoorbeeld 20.000 of 50.000 per maand in Nederland, of 200.000 of 500.000 in Europa, en dat minstens vijf jaar lang. Uitsluitend producenten van circulaire, gifvrije panelen uit de Nederland/EU mogen hierop intekenen.* Zijn er meer goede kandidaten dan wordt de opdracht niet aan één bedrijf gegund maar verdeeld, opdat vele innovatieve bloemen zullen bloeien.
De prijs die aan deze fabrikanten betaald moet worden vormt een heikel punt. De dumpprijzen van de Chinese panelen lagen in 2025 zelfs een stuk onder hun eigen kostprijs. (Zie voor een klein overzicht van de actuele stand van zaken aan het eind van 2025 onder het kopje ‘Chinese zonnepanelen’ op Ecopedia.) Dus met die norm kan niemand meedoen. Mijn idee is dat een bedrijf zo’n beetje zijn eigen, niet exceptionele, kostprijs betaald krijgt, die het dan met de geboden aankoop zelf steeds omlaag moet brengen. Dan mag met een staffel. Op deze manier heeft die fabriek een stevige basis om te produceren, maar maakt het bedrijf op deze productie feitelijk geen winst. Het is geen vorm van ‘in de watten leggen’ die lui kan maken. Het gaat er om de schaalvoordelen te laten groeien. De producent kan zo nodig wel een redelijk grote fabriek bouwen omdat de gegarandeerde afzet voor minstens vijf jaar geldt. Zo’n continuïteit zorgt er dan weer voor dat de markt vertrouwen heeft in het bedrijf. Al producerend gaat de kostprijs echt wel omlaag en dan komen steeds meer commerciële klanten in beeld, in Nederland, in Europa, maar ook erbuiten.
De panelen leveren vervolgens stroom die niet meer met fossiele brandstoffen opgewekt hoeft te worden. Bij de huidige kostprijs van deze panelen en de elektriciteitsprijs is deze publieke betaling een investering die zich nu misschien in 7 à 8 jaar terugverdiend. Dat valt ruim binnen de levensduur van de panelen. (Zie het kopje ‘kosten en baten bij zonnepanelen‘ op Ecopedia.) Ze verdienen zichzelf dus met zekerheid terug. Dat moet vanuit de economische optiek van overheden (of bijvoorbeeld woningbouwverenigingen) aanvaardbaar zijn, als ze het maar door de bril van Draghi willen bekijken. (Maar het zal minder aanvaardbaar zijn, bekeken met de normen van een bedrijf als Shell, dat graag een rendement van 15 procent wil halen.)
We hebben het dus niet over een subsidie, want het is geen gift maar een (iets te dure) aankoop van een eindproduct dat de koper een opbrengst levert. De waarde van de panelen kan je op de balans zetten.* Er zit op dat bezit een rendement door die opbrengst van de zonne-energie die opgewekt wordt als compensatie van de elektriciteitskosten. Dat maakt een volkomen andere financiering mogelijk dan bij reguliere overheidsuitgaven, zoals voor een brug of in de gezondheidszorg. Je moet het benodigde beginkapitaal weliswaar lenen, maar als je er een revolverend fonds (zie ‘Revolverend fonds’ op Ecopedia) van maakt is de hele onderneming na een startfase feitelijk gratis. Je koopt dan immers nieuwe panelen met de inkomsten uit de oude. Natuurlijk hebben panelen een beperkte levensduur, maar je kunt voor minstens twintig jaar en hopelijk langer op inkomsten rekenen.
En het kan helemaal goedkoop als de overheid het benodigde geld zelf schept. Een nationale variant op de door Draghi genoemde kapitaalmarktunie zou natuurlijk een precedent vormen (en dan is het nog maar de vraag of je dan zelf geld schept, of het leent bij de banken). Maar voor een overheid die én voor het klimaat, stikstof en woningbouw, én voor defensie én voor nieuwe industrieën extra geld nodig heeft, lijkt voor specifieke zaken als deze zelf geld scheppen de beste uitweg, vooral in dit geval met kapitaalvorming. Toch gebeurt het niet. Wat is probleem?
In het Verdrag van Maastricht van 1992 is afgesproken dat alleen private, commerciële banken geld ‘uit het niets’ mogen creëren. De overheid mag dat niet. Als de overheid geld nodig heeft voor een plan als dit, moet zij dat lenen van deze banken die dat geld dan dus zelf wel ‘uit het niets’ mogen creëren. Voor de bank staat in hun boekhouding de schuldbekentenis van de overheid tegenover deze lening. Zie het bij dit idee als een hypotheek die de overheid neemt, met de panelen (in plaats van het huis) als het onderpand en waarbij de overheid in de ogen van de banken zijn verplichtingen altijd wel zal nakomen. Leent de overheid bij banken, dan betalen generaties Nederlanders (als er niet wordt afgelost) over dat gemakkelijk gecreëerde geld nog decennialang rente aan de aandeelhouders van die banken. (Ik ontleen dit aan een artikel waarvan een langer gedeelte in deze noot staat.*)
Hier wringt zich dat dit op Europees niveau moeten gebeuren, in een niet erg veelbelovend politiek-economisch krachtenspel. En hiermee zijn we er nog niet met mijn plan. Verder in de volgende aflevering.
Laten we nu eerst de voordelen van deze aanpak voor Nederland (of Europa) op een rijtje zetten:
- Nederland/Europa zet een eigen zonnepanelenindustrie op poten die daarna zelfstandig kan groeien, want de bedrijven krijgen een tijdlang bestaanszekerheid en steeds meer vertrouwen van de commerciële markt.
- Nederland/Europa kiest hiermee voor de slimste manier om een lagere commerciële kostprijs voor eigen panelen te bereiken.
- Nederland/Europa krijgt meer energiezekerheid in een onveiliger wereld.
- Nederland/Europa lost er een toekomstig afvalprobleem mee op en stopt het importeren van pfas en ander onverwerkbaar afval, zoals antimoon.
- Nederland/Europa krijgt een product dat helpt bij verduurzaming en het tegengaan van klimaatverandering.
- Nederland/Europa krijgt door deze aankoop panelen in handen die tactisch kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld door woningbouwverenigingen op daken van slechte woningen.
- Nederland/Europa krijgt door deze aankoop lichtgewichtpanelen die ingezet kunnen worden op plaatsen met weinig fysieke draagkracht, zoals schuren waarop nu asbestplaten het dak vormen. Dat is in Nederland 50 miljoen vierkante meter.* Betrek je hier dergelijke daken van commerciële en industriële gebouwen bij, dan kom je uit op het viervoudige, of meer.
- Nederland/Europa maakt hiermee de goedkoopste en meest effectieve keuze.*
- Het geïnvesteerde geld circuleert waarschijnlijk nog meerdere malen door de economie van Nederland (of Europa), met gunstige gevolgen voor de werkgelegenheid en de besteedbare inkomens, in plaats van weg te vloeien (naar China) en voor eeuwig verloren te gaan! Dit is echt een niet te veronachtzamen aspect.
- Er komt een nieuwe bedrijfstak om trots op te zijn. Ook heel belangrijk voor het Europese verhaal.
- En: zou de overheid nu het benodigde geld zelf scheppen, dan zouden wij bovendien bij de kosten van het geld nog eens drie procent goedkoper uit zijn.
Als het allemaal zo gunstig is, gaat het dan ook gebeuren?
In termen van veiligheid, gelijkheid en vertrouwen bouw je zo aan een holon op nationale (of Europese) schaal. Het membraan zou behalve de productiekant en de grondstoffenleveranciers zowel de overheid als de woningbouwcorporaties en de energiecoöperaties kunnen omvatten. Het zou een samenwerkingsmodel op het specifieke terrein van zonne-energie op de schaal van ons land kunnen opleveren dat mogelijk ook moeilijke tijden kan overleven. Dat hangt wel af van het voortbestaan van vertrouwen en een gedeelde cultuur, maar daar bouwt zo’n model natuurlijk zelf ook aan mee. Bij hoe strak of slap die samenwerking zal uitpakken heb ik wel mijn reserves. Veel vastgeroeste normen moeten een nieuw jasje krijgen. Laten we er nog wat verder over nadenken.
Gaat de politiek zoiets wel doen? Dat is zeer de vraag. Voor overheden is het erg wennen aan het idee. Ze zullen zich formeel (strak) afvragen: ‘Hoe geven we dat financieel handen en voeten?’ En: ‘Wat doen we met die panelen?’ Als het rijk bijvoorbeeld de gunning doet, kunnen de panelen naar de Rijksgebouwendienst, Rijkswaterstaat en de groei bij Defensie. Als je daarentegen gemeenten of woningbouwverenigingen mee wilt laten doen, hoe knoop je dat dan organisatorisch aan elkaar? Je moet het micro-, meso- en macroniveau koppelen, met aankoop/financiering, installatie, onderhoud, verrekening en afschrijving. Maar, zou je denken, een ministerie dat raad weet met de DSE+-verrekeningsmodellen moet dit toch aan kunnen?*
Je hebt ook Aedes als overkoepelend orgaan van de woningbouwverenigingen. Misschien kunnen die de regie nemen. Bij 240.000 panelen per jaar en zes stuks per woning, gaat het om 40.000 woningen; een uitdaging die opgelost moet kunnen worden als je bedenkt hoeveel miljoenen panelen er nu al liggen en er toch al jaarlijks bij komen.* (En dat heb ik het nog niet over een eventuele eerlijke verdeling in Europa, waar ieder natuurlijk zijn of haar eigen voordeel probeert te behalen.)
Een heel andere insteek zou de verplichting kunnen zijn om bepaalde (nieuwe) gebouwen van circulaire zonnepanelen te voorzien èn daarbij 40 procent Nederlandse content te eisen. Denk aan overkappingen van parkeerplaatsen, bedrijfsgebouwen, rijks- en gemeentepanden, tennisparken, enzovoort. Dan zou Nederland dat als een aanvulling op de SDE+-regeling kunnen toevoegen.* Waarbij de spagaat lijkt dat het voordeel niet mag toevallen aan het enige bedrijf dat Nederlandse content kan leveren, maar dat mag dus wel.*
Nog zijn we niet klaar met dit onderwerp.
In het kader van de opmerkingen van Fleming over de intensiveringsparadox is het grote systeem waarschijnlijk niet meer in staat om dit te regelen, wat ook Draghi’s probleem is. (En wat kunnen we van eurocommissaris Wopke Hoekstra als oud-McKinsey-man verwachten? Hij kon de erosie van de Europese transitieplannen in november 2025 in elk geval niet tegenhouden. Dus echt serieus neem het Europees Parlement Draghi kennelijk niet.)
Hoe lastig het is, zie je bij een verbod op pfas in panelen. Dat is natuurlijk hard nodig en zou onder andere neerkomen op een slagboom aan de grens van Europa voor zulke Chinese panelen. Zo’n voorstel werd eerst nog in 2025 verwacht.* Máár… dan treedt dat waarschijnlijk pas over vier jaar in werking! In een wereld die zich dankzij Trump bijna elke dag voor aanpassingen gesteld ziet, is dat verbijsterend lang. Dan gaan door de Chinese overmacht in de tussentijd de pas opgekomen Europese bedrijven misschien nog failliet ook.
Andere redenen om importpanelen aan de grens van Europa te belasten zijn:
- Een jonge, kwetsbare industrie beschermen.
- De CO₂-voetafdruk belasten.
- De echte toekomstige recyclingkosten alvast innen.
De beschermingsreden lijkt me politiek onhaalbaar. We willen de nodige energie immers zo veel mogelijk duurzaam opwekken. Dan móeten we (voorlopig) wel een heleboel panelen importeren.
Het belasten van de CO₂ die vrijkomt bij de productie en het transport van de panelen lijkt me een goed idee, maar dan is het probleem dat je bij de (Chinese) industrie dat aspect van de productieketen aldaar precies in kaart moet kunnen brengen en het lijkt me niet dat daar medewerking voor komt. Integendeel, de Chinese bedrijven zijn onbetrouwbaar.* Je kunt natuurlijk ook Europese cijfers als norm nemen. Die CO₂-heffing geldt immers evengoed voor op dezelfde manier gemaakte Europese panelen. De recyclebare panelen zou je vrijstelling kunnen verlenen. Ik zie dit voorlopig niet werken in de praktijk.
De recyclingkosten alvast innen is wel goed te doen en lijkt me een zeer valide argument, want de kosten ervan moeten op de producent verhaald worden, niet op de gebruiker (of, zoals nu, de toekomstige belastingbetaler).* Die kosten maak je bovendien hier in Europa en zijn dus wel vast te stellen. Nederland int al recyclingkosten, echter het bedrag is onrealistisch laag.* Als de gangbare panelen zo moeilijk uit elkaar te halen zijn, zal het hier om aanzienlijke bedragen gaan; misschien 10 of 20 euro per stuk en dat voor Nederland met 7 miljoen panelen per jaar. Bij 15 euro kom je dan uit op (het mooi ronde bedrag van) 100 miljoen euro aan jaarlijkse recyclingkosten.
De koop van 20.000 panelen uit aflevering 34 zou bij het bedrag 175 euro per paneel een bedrag van 3,5 miljoen per maand vergen. Als de kostprijs zakt wordt dat eerst 150 en dan waarschijnlijk 125 euro per paneel. Laten we dus met het gemiddelde rekenen, wat uitkomt op zo’n 30 miljoen aan kosten per jaar. Dat bedrag moet dan, om de elektriciteit op te wekken, nog wel verhoogd worden met de kosten van organisatie, omvormers en installatie; zeg dat die post op 70 miljoen uitkomt (en voor installatie op daken wordt het al gauw wat meer).* Samen wordt dat 100 miljoen. Dat is hetzelfde bedrag dat aan de buitengrens geïnd wordt om de recycling mee te betalen!*
Geld dat bedoeld is voor recycling moet daar natuurlijk ook voor gebruikt worden. Alleen, die recycling gebeurt pas over 20, of misschien zelfs 30 jaar. Dat geld zou intussen dus prachtig voor de aankoop van de panelen gebruikt kunnen worden. Na verloop van tijd zouden dan de uitgespaarde brandstofkosten de pot voor de recycling weer kunnen vullen.
Zo heb je twee communicerende fondsen die na een aanloopfase zichzelf financieren, waarvan een vanaf de aanvang revolverend is, en de ander de opbrengst aan het eind opslorpt.
En dan nog dit: Binnen de holon-theorie is er misschien veel voor te zeggen om dit op een bestuurlijk zo laag mogelijk niveau aan te pakken. Dan kom je in Nederland uit bij de gemeenten en provincies. Dan zou dat in hun onderlinge overleg opgezet moeten worden. Die financiering krijgen ze met hulp van het rijk vast wel voor elkaar. Die panelen kunnen ze zeker plaatsen; er zijn nog daken genoeg. Ze zouden kunnen samenwerken met energiecoöperaties. Het probleem zal er misschien in zitten dat ze het gevoel hebben ‘in zaken te gaan’, iets wat per definitie niet thuishoort in het bestuursstelsel (zoals we zagen in het artikel ‘Handel en bestuur: twee stelsels’ in de rubriek Ethiek). Maar wat dit dus eigenlijk niet is. Het is eerder als belastinggeld dat volgens bepaalde regels besteed moet worden.
Als het zou lukken een modus te vinden en vertrouwen te krijgen, dan ontstaat na verloop van tijd een subsysteem dat lokaal en regionaal de veerkracht versterkt, niet alleen omdat het een stuk energievoorziening veilig stelt, maar vooral ook omdat er een nieuw, flexibel organisatiemodel toegepast wordt, dat in tijden van crisis een voorbeeld kan zijn voor andere terreinen.*
Het zou dan een holon kunnen worden, zoals Fleming dat bedoelt.