Planten en boeren, met hun drang 2: Moderne landbouw, permacultuur en regeneratie
JAN VAN ARKEL

Laten we na de planten nu de landbouw bekijken. Het biologische doel van de landbouw is om het ecosysteem terug te dringen naar een vroeg stadium van successie waarin de verhouding tussen de bruto fotosynthese (F) en de mate van bruto ademhaling (A), oftewel het F/A-quotiënt, hoog is (zie aflevering 25 van artikel 1), waarin dus de proportionele groei hoog is en een groot deel van de totale, zij het kleine biomassa beschikbaar is als voedsel voor de mens. (Zie aflevering 2 van artikel 1.) Dat gedrag heeft, natuurlijk, een paar onbedoelde gevolgen.
Omdat het systeem in een vroeg stadium van successie zit, zal het – als het aan zichzelf wordt overgelaten – naar latere stadia tenderen, naar grotere diversiteit. En deze gang van zaken is precies wat de boer probeert te voorkomen. De geïnteresseerde pioniers krijgen gewoonlijk het stempel van onkruid of plaag. Trouwens, het voedsel dat de boer voor zichzelf en zijn gezin teelt is op geen enkele manier alleen maar attractief voor de mens. Er zijn genoeg andere dieren, gewervelde en ongewervelde, die weten wat lekker is en die, als ze maar even de kans krijgen, de boer zullen aftroeven in het binnenhalen van de vrucht van zijn arbeid, en dat zonder enig gewetensbezwaar. De eenvoud van het systeem maakt hun taak nog eens extra gemakkelijk: er is een heleboel van het voedsel waar ze op uit zijn, het is goed bereikbaar en er zitten minder potentiële concurrenten of roofdieren in de weg. Dit gaat niet alleen op voor de herbivoren en de oogst van de boer, of voor de roofdieren en het vee van de boer, maar ook voor infectieziekten, of ze nu viraal zijn, bacterieel, of van schimmels of parasieten.
Zo ligt het nu eenmaal. De effecten kunnen worden verzacht, maar slechts door voortdurend in de weer te zijn met grote waakzaamheid. Vanaf het moment dat de mens ervoor ging om in monoculturen zijn eigen voedsel te gaan telen, werd hij een gevangene van het systeem dat hij schiep. Hij moest het ecosysteem, dat zijn boerderij was, voortdurend in dat vroege stadium van successie houden; dat werd zijn levenstaak. De kwantitatieve relatie tussen de biomassa van de mensheid en die van zijn gewassen, vooral de grassen, is in de kern er een van symbiose: de een kan in zijn huidige omvang niet bestaan zonder de ander.
Elke ingreep in een complex dynamisch systeem heeft onbedoelde gevolgen. Zo zit het ook met de introductie van de landbouw. Die onverwachte en onbedoelde neveneffecten waren vanaf het begin veelal ongewenst. Gewoonlijk zoekt de mens dan een remedie voor de neveneffecten; hij pakt de symptomen aan. Elke remedie blijkt dan weer zijn eigen neveneffecten te hebben, die op hun beurt aangepakt moeten worden. Het is een waterval, een explosie van technische vernieuwing, van sociale, juridische, economische en milieuproblemen, met een sociale structuur die allengs complexer wordt. Er is sprake van ontwikkeling. Het opheffen van de feitelijke oorzaak van de onbedoelde gevolgen, de landbouw op zich, was geen optie. Gedane zaken nemen geen keer. Er was sprake van een bifurcatie.
Het gevolg was een sluipende achteruitgang van de kwaliteit van de grond. Die kun je definiëren als het afnemen van de capaciteit van de grond om een zekere biomassa te ondersteunen, een bepaald groeitempo te onderhouden, of om tot een zekere graad van plantensoorten te komen; en dat alles in een situatie met voldoende beschikbaar water, lichtval en geschikte gemiddelde temperaturen voor wat ‘daar’ normaal groeit. Achteruitgang kan komen door de fysieke verwijdering van grond, de netto verwijdering van voedingselementen die niet grondgebonden zijn, of de netto ophoping van gifstoffen. Dat is dus juist wat de landbouw met het telen van voornamelijk eenjarige gewassen normaal gesproken allemaal doet: oogsten afvoeren en gif spuiten, erosie veroorzaken en bodem verliezen. We bekijken de laatste twee nog wat nader.
We kunnen hier tegenwoordig aan toevoegen dat klimaatverandering ook een factor zal (gaan) zijn in de achteruitgang.