Paradigmaschimmel of elementen van een toekomstanalyse 4
Remedie: Groepswerk en cultuur in tijden van crisis

JAN VAN ARKEL

Het werk van Rob Hopkins (auteur van Het Transitiehandboek uit 2008) krijgt in dit vierde artikel van de serie ‘Paradigmaschimmel’ mijn aandacht omdat hij vanuit een komende crisis denkt èn vanuit een stralende toekomst terugdenkt naar zo’n moeizaam heden.* Zijn uitgangspunt was een (aan het begin van deze eeuw) op korte termijn te verwachten piekoliemoment, aangevuld met de klimaatcrisis. Hopkins geeft er weliswaar een positieve draai aan, maar dat piekoliemoment is naar zijn aard negatief (en het moet nog steeds komen).* Een grote vermindering van het verbruik van fossiele brandstoffen is natuurlijk ook nodig voor het klimaat, maar het zwaartepunt van de ideeën van Het Transitieboek hing met deze oliebenadering toch wel een beetje uit het lood. Bedenk hierbij dat hernieuwbare energie in 2008 nog heel weinig voorstelde. Maar ook al lag het accent toen op het afkicken van de olieverslaving, de manier waarop dat vraagstuk door de (bijbehorende) transitiebeweging werd aangepakt, is wel heel bijzonder en de methode verdient het om nog eens opgerakeld te worden. Het is eigenlijk een heel andere omgang met het paradigmaprobleem dan we tot nu toe zagen. Dat oprakelen is wat ik hier vrij in het kort doe. Ik geef steeds aan uit welk hoofdstuk de aflevering komt, met een link naar de pdf van dat complete hoofdstuk. Zo kan eenieder het hele origineel ook lezen.

Belangrijk is nog om te weten dat Hopkins zijn boek heeft opgedeeld in drie delen, waarmee hij onderscheid maakt tussen ‘hoofd’, ‘hart’ en ‘handen’, een essentieel aspect van de permacultuurbenadering. Alle drie zijn samen nodig om aan een alternatieve toekomst te bouwen. Het internet was toen nog niet alomtegenwoordig, dus worden notulen uitgetypt en komen ideeën op flipovers. Maar het zal je niet veel moeite kosten om het gebodene in gedachten naar het heden te verplaatsen; ik doe dat zelf zo nu en dan ook al een beetje.

De tweede auteur die in dit artikel aandacht krijgt is David Fleming.* Hij overleed in 2010, maar zijn boek met de titel Surviving the Future – Culture, Carnival and Capital in the Aftermath of the Market Economy verscheen postuum pas in 2016. Ik geef in dit artikel een groot deel van het eerste gedeelte van dit boek weer.

In zijn voorwoord bij dit boek schrijft Rob Hopkins: ‘Een lezing van David was steeds weer een betoverende gebeurtenis. Hij sprak op grote snelheid omdat hij alleen op deze manier het tempo kon bijbenen waarop zijn hersenen ideeën voortbrachten. Vaak gingen er in de zaal handen omhoog om hem aan te sporen iets langzamer te praten, maar dat hield hij niet langer dan twee minuten vol. Daarna lag hij weer op volle snelheid. Een van zijn meest memorabele optredens was in 2009 op de Transitienetwerkconferentie in het Battersea Arts Centre. De titel was ‘Wilde economie: wolven, veerkracht en geest’ (Wild Economics: Wolves, Resilience and Spirit). Tot op de dag van vandaag kan ik je niet vertellen waar het over ging, behalve dat het fascinerend was, een razendsnelle en hilarische rondgang door de hersenen van David Fleming.’

Fleming was de bedenker van de ‘Lean Economy’, de Slanke Economie, waarvan in dit artikel duidelijk zal worden wat dat inhoudt. Het verschil met alle voorgaande auteurs is dat Fleming verval onontkoombaar acht en dat hij daarbij een onderscheid maakt tussen ‘afdaling’ en ‘ineenstorting’, waarbij ineenstorting ‘einde verhaal’ behelst. Fleming kiest er voor om verderop in de ‘afdaling’ te vertrekken, waarbij we op een soort middeleeuws welvaartsniveau zijn uitgekomen. Hij kijkt dan vooral hoe we met zo’n situatie (kunnen) omgaan en wat er werkt om een nieuwe samenleving vorm te geven. In dat opzicht denkt hij dus als het ware vanuit het nieuwe paradigma. Vandaar dat ik ook hem royaal de ruimte geef.

We kennen Fleming al van de ‘klimaatdukaten’. Dat was zijn oplossing om iedereen te betrekken bij de aanpak van het klimaatprobleem. Was zijn methode uitgevoerd dan zou een tsunami aan ideeën en praktijken zijn losgebarsten om deze crisis aan te pakken (en te voorkomen). En dat kan natuurlijk nog steeds, maar de kans erop is nu bijna nihil. Ik gaf het in 2009 uit als boekje. Hier is de pdf van het boek.

Ik ga over wat Hopkins en Fleming te vertellen hebben in dit artikel zelf nog geen oordelen vellen of zelfs commentaar geven. Dat komt later.

En dan nu in dit artikel: aspecten van een remedie voor een ziek paradigma.

Toen permacultuurleraar Rob Hopkins in 2003 van Colin Campbell voor het eerst hoorde over piekolie verwerkte hij die informatie met zijn studenten. (Campbells boodschap was: het piekoliemoment nadert snel.) Zij stelden samen een Energie-afdalingsplan (Energy Descent Plan) voor hun woonplaats Kinsale (Ierland) op, dat later in het beleid van de gemeente werd opgenomen.

Twee jaar later verhuisde Hopkins naar Totnes in Engeland en daar begon hij in 2006 ‘Transition Town Totnes’. Een transition town was een plaatselijke groep die zich praktisch voorbereidde op de verwachte olieschaarste en klimaatverandering. Rob ontwierp daarvoor een sturingsproces dat meer ‘van onderuit’ dan ‘van bovenaf’ verloopt en dat sloeg aan: Transition Towns werd in tal van landen een echte beweging. Richard Heinberg schreef in zijn voorwoord voor Het Transitie Handboek (met de ondertitel heeft ‘Van olie-afhankelijkheid naar lokale veerkracht’) – op het moment dat het met de beweging nog crescendo ging – ‘dat de beste verklaring voor dit fenomeen te vinden is in het feit dat Rob een kopieerbare strategie heeft gevonden om de talenten, visies en goodwill van gewone mensen aan te spreken.’

Het draait allemaal om plaatselijke veerkracht, zo legt Rob Hopkins uit. Daar kunnen mensen zelf voor zorgen. Het begrip verwijst naar het vermogen van een systeem om zijn samenhang te behouden en te blijven functioneren terwijl het wordt blootgesteld aan verandering en schokken van buitenaf. Een ‘systeem’ kan een paar individuen betreffen, maar ook hele economieën. In onze huidige omstandigheden gaat het er niet alleen om de veerkracht te behouden, maar veeleer om weer veerkracht op te bouwen. Hopkins stelt dat het verminderen van de CO₂-uitstoot zonder het heropbouwen van veerkracht uiteindelijk zinloos is.

Net als Monbiot gelooft Hopkins dat dat niet kan zonder nieuwe verhalen: Hoe zouden acties rond het milieu eruitzien als die er eerder op gericht waren een gevoel van vervoering op te wekken dan gevoelens van schuld, kwaadheid en afgrijzen die de meeste campagnes oproepen? Hoe zouden ze eruitzien als ze zouden proberen te inspireren, te enthousiasmeren? Daarvoor, dacht hij, hebben we nieuwe verhalen nodig die nieuwe mogelijkheden uittekenen, die ons opnieuw positioneren in onze relatie tot de wereld om ons heen, die ons verleiden om in de komende veranderingen vooral de mogelijkheden te zien die ze in zich dragen, en die ons uiteindelijk de kracht zullen geven om aan de andere kant weer te verrijzen in een nieuwe wereld waarin het voor ons beter toeven is.

Het gaat dan in de eerste plaats om het opnieuw opbouwen van lokale landbouw en voedselproductie, om de decentralisering van de energieproductie, om het hèrdenken van de gezondheidszorg, om de herontdekking van lokale bouwmaterialen in de context van nulenergiebouw, om het opnieuw bekijken hoe we met afval omgaan; allemaal initiatieven die veerkracht creëren en die de mogelijkheid in zich dragen van een buitengewone renaissance – economisch, cultureel en spiritueel.

‘Ik ben niet bang’, schrijft Hopkins in 2008, ‘voor een wereld die minder consumptiegericht is, waar minder “spullen” zijn en geen economische groei. Ik ben juist veel banger voor het tegenovergestelde.’

Samen met anderen werkte hij zijn ideeën uit in Het Transitiehandboek, een boek met een dubbel vertrekpunt: de huidige crisis en een lonkend alternatief. Het boek bestaat, als gezegd, uit drie delen: het hoofd (hoe zit het precies met de trends die ons bedreigen), het hart (waarom een positief visionair toekomstbeeld cruciaal is) en de handen (zonder inspanning geen nieuwe lokale veerkracht). Alle drie zijn essentieel, alle drie zijn onlosmakelijk met een nieuwe toekomst verbonden.

De weg van de dreigende crisis ombuigen naar een werkend alternatief is een enorme overgang, die ook voor de transitiebeweging te moeilijk is gebleken. Het beeld van een snel piekoliemoment was onjuist (wat niet wil zeggen dat het niet komt – het kan zomaar heel dichtbij zijn, want net als bij de VS in 1971 zie je het pas achteraf). Toch heeft de beweging veel losgemaakt, is zij in allerlei projecten voortgezet (zoals de repaircafé’s), en valt er nog veel lering en inspiratie uit te halen. Vandaar dat ik er hier nog een aantal dingen uitlicht. Daarbij geef ik dus ook steeds pdf’s van hoofdstukken zodat je het geheel nog kan nalezen.

In mijn selectie uit het boek sla ik het olie- en klimaatverhaal uit het ‘hoofd-gedeelte’ over. Daarin voorziet onze website 4eco al voldoende. Maar zijn veerkrachtdeel bij het aspect ‘hoofd’ geef ik wel weer.

Plastic en glas recyclen voegt als eenrichtingsverkeer vrijwel niets toe aan de veerkracht van de gemeenschap, net zo min als een aflaat betalen om bomen te planten om koolstof vast te leggen – behalve als het in een direct verband om voedselbossen gaat. Hopkins haalt David Fleming aan die stelt dat een gemeenschap met verhoogde veerkracht de volgende voordelen heeft:

  • als één deel vernietigd wordt, zal de schokgolf niet door het hele systeem trekken;
  • er bestaat in zo’n gemeenschap een brede variëteit aan eigenheid en oplossingen, die creatief ontwikkeld werden in antwoord op lokale omstandigheden;
  • ze kan in haar behoeften voorzien ondanks het grotendeels ontbreken van reizen en vervoer; doelmatige lokale initiatieven kosten bovendien veel minder.

(We gaan vanaf aflevering 14 verder met wat Fleming ons leren kan.) Dus: als dat zo voordelig is, hoe zit het dan nú en hoe kom je aan zulke lokale veerkracht? Hier om te beginnen wat aspecten in een tabel.

Figuur 1: Wat voegt veerkracht toe en wat niet?

Bij het vermogen van een systeem om zich na schokken te reorganiseren staan drie kenmerken centraal, schrijft Hopkins, namelijk diversiteit, modulariteit en korte terugkoppelingen. We lopen ze in de volgende aflevering één voor één langs.

Als ik hier nog even een uitstapje mag maken naar het artikel ‘De hongerkloof’ van George Monbiot. Die noemt in aflevering 3 zes elementen van systemische veerkracht (die in het wereldvoedselsysteem snel aan kracht inboeten).

  • Diversiteit
  • Asynchroniteit
  • Overtolligheid
  • Modulariteit
  • Brandschotten
  • Back-up systemen

In de eerste twee afleveringen van het artikel van Monbiot gaat het over complexe systemen. Lees de toepassing ervan op het wereldvoedselsysteem in aflevering 3 en 4, en in de rest van het artikel nog eens na.

Terug naar de drie kenmerken van Rob Hopkins.

Diversiteit

Diversiteit verwijst naar het aantal elementen waaruit een bepaald systeem is samengesteld, of het nu mensen zijn, soorten, ondernemingen, instituten of voedselbronnen. De veerkracht van een systeem is niet alleen een gevolg van het aantal soorten waaruit die diversiteit bestaat, maar ook van het aantal verbindingen ertussen. Diversiteit verwijst tevens naar de diversiteit van functies in onze woonplaatsen (eerder dan te vertrouwen op één zo’n functie – bijvoorbeeld toerisme of mijnbouw) en naar een diversiteit aan mogelijke antwoorden op uitdagingen, wat leidt tot meer flexibiliteit. Diversiteit in landgebruik – boerderijen, groentekwekerijen, aquacultuur, bostuinen, notenbomenaanplantingen, enzovoort – is een sleutelelement voor de veerkracht van een woonplaats en de monoculturen die ervoor in de plaats kwamen betekenen per definitie een afwezigheid van diversiteit.

Er is ook nog diversiteit tussen systemen. Precies dat geheel van oplossingen dat op de ene plaats werkt, zal niet noodzakelijk op andere plaatsen werken: elke gemeenschap zal in haar reactie op de komende crisis haar eigen oplossingen, antwoorden en instrumenten (moeten) verzamelen. Dit is om twee redenen van belang. Ten eerste omdat het een topdown-benadering bijna overbodig maakt, aangezien mensen aan de top de lokale omstandigheden niet kennen, noch weten hoe daarop te reageren. Ten tweede is het belangrijk omdat het opbouwen van veerkracht gaat over het werken aan kleine veranderingen in vele niches ter plaatse, met veel kleine ingrepen in plaats van een paar grote.

Modulariteit

De term modulariteit verwijst naar de manier waarop de componenten waaruit een systeem bestaat met elkaar verbonden zijn. In geglobaliseerde netwerken kunnen schokken zich snel door deze systemen voortplanten met mogelijk rampzalige gevolgen.* Het is de grote zwakte van de globalisering. Een meer modulaire structuur betekent dat de delen van een systeem zichzelf bij schokken effectiever kunnen reorganiseren. Zo vervoert men nu als gevolg van de globalisering van de voedingsindustrie bijvoorbeeld dieren en delen van dieren de hele wereld rond, wat leidt tot een toename van allerlei besmettelijke ziektes. Plaatselijk slachten van dieren van lokale rassen voor lokale markten zou een meer modulair systeem vormen met minder risico’s. Modulariteit is een sleutelbegrip voor Transitie-initiatieven die wegen zoeken om hun energieverbruik en kwetsbaarheid te verminderen. Dat kan met lokale voedselsystemen, lokale investeringsmodellen, enzovoort.*

Korte terugkoppelingen

Het kenmerk ‘korte terugkoppelingen’ verwijst naar hoe snel en hoe sterk de gevolgen van een verandering in één deel van het systeem zich laten voelen en (te laat) tot reactie leiden in andere delen. In een meer lokaal systeem zijn de resultaten van onze handelingen veel duidelijker. Wij willen geen overmatig gebruik van vervuilende elementen in onze directe omgeving, maar hebben een stuk minder moeite met dergelijk gebruik in andere delen van de wereld. Bodemerosie, lage lonen en pesticidengebruik elders leveren zwakke signalen. Het verkorten van terugkoppelingslussen zal heilzame effecten hebben, die het ons mogelijk maken om de gevolgen van onze handelingen dichter bij huis te brengen, in plaats van dat ze zich zo ver weg bevinden dat we ze zelfs niet eens opmerken.

In het laatste deel van de ‘hoofd’-gedeelte blijkt dat we moeten herlokaliseren.

We moeten dus het vermogen ontwikkelen om die dingen lokaal te produceren die we lokaal kunnen produceren. ‘Voor veel dingen, zoals computers en braadpannen, kan dat niet, maar er zijn ook veel zaken die we wel opnieuw lokaal zouden kunnen produceren,’ schrijft Hopkins. ‘Om er een paar te noemen: een brede waaier van seizoensgebonden fruit en groenten, verse vis, hout, champignons, verven, veel medicijnen, meubilair, keramiek, isolatiemateriaal, zeep, brood, glas, melkproducten, wol en leder, papier, bouwmaterialen, parfums en verse bloemen. We zijn niet op zoek naar het creëren van een ‘niets erin, niets eruit’-economie, maar eerder om economische kringlopen waar mogelijk te sluiten en om lokaal te produceren wat we kunnen.’

Bij mij roept dit, als ik het mag zeggen, grote vragen op over hoe in deze tijd een meer gelokaliseerde industriële sector er uit zou zien en over de praktische en financiële aspecten van de wederopbouw van een CO₂-neutrale gelokaliseerde industriële sector – een sector die intussen grotendeels ontmanteld en aan China is uitbesteed. Helaas laat Hopkins het uitdenken van zo’n plaatselijke industrie buiten de opzet van zijn boek vallen en het is precies op dit harde terrein van daadwerkelijk presteren dat de transitiebeweging volgens mij vastliep.

Er waren veel goede bedoelingen, maar het ontbrak veelal aan praktisch vernuft en daadkracht.* De stap naar het creëren van een nieuw geheel is feitelijk te groot. Vandaar dat zoveel mensen zich op één project zijn gaan richten: de voedselbossen schieten sinds die tijd als paddenstoelen uit de grond, energiecoöperaties zijn heel belangrijk geworden. Al die initiatieven missen echter nog de samenhang van een compleet, nieuw paradigma. Er is geen gedeeld verhaal. (Zie ook artikel 5.) We zien bij het verhaal over de ecologische beweging van Latour in artikel 3 hetzelfde probleem.

Wat betreft welke zaken op welke schaal thuishoren geeft Hopkins nog wel deze opsomming:

Internationaal: krachtige internationale protocollen betreffende klimaatverandering, vermindering van emissies in combinatie met het verminderen van verschillen tussen arm en rijk (contractie én convergentie), een moratorium op de productie van biodiesel, het ‘olie-uitputtingsprotocol’, herdefiniëren van economische groei, bescherming van biodiversiteit.

Nationaal: krachtige wetgeving betreffende klimaatverandering, verhandelbare energiequota (klimaatdukaten), een nationale strategie voor voedselzekerheid, delegatie van bevoegdheden naar lokale gemeenschappen.

Lokaal: Transitie-initiatieven, Minder Energie-Plannen, klimaatvriendelijke gemeenschappen, gemeenschapsondersteunde landbouw, landtrusts, kredietunies, energiebedrijven in lokaal eigendom, lokale gerichtheid.

We kunnen hier een kleine twintig jaar later op reflecteren: dat krachtige klimaatprotocol kwam er in 2015 maar blijkt intussen een wassen neus. Van het idee van contractie/convergentie is geen sprake: hulp aan kwetsbare landen met weinig uitstoot ontbreekt nog steeds. In piekolie gelooft bijna niemand, dus voelt het niet als urgent. En het klimaat telt voor de goegemeente momenteel als argument niet mee (zie artikel 1). Bij biodiversiteit zijn de stapjes gewoon te klein (wel een idee om delen van de oceanen natuurreservaat te maken, maar zonder handhaving, en tegelijk de diepzeebodem exploiteren en de koralen laten sterven).

We krijgen het zelfs op de schaal van ons kleine, rijke landje niet voor elkaar. Nationaal moet de milieubeweging daarom de overheid via de rechter eraan herinneren wat ze zelf voor doelen heeft gesteld. Klimaatdukaten ziet men nationaal niet als een optie. Voedselzekerheid wordt precies andersom uitgelegd. Ook op allerlei andere terreinen worden de verkeerde keuzes gemaakt. En het zijn juist de problémen die de rijksoverheid graag aan de gemeenten uitbesteedt.

Lokaal moeten vrijwel alle initiatieven van bewoners komen en die hebben slechts een beperkte slagkracht of focus, terwijl de meesten liever hun ogen sluiten. We zullen in aflevering 18 van artikel 6 zien dat er wat dit aspect betreft optimisten zijn, maar dat optimisme deel ik niet (zoals ik daar zal uitleggen). Toch kunnen we uit de ideeën van Transition Towns wel degelijk moed putten.

Daarom over naar het ‘hart’-gedeelte van het transitieplan.