Paradigmaschimmel of elementen van een toekomstanalyse 4
Remedie: Groepswerk en cultuur in tijden van crisis

JAN VAN ARKEL

Het werk van Rob Hopkins (auteur van Het Transitiehandboek uit 2008) krijgt in dit vierde artikel van de serie ‘Paradigmaschimmel’ mijn aandacht omdat hij vanuit een komende crisis denkt èn vanuit een stralende toekomst terugdenkt naar zo’n moeizaam heden.* Zijn uitgangspunt was een (aan het begin van deze eeuw) op korte termijn te verwachten piekoliemoment, aangevuld met de klimaatcrisis. Hopkins geeft er weliswaar een positieve draai aan, maar dat piekoliemoment is naar zijn aard negatief (en het moet nog steeds komen).* Een grote vermindering van het verbruik van fossiele brandstoffen is natuurlijk ook nodig voor het klimaat, maar het zwaartepunt van de ideeën van Het Transitieboek hing met deze oliebenadering toch wel een beetje uit het lood. Bedenk hierbij dat hernieuwbare energie in 2008 nog heel weinig voorstelde. Maar ook al lag het accent toen op het afkicken van de olieverslaving, de manier waarop dat vraagstuk door de (bijbehorende) transitiebeweging werd aangepakt, is wel heel bijzonder en de methode verdient het om nog eens opgerakeld te worden. Het is eigenlijk een heel andere omgang met het paradigmaprobleem dan we tot nu toe zagen. Dat oprakelen is wat ik hier vrij in het kort doe. Ik geef steeds aan uit welk hoofdstuk de aflevering komt, met een link naar de pdf van dat complete hoofdstuk. Zo kan eenieder het hele origineel ook lezen.

Belangrijk is nog om te weten dat Hopkins zijn boek heeft opgedeeld in drie delen, waarmee hij onderscheid maakt tussen ‘hoofd’, ‘hart’ en ‘handen’, een essentieel aspect van de permacultuurbenadering. Alle drie zijn samen nodig om aan een alternatieve toekomst te bouwen. Het internet was toen nog niet alomtegenwoordig, dus worden notulen uitgetypt en komen ideeën op flipovers. Maar het zal je niet veel moeite kosten om het gebodene in gedachten naar het heden te verplaatsen; ik doe dat zelf zo nu en dan ook al een beetje.

De tweede auteur die in dit artikel aandacht krijgt is David Fleming.* Hij overleed in 2010, maar zijn boek met de titel Surviving the Future – Culture, Carnival and Capital in the Aftermath of the Market Economy verscheen postuum pas in 2016. Ik geef in dit artikel een groot deel van het eerste gedeelte van dit boek weer.

In zijn voorwoord bij dit boek schrijft Rob Hopkins: ‘Een lezing van David was steeds weer een betoverende gebeurtenis. Hij sprak op grote snelheid omdat hij alleen op deze manier het tempo kon bijbenen waarop zijn hersenen ideeën voortbrachten. Vaak gingen er in de zaal handen omhoog om hem aan te sporen iets langzamer te praten, maar dat hield hij niet langer dan twee minuten vol. Daarna lag hij weer op volle snelheid. Een van zijn meest memorabele optredens was in 2009 op de Transitienetwerkconferentie in het Battersea Arts Centre. De titel was ‘Wilde economie: wolven, veerkracht en geest’ (Wild Economics: Wolves, Resilience and Spirit). Tot op de dag van vandaag kan ik je niet vertellen waar het over ging, behalve dat het fascinerend was, een razendsnelle en hilarische rondgang door de hersenen van David Fleming.’

Fleming was de bedenker van de ‘Lean Economy’, de Slanke Economie, waarvan in dit artikel duidelijk zal worden wat dat inhoudt. Het verschil met alle voorgaande auteurs is dat Fleming verval onontkoombaar acht en dat hij daarbij een onderscheid maakt tussen ‘afdaling’ en ‘ineenstorting’, waarbij ineenstorting ‘einde verhaal’ behelst. Fleming kiest er voor om verderop in de ‘afdaling’ te vertrekken, waarbij we op een soort middeleeuws welvaartsniveau zijn uitgekomen. Hij kijkt dan vooral hoe we met zo’n situatie (kunnen) omgaan en wat er werkt om een nieuwe samenleving vorm te geven. In dat opzicht denkt hij dus als het ware vanuit het nieuwe paradigma. Vandaar dat ik ook hem royaal de ruimte geef.

We kennen Fleming al van de ‘klimaatdukaten’. Dat was zijn oplossing om iedereen te betrekken bij de aanpak van het klimaatprobleem. Was zijn methode uitgevoerd dan zou een tsunami aan ideeën en praktijken zijn losgebarsten om deze crisis aan te pakken (en te voorkomen). En dat kan natuurlijk nog steeds, maar de kans erop is nu bijna nihil. Ik gaf het in 2009 uit als boekje. Hier is de pdf van het boek.

Ik ga over wat Hopkins en Fleming te vertellen hebben in dit artikel zelf nog geen oordelen vellen of zelfs commentaar geven. Dat komt later.

En dan nu in dit artikel: aspecten van een remedie voor een ziek paradigma.

Toen permacultuurleraar Rob Hopkins in 2003 van Colin Campbell voor het eerst hoorde over piekolie verwerkte hij die informatie met zijn studenten. (Campbells boodschap was: het piekoliemoment nadert snel.) Zij stelden samen een Energie-afdalingsplan (Energy Descent Plan) voor hun woonplaats Kinsale (Ierland) op, dat later in het beleid van de gemeente werd opgenomen.

Twee jaar later verhuisde Hopkins naar Totnes in Engeland en daar begon hij in 2006 ‘Transition Town Totnes’. Een transition town was een plaatselijke groep die zich praktisch voorbereidde op de verwachte olieschaarste en klimaatverandering. Rob ontwierp daarvoor een sturingsproces dat meer ‘van onderuit’ dan ‘van bovenaf’ verloopt en dat sloeg aan: Transition Towns werd in tal van landen een echte beweging. Richard Heinberg schreef in zijn voorwoord voor Het Transitie Handboek (met de ondertitel heeft ‘Van olie-afhankelijkheid naar lokale veerkracht’) – op het moment dat het met de beweging nog crescendo ging – ‘dat de beste verklaring voor dit fenomeen te vinden is in het feit dat Rob een kopieerbare strategie heeft gevonden om de talenten, visies en goodwill van gewone mensen aan te spreken.’

Het draait allemaal om plaatselijke veerkracht, zo legt Rob Hopkins uit. Daar kunnen mensen zelf voor zorgen. Het begrip verwijst naar het vermogen van een systeem om zijn samenhang te behouden en te blijven functioneren terwijl het wordt blootgesteld aan verandering en schokken van buitenaf. Een ‘systeem’ kan een paar individuen betreffen, maar ook hele economieën. In onze huidige omstandigheden gaat het er niet alleen om de veerkracht te behouden, maar veeleer om weer veerkracht op te bouwen. Hopkins stelt dat het verminderen van de CO₂-uitstoot zonder het heropbouwen van veerkracht uiteindelijk zinloos is.

Net als Monbiot gelooft Hopkins dat dat niet kan zonder nieuwe verhalen: Hoe zouden acties rond het milieu eruitzien als die er eerder op gericht waren een gevoel van vervoering op te wekken dan gevoelens van schuld, kwaadheid en afgrijzen die de meeste campagnes oproepen? Hoe zouden ze eruitzien als ze zouden proberen te inspireren, te enthousiasmeren? Daarvoor, dacht hij, hebben we nieuwe verhalen nodig die nieuwe mogelijkheden uittekenen, die ons opnieuw positioneren in onze relatie tot de wereld om ons heen, die ons verleiden om in de komende veranderingen vooral de mogelijkheden te zien die ze in zich dragen, en die ons uiteindelijk de kracht zullen geven om aan de andere kant weer te verrijzen in een nieuwe wereld waarin het voor ons beter toeven is.

Het gaat dan in de eerste plaats om het opnieuw opbouwen van lokale landbouw en voedselproductie, om de decentralisering van de energieproductie, om het hèrdenken van de gezondheidszorg, om de herontdekking van lokale bouwmaterialen in de context van nulenergiebouw, om het opnieuw bekijken hoe we met afval omgaan; allemaal initiatieven die veerkracht creëren en die de mogelijkheid in zich dragen van een buitengewone renaissance – economisch, cultureel en spiritueel.

‘Ik ben niet bang’, schrijft Hopkins in 2008, ‘voor een wereld die minder consumptiegericht is, waar minder “spullen” zijn en geen economische groei. Ik ben juist veel banger voor het tegenovergestelde.’

Samen met anderen werkte hij zijn ideeën uit in Het Transitiehandboek, een boek met een dubbel vertrekpunt: de huidige crisis en een lonkend alternatief. Het boek bestaat, als gezegd, uit drie delen: het hoofd (hoe zit het precies met de trends die ons bedreigen), het hart (waarom een positief visionair toekomstbeeld cruciaal is) en de handen (zonder inspanning geen nieuwe lokale veerkracht). Alle drie zijn essentieel, alle drie zijn onlosmakelijk met een nieuwe toekomst verbonden.

De weg van de dreigende crisis ombuigen naar een werkend alternatief is een enorme overgang, die ook voor de transitiebeweging te moeilijk is gebleken. Het beeld van een snel piekoliemoment was onjuist (wat niet wil zeggen dat het niet komt – het kan zomaar heel dichtbij zijn, want net als bij de VS in 1971 zie je het pas achteraf). Toch heeft de beweging veel losgemaakt, is zij in allerlei projecten voortgezet (zoals de repaircafé’s), en valt er nog veel lering en inspiratie uit te halen. Vandaar dat ik er hier nog een aantal dingen uitlicht. Daarbij geef ik dus ook steeds pdf’s van hoofdstukken zodat je het geheel nog kan nalezen.

In mijn selectie uit het boek sla ik het olie- en klimaatverhaal uit het ‘hoofd-gedeelte’ over. Daarin voorziet onze website 4eco al voldoende. Maar zijn veerkrachtdeel bij het aspect ‘hoofd’ geef ik wel weer.

Plastic en glas recyclen voegt als eenrichtingsverkeer vrijwel niets toe aan de veerkracht van de gemeenschap, net zo min als een aflaat betalen om bomen te planten om koolstof vast te leggen – behalve als het in een direct verband om voedselbossen gaat. Hopkins haalt David Fleming aan die stelt dat een gemeenschap met verhoogde veerkracht de volgende voordelen heeft:

  • als één deel vernietigd wordt, zal de schokgolf niet door het hele systeem trekken;
  • er bestaat in zo’n gemeenschap een brede variëteit aan eigenheid en oplossingen, die creatief ontwikkeld werden in antwoord op lokale omstandigheden;
  • ze kan in haar behoeften voorzien ondanks het grotendeels ontbreken van reizen en vervoer; doelmatige lokale initiatieven kosten bovendien veel minder.

(We gaan vanaf aflevering 14 verder met wat Fleming ons leren kan.) Dus: als dat zo voordelig is, hoe zit het dan nú en hoe kom je aan zulke lokale veerkracht? Hier om te beginnen wat aspecten in een tabel.

Figuur 1: Wat voegt veerkracht toe en wat niet?

Bij het vermogen van een systeem om zich na schokken te reorganiseren staan drie kenmerken centraal, schrijft Hopkins, namelijk diversiteit, modulariteit en korte terugkoppelingen. We lopen ze in de volgende aflevering één voor één langs.

Als ik hier nog even een uitstapje mag maken naar het artikel ‘De hongerkloof’ van George Monbiot. Die noemt in aflevering 3 zes elementen van systemische veerkracht (die in het wereldvoedselsysteem snel aan kracht inboeten).

  • Diversiteit
  • Asynchroniteit
  • Overtolligheid
  • Modulariteit
  • Brandschotten
  • Back-up systemen

In de eerste twee afleveringen van het artikel van Monbiot gaat het over complexe systemen. Lees de toepassing ervan op het wereldvoedselsysteem in aflevering 3 en 4, en in de rest van het artikel nog eens na.

Terug naar de drie kenmerken van Rob Hopkins.

Diversiteit

Diversiteit verwijst naar het aantal elementen waaruit een bepaald systeem is samengesteld, of het nu mensen zijn, soorten, ondernemingen, instituten of voedselbronnen. De veerkracht van een systeem is niet alleen een gevolg van het aantal soorten waaruit die diversiteit bestaat, maar ook van het aantal verbindingen ertussen. Diversiteit verwijst tevens naar de diversiteit van functies in onze woonplaatsen (eerder dan te vertrouwen op één zo’n functie – bijvoorbeeld toerisme of mijnbouw) en naar een diversiteit aan mogelijke antwoorden op uitdagingen, wat leidt tot meer flexibiliteit. Diversiteit in landgebruik – boerderijen, groentekwekerijen, aquacultuur, bostuinen, notenbomenaanplantingen, enzovoort – is een sleutelelement voor de veerkracht van een woonplaats en de monoculturen die ervoor in de plaats kwamen betekenen per definitie een afwezigheid van diversiteit.

Er is ook nog diversiteit tussen systemen. Precies dat geheel van oplossingen dat op de ene plaats werkt, zal niet noodzakelijk op andere plaatsen werken: elke gemeenschap zal in haar reactie op de komende crisis haar eigen oplossingen, antwoorden en instrumenten (moeten) verzamelen. Dit is om twee redenen van belang. Ten eerste omdat het een topdown-benadering bijna overbodig maakt, aangezien mensen aan de top de lokale omstandigheden niet kennen, noch weten hoe daarop te reageren. Ten tweede is het belangrijk omdat het opbouwen van veerkracht gaat over het werken aan kleine veranderingen in vele niches ter plaatse, met veel kleine ingrepen in plaats van een paar grote.

Modulariteit

De term modulariteit verwijst naar de manier waarop de componenten waaruit een systeem bestaat met elkaar verbonden zijn. In geglobaliseerde netwerken kunnen schokken zich snel door deze systemen voortplanten met mogelijk rampzalige gevolgen.* Het is de grote zwakte van de globalisering. Een meer modulaire structuur betekent dat de delen van een systeem zichzelf bij schokken effectiever kunnen reorganiseren. Zo vervoert men nu als gevolg van de globalisering van de voedingsindustrie bijvoorbeeld dieren en delen van dieren de hele wereld rond, wat leidt tot een toename van allerlei besmettelijke ziektes. Plaatselijk slachten van dieren van lokale rassen voor lokale markten zou een meer modulair systeem vormen met minder risico’s. Modulariteit is een sleutelbegrip voor Transitie-initiatieven die wegen zoeken om hun energieverbruik en kwetsbaarheid te verminderen. Dat kan met lokale voedselsystemen, lokale investeringsmodellen, enzovoort.*

Korte terugkoppelingen

Het kenmerk ‘korte terugkoppelingen’ verwijst naar hoe snel en hoe sterk de gevolgen van een verandering in één deel van het systeem zich laten voelen en (te laat) tot reactie leiden in andere delen. In een meer lokaal systeem zijn de resultaten van onze handelingen veel duidelijker. Wij willen geen overmatig gebruik van vervuilende elementen in onze directe omgeving, maar hebben een stuk minder moeite met dergelijk gebruik in andere delen van de wereld. Bodemerosie, lage lonen en pesticidengebruik elders leveren zwakke signalen. Het verkorten van terugkoppelingslussen zal heilzame effecten hebben, die het ons mogelijk maken om de gevolgen van onze handelingen dichter bij huis te brengen, in plaats van dat ze zich zo ver weg bevinden dat we ze zelfs niet eens opmerken.

In het laatste deel van de ‘hoofd’-gedeelte blijkt dat we moeten herlokaliseren.

We moeten dus het vermogen ontwikkelen om die dingen lokaal te produceren die we lokaal kunnen produceren. ‘Voor veel dingen, zoals computers en braadpannen, kan dat niet, maar er zijn ook veel zaken die we wel opnieuw lokaal zouden kunnen produceren,’ schrijft Hopkins. ‘Om er een paar te noemen: een brede waaier van seizoensgebonden fruit en groenten, verse vis, hout, champignons, verven, veel medicijnen, meubilair, keramiek, isolatiemateriaal, zeep, brood, glas, melkproducten, wol en leder, papier, bouwmaterialen, parfums en verse bloemen. We zijn niet op zoek naar het creëren van een ‘niets erin, niets eruit’-economie, maar eerder om economische kringlopen waar mogelijk te sluiten en om lokaal te produceren wat we kunnen.’

Bij mij roept dit, als ik het mag zeggen, grote vragen op over hoe in deze tijd een meer gelokaliseerde industriële sector er uit zou zien en over de praktische en financiële aspecten van de wederopbouw van een CO₂-neutrale gelokaliseerde industriële sector – een sector die intussen grotendeels ontmanteld en aan China is uitbesteed. Helaas laat Hopkins het uitdenken van zo’n plaatselijke industrie buiten de opzet van zijn boek vallen en het is precies op dit harde terrein van daadwerkelijk presteren dat de transitiebeweging volgens mij vastliep.

Er waren veel goede bedoelingen, maar het ontbrak veelal aan praktisch vernuft en daadkracht.* De stap naar het creëren van een nieuw geheel is feitelijk te groot. Vandaar dat zoveel mensen zich op één project zijn gaan richten: de voedselbossen schieten sinds die tijd als paddenstoelen uit de grond, energiecoöperaties zijn heel belangrijk geworden. Al die initiatieven missen echter nog de samenhang van een compleet, nieuw paradigma. Er is geen gedeeld verhaal. (Zie ook artikel 5.) We zien bij het verhaal over de ecologische beweging van Latour in artikel 3 hetzelfde probleem.

Wat betreft welke zaken op welke schaal thuishoren geeft Hopkins nog wel deze opsomming:

Internationaal: krachtige internationale protocollen betreffende klimaatverandering, vermindering van emissies in combinatie met het verminderen van verschillen tussen arm en rijk (contractie én convergentie), een moratorium op de productie van biodiesel, het ‘olie-uitputtingsprotocol’, herdefiniëren van economische groei, bescherming van biodiversiteit.

Nationaal: krachtige wetgeving betreffende klimaatverandering, verhandelbare energiequota (klimaatdukaten), een nationale strategie voor voedselzekerheid, delegatie van bevoegdheden naar lokale gemeenschappen.

Lokaal: Transitie-initiatieven, Minder Energie-Plannen, klimaatvriendelijke gemeenschappen, gemeenschapsondersteunde landbouw, landtrusts, kredietunies, energiebedrijven in lokaal eigendom, lokale gerichtheid.

We kunnen hier een kleine twintig jaar later op reflecteren: dat krachtige klimaatprotocol kwam er in 2015 maar blijkt intussen een wassen neus. Van het idee van contractie/convergentie is geen sprake: hulp aan kwetsbare landen met weinig uitstoot ontbreekt nog steeds. In piekolie gelooft bijna niemand, dus voelt het niet als urgent. En het klimaat telt voor de goegemeente momenteel als argument niet mee (zie artikel 1). Bij biodiversiteit zijn de stapjes gewoon te klein (wel een idee om delen van de oceanen natuurreservaat te maken, maar zonder handhaving, en tegelijk de diepzeebodem exploiteren en de koralen laten sterven).

We krijgen het zelfs op de schaal van ons kleine, rijke landje niet voor elkaar. Nationaal moet de milieubeweging daarom de overheid via de rechter eraan herinneren wat ze zelf voor doelen heeft gesteld. Klimaatdukaten ziet men nationaal niet als een optie. Voedselzekerheid wordt precies andersom uitgelegd. Ook op allerlei andere terreinen worden de verkeerde keuzes gemaakt. En het zijn juist de problémen die de rijksoverheid graag aan de gemeenten uitbesteedt.

Lokaal moeten vrijwel alle initiatieven van bewoners komen en die hebben slechts een beperkte slagkracht of focus, terwijl de meesten liever hun ogen sluiten. We zullen in aflevering 18 van artikel 6 zien dat er wat dit aspect betreft optimisten zijn, maar dat optimisme deel ik niet (zoals ik daar zal uitleggen). Toch kunnen we uit de ideeën van Transition Towns wel degelijk moed putten.

Daarom over naar het ‘hart’-gedeelte van het transitieplan.

Maar al te vaak proberen milieuactivisten mensen op de been te brengen door apocalyptische beelden van de toekomst te schetsen in een poging ze vanuit angst tot actie te bewegen.* Wat zou er gebeuren als we juist het tegenovergestelde zouden doen, en een toekomstbeeld zouden schetsen dat zo verleidelijk is dat mensen zich er instinctief toe aangetrokken voelen? Er schuilt kracht in een aansprekend, positief beeld van een overvloedige toekomst: een toekomst met minder energie, maar met meer tijd en een gezonder en gelukkiger leven. Het is daarom van wezenlijk belang om beelden en een heldere visie te kunnen verbinden met hoe een toekomst met minder energie eruit zou kunnen zien.

Het is meer dan één simpel verhaal. Je kunt het zien als het creëren van een ‘alternatief verhalenveld’, het creëren van nieuwe mythen en verhalen die beginnen te verwoorden hoe een gewenste duurzame wereld eruit zou kunnen zien. Het is een taak voor activisten, schrijvers en journalisten verzameld in ‘denktanks’ om zulke nieuwe verhalen voor onze tijd te scheppen. Hopkins noemt het visioning (visioenen oproepen). En het is aan dichters, artiesten en verhalenvertellers om ze verder te verspreiden. Dat vertellen en verbeelden gebeurt bij voorkeur door vanuit een gekozen jaar in de toekomst terug te kijken op de succesvolle aanpak uit het verleden die tot een mooi resultaat heeft geleid.

Het kan bijvoorbeeld vorm krijgen in Het Ecotopisch Geruchten Nieuwsblad, zegt Hopkins, ‘vol denkbeeldige nieuwsverhalen over gebeurtenissen of vernieuwingen die nog niet plaatsvonden, maar waarvan ik en anderen wensten dat ze wel gebeurd waren, en die geschreven zijn alsof ze werkelijk plaatsvonden.’ Op het einde van elk artikel staat dan de contactnaam van iemand waarnaar de lezers kunnen bellen om bij te dragen aan het realiseren van dat verhaal. (In deze tijd zouden we er een digitale versie van maken, maar het idee blijft dan hetzelfde.)

Hopkins vroeg ook allerlei mensen welke droombeelden zij van de toekomst hadden. Voor Tony Juniper, voormalig directeur van Friends of the Earth, zou het voornaamste waarneembare verschil met 2007 (!) zijn, dat het rustiger was en de mensen minder gehaast waren. ‘Er zou meer geluid van mensen en minder geluid van machines zijn, want gemeenschappen waren veranderd met mensen die elkaar weer op straat ontmoetten, in plaats van tegen elkaar te vloeken van achter de voorruiten van hun auto’s! De verbeterde levenskwaliteit zou duidelijk tastbaar zijn. Het rook frisser, en er was minder vervuiling, minder lawaai ook Er zouden meer fietsen zijn en meer vogelgezang omdat de vervuiling van de industriële landbouw verminderd was. Er werden meer biologische teeltmethoden gebruikt. Dus kwamen er op het platteland en in de steden weer meer dieren in het wild voor.’

Wat er ook zal gebeuren, schrijft Hopkins, het is duidelijk dat het bijna onvoorstelbaar is hoe de komende twintig jaar eruit zullen zien. Toen hij het aan Dennis Meadows vroeg, zei deze: ‘Als je de veranderingen van de voorbije honderd jaar bekijkt – alle veranderingen op sociaal, technisch, cultureel, politiek en milieuvlak – dan zijn deze nog altijd kleiner dan de veranderingen die je de volgende twintig jaar zult meemaken.’

Rob geeft zijn eigen toekomstbeeld (gezien vanuit 2030) in hoofdstuk 8. Je kunt het in zijn geheel lezen in de pdf van dat hoofdstuk. Wat opvalt is dat veel ideeën intussen gemeengoed geworden zijn in ons denken, maar dat ze in de praktijk soms verder weg lijken dan ooit.

Nu bekijken we nog een laatste punt van het ‘hart’-gedeelte van het transitiedrieluik: zelf aan een project beginnen.

Volgens welke fasen moet een toekomstproject verlopen, wil het succesvol zijn? Dat is een vraag van essentieel belang.

De transitiebeweging werkte het toekomstkijken ook actief uit in gezamenlijke projecten, zoals in een bordspel dat de vier stadia als uitgangspunt neemt die een succesvol project volgens John Croft doorloopt.* (Een voorbeeld hiervan staat uitgewerkt op pagina 134/135 in de pdf van hoofdstuk 7.) Deze vier stadia zijn:

  • dromen, of je een visionair toekomstbeeld voorstellen
  • planning
  • doen
  • vieren en evalueren.

Croft constateerde na het bestuderen van het verloop van tal van projecten dat 90 procent ervan er niet in slaagt om voorbij het eerste ‘dromen’-stadium te raken. Van de 10 procent die hier wel in slaagde, raakte 90 procent niet voorbij het tweede ‘planning’-stadium. Slechts 1 procent van de projecten komt dus effectief van de grond en doet wat de bedenkers van plan waren. In een poging dit lage slagingspercentage op te krikken ontwikkelde Croft de Drakendroom-benadering die dus in het genoemde bordspel wordt toegepast. Zijn boodschap is dat elk van deze vier stappen essentieel is voor het welslagen van je project. Laat eender welke stap weg en het project zal zonder twijfel falen. Laten we dit eens nader bekijken:

Dromen

Elk project is een ontmoeting tussen de bedenker (elk project, beweert Croft, ontstaat als de droom van één persoon) en de omgeving, en tussen theorie en praktijk. Als je het project ziet als een stroom energie, zal de hoofdstroom in het begin van de ‘dromer’ naar de omgeving gaan en naar de gemeenschap rond de dromer. Er zal maar heel weinig terugstromen. In termen van theorie en praktijk zal het project ook bijna volledig theorie zijn, aangezien de praktijk nog gecreëerd moet worden. Naarmate het project vordert, reageert de omgeving eromheen. Hierdoor weet je als bedenker of je een ‘succesformule’ hebt, een levensvatbaar project. Als je bijvoorbeeld een product aan het ontwikkelen bent en je hebt je doelpubliek bepaald, en zij zeggen dat ze in de rij zullen staan om je product te kopen, dan weet je dat je een winnend lot hebt; de omgeving reageert goed. Als je anderzijds een lauwe reactie krijgt, dan moet je terug naar de tekentafel. Misschien had je je doelpubliek verkeerd ingeschat; misschien is de prijs (in welke zin dan ook) te hoog. In elk geval moet er in deze fase een evenwicht zijn tussen de bedenker met zijn of haar idee en de omgeving waar het project gelanceerd wordt, vóór je overstapt naar de volgende fase. Op dezelfde manier neemt de theorie geleidelijk aan meer materiële vormen aan en groeit ze van alleen maar een schittering in de ogen van de uitvinder naar iets echts en tastbaars. In dit stadium wordt het soort vragen gesteld als:

  • wat zou er gebeuren als….?
  • hoe zou zo’n soort project eruitzien?
  • wat denk je, lijkt dit een goed idee?
  • kan je je onze stad voorstellen met een…?
  • denk je niet dat het geweldig zou zijn als mensen toegang zouden hebben tot…?

De Droomfase is de noodzakelijke eerste fase, maar om verder te komen is het belangrijk om over te gaan naar de volgende fase, de Planningsfase.

Nog drie stadia te gaan.

Verder met het tweede stadium van de Drakendroom benadering.

Planning

Dit is het stadium van een project waarin een idee wordt uitgewerkt, waar onderzoek en opzoekwerk gebeurt. Dit is waar het project ‘voeten in de aarde’ krijgt. Het soort vragen dat beantwoord moet worden in deze fase van het project is:

  • hoe realiseren we dit?
  • wie gaat het ontwerpen?
  • hoeveel mensen in het team?
  • welke vaardigheden missen we, of hebben we?
  • hoe financieren we dit?

Hier begint een idee het conceptuele stadium te verlaten en zich in de buitenwereld te begeven. Zijn er al soortgelijke ideeën daarbuiten? Wat kunnen we leren van andere succesvolle modellen? Wat hebben we nodig om ons idee praktisch vorm te geven in de wereld?

Doen

In dit derde stadium wordt het idee geïmplementeerd. Iets echts en tastbaars wordt gelanceerd. Wat gedroomd en gepland werd, wordt nu realiteit. Alle plannen kunnen nu (als de droom- en planfase met succes voltooid zijn) in de praktijk omgezet worden. Je hebt je voor iets geëngageerd en kunt nu zien hoe dat zich in de praktijk gedraagt.

De droom- en planningssessies van stadium 1 en 2 kunnen vragen opwerpen die je naar beste vermogen beantwoordt, maar de enige echte test is om het in werkelijkheid te doen. In stadium 3 heb je je contracten getekend, je werklui aangeworven, de telefoonlijnen geïnstalleerd en je kind is tot leven gekomen. De theorie is nu praktijk en na een tijdje, als je er vertrouwd mee bent, wordt het zozeer een tweede natuur dat je vergeet dat het nog niet zo lang geleden alleen maar theorie was. Dit is de tijd van geboorte.

Vieren en evalueren

Het laatste stadium is vieren en evalueren. Hiermee vier je het succes van het project en kijk je naar de mislukkingen en problemen, vóór je de cyclus opnieuw begint. Pas dan wordt de volgende fase van het project (als er één is) gedroomd, gepland, uitgevoerd en gevierd. Dit proces kan zich almaar herhalen naarmate iedere fase van een project werkelijkheid wordt. Het is een fractaal proces: elke fase bevat ook de andere drie delen van het proces. Het gaat hierbij om vragen als:

  • heeft het project je verwachtingen ingelost?
  • heeft het de doelstellingen gehaald, die jij vooropstelde of die je financiers jou oplegden?
  • kan het meer of opnieuw gedaan worden of zou dat moeten?
  • heeft het al zijn vooropgestelde doelgroepen bereikt?
  • welke fasen van het project verliepen goed?
  • welke fasen waren moeilijk?
  • werd iedereen behoorlijk vergoed?
  • was het prettig om aan dit project te werken?
  • was het hard werk met voldoende middelen, of hing het af van de toewijding en het niet vol te houden harde werk van één persoon?
  • groeiden de mensen die eraan werkten op persoonlijk vlak?
  • verwierven ze nieuwe vaardigheden, of haalden ze persoonlijke bevrediging uit al hun harde werk?

Wanneer je deze vragen hebt beantwoord en je eerlijke evaluatie is afgerond, kan de volgende ronde plaatsvinden. Die zal zeker beter en met meer creativiteit verlopen, aangezien je nu ervaring hebt opgedaan. Je kan wat meer riskeren en het iets groter aanpakken als je dat wilt. Het kan verder en verder gaan in een spiraalvormige cyclus van succes. En nu kan je vieren! Je hebt het gerealiseerd. Het is belangrijk, zowel op het niveau van de groep als op persoonlijk niveau, om te vieren en het nieuwe vertrouwen, de nieuwe vaardigheden en het nieuwe bewustzijn te integreren. Eén van de opdrachten zal zijn om een geschikte manier te vinden om te vieren! Als dat als een corvee klinkt, dan weet je welk deel van het project zwak is!

Na het ‘hoofd’- en ‘hart’-gedeelte tenslotte de ‘handen’ die we uit de mouwen moeten steken.

Transitie-initiatieven zijn gebaseerd op de veronderstelling dat onze gemeenschappen op dit moment de veerkracht missen om zich teweer te stellen tegen een diep ingrijpende crisis. We moeten gezamenlijk handelen, hoe sneller hoe beter. En dat lukt het beste bij mensen die op de schaal van de gemeenschap antwoorden zoeken. Door de collectieve intelligentie van de mensen om ons heen te ontketenen, kunnen we op een creatieve en pro-actieve manier vormen van samenleven opbouwen die meer verbonden en verrijkend zijn, en die een erkenning inhouden van de biologische grenzen van onze planeet.

Dat betekent volgens Hopkins dat we bij het herlokaliseren in bepaalde opzichten terug moeten naar de 19e eeuw. En dat is volgens hem geen slechte zaak. Het lijdt geen twijfel dat een van de goedkopere oplossingen, namelijk het versterken van lokale consumptie, productie en distributie, zeer effectief zal zijn. Zo leren we, als positief neveneffect, meteen onze gemeenschappen beter kennen. Dat zal in de praktijk op iedere plek steeds weer anders zijn. In plaats van voorgeschreven oplossingen aan te bieden, hebben Transitie-initiatieven eerder de bedoeling als katalysator te werken voor gemeenschappen om zelf dingen te onderzoeken en met hun eigen antwoorden te komen.

Daarin zit een groot verschil met de benadering van de conventionele milieubeweging, die Hopkins er bijna als een stereotype tegenover zet. Dat doe ik expres, zegt Hopkins, want dat verduidelijkt het bijzondere uitgangspunt van de Transitie-aanpak.

Figuur 2: Het verschil tussen de transitiebenadering en de gangbare milieubenadering.

De transitie-aanpak leunt sterk op de principes van de permacultuur. Die aanpak levert een ontwerp-sjabloon waarmee we in onze woonplaatsen en gemeenschappen alle onderdelen – sociaal, economisch, cultureel en technisch – op een succesvolle manier en zo efficiënt mogelijk kunnen samenvoegen. Het is tegelijk het ethisch fundament en de ontwerp-‘lijm’ om alle elementen van zo’n gemeenschap aaneen te hechten. We hebben de principes van permacultuur op 4eco al opgesomd in aflevering 14-16 van het tweede artikel ‘Planten en boeren’. De versie van Rob Hopkins kun je nalezen in de pdf van hoofdstuk 10. Je vindt hem op pagina 156/157.

In de bredere samenleving is permacultuur nog niet diep doorgedrongen, of er heerst een zekere aversie tegen. Hopkins vroeg zich af waarom dit zo was. Toen stuitte hij op een artikel van Eric Stewart die schreef: ‘Ik heb de indruk dat er in permacultuur sprake is van twee vrijwel tegengestelde drijfveren. De ene betekent terugtrekking uit de bredere samenleving en de andere betekent werken aan de transformatie van de samenleving. Terwijl je zou kunnen verdedigen dat terugtrekking uit de bredere samenleving ook een actie is die de samenleving verandert, geloof ik toch dat er sprake is van een wanverhouding in de zin dat permacultuur zich eerder manifesteert in het isolement dan in samenwerking in onze cultuur. We hebben behoefte aan een cultuuromslag die neerkomt op groeiende samenwerking, teneinde de beschikbaarheid van de rijkdommen die permacultuur te bieden heeft, te vergroten.’

Dit sloeg wat betreft Hopkins de spijker op de kop. Permacultuur is een beweging die een ontwerpsysteem en filosofische onderbouwing biedt voor een postpieksamenleving, maar die zich, volgens Stewart, tegelijkertijd schuldig maakt aan het bewaren van een zekere afstand tot diezelfde samenleving. Dat probeert Hopkins in de transitie-aanpak te voorkomen.

Zo komt hij tot nieuwe principes.

Zes kenmerkende principes vatten samen wat bijzonder is aan het Transitie-concept.

  1. Visionaire toekomstbeelden

Het scheppen van een helder en uitnodigend beeld van het gewenste einddoel is een centraal principe in het Transitie-proces. De Transitie-benadering gaat ervan uit dat we ons alleen in een bepaalde richting kunnen ontwikkelen als we ons kunnen voorstellen hoe het eruit zal zien als we er aankomen. Het plaatje dat we voor ogen hebben als we aan dit werk beginnen is in hoge mate bepalend voor waar we terecht gaan komen. Wat vinden we realistisch en wenselijk?

  1. Inclusiviteit

Inclusiviteit is een basisprincipe om de eenvoudige reden dat we zonder geen kans van slagen hebben. Daarvoor is de uitdaging te groot en te acuut. Het lukt niet zolang we ervoor kiezen binnen ons eigen veilige gebiedje te blijven, zolang groenen alleen met groenen praten, zakenlieden alleen met zakenlieden, enzovoort. De Transitie-benadering tracht een mate van dialoog en inclusiviteit te bevorderen die tot nu toe zelden is bereikt, en is bezig een aantal nieuwe manieren te ontwikkelen om dit voor elkaar te krijgen.*

  1. Bewustmaking

Wat er precies in het verschiet ligt raakt vaak ondergesneeuwd in de waan van de dag en verwarrende tegenstrijdige berichten. De reclame geeft de dubbelzinnige boodschap dat business as usual de enige manier is om vooruit te komen en als dat niet zo goed lukt het volgende hebbedingetje kopen ons gelukkig zal maken. Berichten over de klimaatcrisis staan naast reclames voor goedkope vluchten. Transitie-initiatieven kunnen er daarom maar het beste van uitgaan dat mensen zich onvoldoende realiseren hoe groot en acuut de problemen zijn. Het is het beste om, zonder uit te gaan van voorkennis, de zaak zo duidelijk, toegankelijk en onderhoudend mogelijk uiteen te zetten, waarbij we mensen de hoofdargumenten geven, zodat ze hun eigen antwoorden kunnen formuleren.

  1. Veerkracht

In aflevering 3 onderzochten we het begrip veerkracht al, maar het is goed nog eens te benadrukken dat, naast de noodzaak om snel tot een CO₂-neutrale samenleving te komen, het weer opbouwen van veerkracht een centrale rol in het Transitieconcept inneemt. Het ene doen zonder het andere zou betekenen dat we in beide uitdagingen falen.

  1. Inzichten uit de psychologie

Inzichten uit de psychologie zijn ook essentieel voor het Transitie-model. We weten dat een gevoel van machteloosheid, isolement en overrompeling, dat vaak door de milieuproblematiek worden opgewekt, mensen belemmert om zich in te zetten. Dan komen ze niet in actie, niet als individu, noch als gemeenschap. Het Transitie-model maakt gebruik van deze psychologische inzichten door op de eerste plaats een positieve visie te creëren (met visionaire toekomstbeelden), door op de tweede plaats een veilige ruimte te creëren waar mensen kunnen praten, overdenken en ervaren wat dit alles met ze doet, en door ten derde stappen die mensen zetten en acties die zij ondernemen te bekrachtigen en die als successen zo vaak mogelijk te vieren. Dit samenkomen geeft veel kracht – het gevoel niet de enige dwaas te zijn die zich bewust is geworden en het beangstigend vindt. Het geeft mensen de mogelijkheid zich onderdeel te voelen van een collectief antwoord en dat ze deel uitmaken van iets wat groter is dan zij zelf.*

  1. Geloofwaardige en geschikte oplossingen

De meeste boeken, films of verhalen over het milieu vertellen in, zeg, negen hoofdstukken hoe erg het allemaal is, om te eindigen met het ‘gelukkige hoofdstuk’ dat nog een paar symbolische oplossingen aandraagt. Maar met het lager zetten van de thermostaat en korter douchen leggen ze de verantwoordelijkheid bij het individu, terwijl het bovendien lapmiddelen zijn. Mensen zijn vaak in staat om slechts twee niveaus van reactie te onderscheiden: wat je individueel doet en wat de overheid op nationale schaal doet. Het Transitie-model onderzoekt het gebied daartussen: dat wat op het niveau van de gemeenschap bereikt kan worden. Het is belangrijk dat Transitie-initiatieven mensen in staat stellen oplossingen uit te werken die een geloofwaardige omvang hebben.

Om dat samen uit te kienen biedt de Transitiebeweging twee instrumenten aan: het Open-Space-instrument en het Wereldcafé.

Een Open-Space-evenement (OSE) is een krachtig instrument om grote groepen mensen met elkaar in gesprek te brengen om bepaalde kwesties of vragen te onderzoeken.* De agenda is open. Open-Space heeft vier regels en één wet (de Wet van de twee voeten).

De vier regels zijn:

  1. De mensen die komen zijn de juiste mensen.
  2. Wat er gebeurt is het enige dat er had kunnen gebeuren.
  3. Het moment van aanvang is altijd het juiste moment.
  4. Als ’t klaar is, is het klaar.

De Wet van de twee voeten zegt: ‘Als mensen gedurende de bijeenkomst merken dat zij in een situatie niets leren of bijdragen, moeten zij hun twee voeten gebruiken om naar een meer productieve plek te gaan.’ De agenda is immers open.

De sleutel tot een succesvol OSE is een centrale vraag, die meestal tevens de titel van het evenement is. Deze legt de basis voor wat er die dag besproken gaat worden. Zo stelde het stadje Totnes de vraag: ‘Hoe zal Totnes zich voeden na het ‘goedkope-olietijdperk’? En ook deze: ‘Hoe kunnen we hier een duurzame, rechtvaardige en gezonde economie opbouwen?’

Ga je hiermee aan de slag, dan kun je er voor kiezen om specifieke mensen uit te nodigen, of je kunt het open houden voor wie er op komt dagen. Je locatie moet groot genoeg zijn om alle aanwezigen in een grote cirkel te laten zitten. Je hebt muren nodig waar je dingen op kunt plakken en genoeg andere ruimte(s) waar je in subgroepjes verder kunt praten. Zodra iedereen er is begint het evenement. In het midden van de cirkel ligt een stapel A4-tjes en pennen; op de muur hangt een leeg uurrooster met op de ene as de tijden van de verschillende sessies en op de andere de verschillende werkruimtes. Elk vierkant op het rooster heeft de grootte van een A4.

Leg om te beginnen de OSE-regels uit: de enige voorwaarde voor het inbrengen van een vraag is dat je zelf de discussie daarover leidt, er notities van maakt voor degenen die er niet bij kunnen zijn, de naam van het onderwerp op een A4 schrijft en dat op het rooster hangt. Dan zeg je als initiatiefnemer: ‘Start!’ Dit is het meest zenuwslopende deel: de eerste keer kan het je behoorlijk naar de keel grijpen, want je weet niet of er überhaupt iemand naar voren zal komen. Maar is het eerste schaap eenmaal over de dam, dan is er vaak geen houden meer aan.

Wat volgt is een tien minuten durende wirwar van mensen die vragen voorstellen en ze opplakken. Het is goed mogelijk dat je met meer onderwerpen eindigt dan er sessies gepland zijn. In dat geval kan je soms meerdere onderwerpen onder één noemer brengen, zoals diverse aspecten van het opwekken van energie voor de gemeenschap, die dan tegelijk in één sessie behandeld kunnen worden. Wanneer de agenda gevuld is, geef je de mensen een paar minuten de tijd om te kijken waar ze bij willen zijn. Vervolgens geef je met een bel of iets dergelijks aan dat het tijd is voor de eerste sessie.

In theorie organiseert de dag zich hierna vanzelf. Elke werkruimte moet genoeg flipoverpapier en pennen hebben. Luid aan het einde van elke sessie de bel om aan te geven dat deze afgelopen is, verzamel vervolgens alle gemaakte notities en plak ze op een hiervoor bestemd deel van de muur dat je ‘Marktplaats’ hebt genoemd. Het kan ook handig zijn om iemand te hebben die de notities meteen intypt, waarmee je live op de sociale media verslag doet van de voortgang van het evenement.

Maak duidelijk wanneer elke sessie begint en herinner de mensen aan de Wet van de twee voeten. Vanaf dat moment loopt het OSE vanzelf. Laat aan het einde zo’n 30 à 40 minuten vrij voor een rondje, waarin de aanwezigen kunnen reflecteren op het evenement en het proces, maar niet over de besproken kwesties.*

Het is verbazingwekkend makkelijk om een Open-Space te runnen, terwijl het een ongelooflijk krachtige manier is om thema’s te verkennen. Die kracht zit hem in de manier waarop Open-Space mensen aantrekt die echt gepassioneerd zijn over een bepaald onderwerp. Voor je eerste OSE kan het nuttig zijn om je te laten ondersteunen door iemand met ervaring, maar wanneer je eenmaal een succesvolle Open-Space achter de rug hebt, zul je versteld staan hoe simpel het is!

Ten slotte nog een ander instrument: het Wereldcafé.

Een Wereldcafé wordt omschreven als ‘de bewustwording en inschakeling van de collectieve intelligentie door middel van gesprekken over belangrijke onderwerpen.’ Het is een heel effectief middel voor het verkennen van specifieke vragen en onderwerpen. Het is minder chaotisch dan Open Space. Het is gebaseerd op het idee dat de meest waardevolle gesprekken gevoerd worden op plaatsen waar mensen zich ontspannen voelen: aan een tafel, of dat nu in de keuken is of in een café, met een kopje (of een glaasje) in hun handen en misschien wat lekkere koekjes erbij. Er zijn zeven principes die samen duidelijk maken hoe het proces verloopt:*

  1. Creëer de context

De sleutel tot een succesvolle Wereldcafé-bijeenkomst is een goede voorbereiding. Dat houdt in dat je zorgvuldig nadenkt over het onderwerp waarover het zal gaan, hoe je de vragen formuleert waarover gediscussieerd zal worden, wie je vindt dat er moet zijn en hoe je die mensen uitnodigt, waar en wanneer het zal zijn en wat de gewenste uitkomsten van je bijeenkomst zijn.

  1. Zorg voor een gastvrije plaats

De plaats waar je het Wereldcafé gaat houden moet zo gastvrij en intiem mogelijk gemaakt worden. De plaats moet veilig voelen, zowel fysiek als voor het uitwisselen van ideeën. Het creëren van een goede sfeer begint al bij het versturen van de uitnodiging. Deze moet opvallend, vrolijk en sprankelend zijn. Hierin moeten ook de vragen staan waarover gesproken gaat worden. Gebruik bij het inrichten van de kamer ronde tafels waar ongeveer vijf mensen aan kunnen zitten. Dek de tafels af met grote papieren tafelkleden. Op elke tafel leg je ook een aantal pennen en zet je bloemen en een kaars. Een andere factor tot succes van de hele operatie is, zoals gezegd, de aanwezigheid van eten en drinken. Bied de mensen iets aan als ze binnen komen, maar ook tijdens de sessie moeten er op een zijtafel behalve de gebruikelijke thee en koffie ook sapjes, hartige hapjes en zoetigheden aanwezig zijn.

  1. Onderzoek de vragen die belangrijk zijn

De manier waarop je vraag wordt geformuleerd, kan je bijeenkomst maken of breken. Je kunt ervoor kiezen om een grote overkoepelende vraag te stellen die in meerdere ronden steeds verder wordt uitgediept, of je kunt meerdere losse vragen stellen die verschillende aspecten van het onderwerp behandelen. Je vraag moet relevant zijn voor de groep; ze moet duidelijk zijn en uitnodigen tot nadenken en diepere reflectie. Het zou een uitnodiging moeten zijn tot het verkennen van mogelijkheden en het moet voor de aanwezigen duidelijk te maken hebben met de motivatie waarom ze gekomen zijn.*

  1. Moedig iedereen aan om bij te dragen aan de discussie

Iedereen die een Wereldcafé bijwoont wordt onderdeel van een groter geheel, een levend netwerk. Het idee achter Wereldcafé is dat er zoveel mogelijk verbindingen tussen de deelnemers gemaakt moeten worden, omdat hoe meer verbindingen er gemaakt worden, hoe meer collectieve intelligentie er wordt vrijgemaakt. Dit doe je door elk kwartier een bel of iets dergelijks te luiden, als teken dat de deelnemers moeten doorschuiven naar een andere tafel. Zo ontmoet je in de tijd die de bijeenkomst duurt de meeste, zo niet alle deelnemers en kun je met hen van gedachten wisselen.

Hierna verder met de laatste drie principes.

Nu verder met de laatste drie principes.

5. Verbind de diverse invalshoeken

Het verbinden van de diverse invalshoeken vindt plaats door maximale interactie en kruisbestuiving, wat een hecht web van verbindingen tot stand brengt. Elke keer als de bel klinkt en de deelnemers doorschuiven, nemen zij de draden van hun eerdere discussies mee naar een volgende groep mensen. Aan het begin van de bijeenkomst wordt een tafelgastheer/vrouw gekozen, die gedurende alle ronden aan dezelfde tafel blijft. Het is de verantwoordelijkheid van deze persoon om alle uitkomsten van de gesprekken op het tafelkleed te schrijven, zodat alles wat ter tafel kwam in een accuraat (en leesbaar) verslag wordt vastgelegd. Elke keer als de groepen veranderen, vertelt de gastheer/vrouw eerst wat er in de voorafgaande gesprekken al besproken is en de nieuwe mensen vertellen elkaar kort wat er is besproken in eerdere gesprekken die zij hebben gevoerd. Dit zorgt voor een maximaal samenweven van de verschillende draden.

6. Luister naar elkaar en let op patronen

Centraal voor een succesvol Wereldcafé is de kunst van het goed luisteren, een kunst waar velen van ons niet zo heel bedreven in zijn, maar het kan geleerd worden. Luisteren is meer dan niets zeggen met je oren open. Volgens theworldcafe.com heeft goed luisteren bepaalde kenmerken:

  • luister naar de spreker vanuit de overtuiging dat de ander iets wijs en belangrijks te zeggen heeft;
  • luister met een bereidheid om je te laten beïnvloeden;
  • respecteer de mening van de spreker, ongeacht hoeveel deze verschilt van de jouwe. Die mening is even belangrijk als de jouwe en is een deel van het grotere geheel waarover geen van ons zelf het hele overzicht heeft;
  • ben je zelf aan het woord, probeer dan kort en bondig te zijn en geen beslag te leggen op de ruimte; probeer als luisteraar te voorkomen dat je tijdens het luisteren al een antwoord aan het bedenken bent, maar luister op een open manier; probeer ook tussen de regels door te luisteren en vast te stellen welke dieper liggende patronen er ontstaan en welke nieuwe vragen er opkomen.

7. Deel gezamenlijke ontdekkingen

Aan het einde van het proces kunnen de uitkomsten op verschillende wijzen gedeeld worden. Om te beginnen kunnen alle tafelkleden opgehangen worden, zodat iedereen ze kan zien. Daarna kun je een rondje houden, waarbij elke tafelgastheer of -vrouw kort samenvattend aan de groep vertelt wat de belangrijkste gespreksonderwerpen van zijn of haar tafel waren. Daarna kan er een meer algemeen rondje gehouden worden waarbij deelnemers de kans krijgen hun gedachten met de groep te delen over het proces, over hoe het voor hen was en over welke diepere vragen er bij hen opkwamen. In het verlengde hiervan kan een mooi verslag van de bijeenkomst worden uitgetypt, dat je vervolgens aan alle deelnemers mailt.

Voilà, dat is het: een goede sfeer, goed eten, levendige gesprekken, veel contacten en een grote stroom ideeën. Het Wereldcafé in een notendop!

Nog een persoonlijke noot:

Rob Hopkins geloofde dat de dreiging van piekolie mensen in beweging kon brengen, als je ze maar de middelen aanbood om constructief aan een andere, mooie toekomst te gaan werken. Aanvankelijk werkte dit wonderwel. Transition towns schoten als paddenstoelen uit de grond, niet alleen in het Verenigd Koninkrijk, ook in Nederland en België. Het maakte iets los bij mensen. Die gingen enthousiast aan de slag. Maar na een tijdje kregen ze niet méér mensen mee, schoten denk ik soms hun capaciteiten tekort, en verwaterde de boel.

In de jaren erna verhardde de politiek tot de toestand die we nu hebben en het heeft er voorlopig alle schijn van dat het van kwaad tot erger zal gaan, met weinig wederzijdse steun en het aanwijzen van zondebokken en al.

Laten we nu te rade gaan bij David Fleming.

Er zijn in de geschiedenis natuurlijk tal van rijken ten onder gegaan. De kaartjes van het Perzische en Romeinse Rijk in aflevering 12 en 13 van het artikel Catastrofologie in de rubriek Ontwrichting geven er twee voorbeelden van. Maar er zijn andersom ook beschavingen geweest die in de nasleep ervan met een ingekrompen bevolking gedecentraliseerde, weinig eisende, lokale, zogenaamde ‘slanke’ economieën hebben opgezet.* Die gemeenschappen ontwikkelden zich na verloop van tijd tot wat we nu ‘duurzaam’ noemen: met eco-doelmatigheid op het gebied van landbouw en economie, zuinig met grondstoffen (vroeger vooral water en hout) en in overeenstemming met regionale klimaatverandering. Een voorbeeld is de Chaco-cultuur in de Amerikaanse staat Nieuw-Mexico, die verviel in de Pueblo-economie, die het vervolgens duizend jaar uithield.

Wijzelf gaan waarschijnlijk een grotere crash tegemoet, schreef Fleming al een paar decennia geleden. Onze economie en samenleving berusten erop dat een heleboel dingen ‘werken’ of ‘in orde zijn’, en wel constant. Er is een stabiel klimaat vereist, er moeten goedkope en betrouwbare energiestromen zijn, vruchtbare bodems, royale hoeveelheden zoet water, productieve oceanen, een intacte, diverse ecologie, hoge niveaus van werkgelegenheid en een samenhangende cultuur. En die liggen nu allemaal onder vuur.

Fleming onderscheidt vier paden waarop die crisis beantwoord kan worden. Elk leidt in een andere richting, die elk, afhankelijk van wie ernaar kijkt, hun plussen en minnen hebben. Die vier reacties zijn groei, continuïteit, afdaling en ineenstorting. We lopen ze kort langs.

Groei. Markteconomieën zijn net fietsen, zegt Fleming, ze blijven alleen overeind als ze vooruit gaan. En bij een economie betekent dat groeien. Groeien houdt de werkloosheid beperkt en regeringen solvabel. (We zagen het bij het deel van Beckert in artikel 1.) Dit zijn ongelooflijk goede redenen om door te gaan: Hoe zou een regering met verantwoordelijkheidsbesef of het bedrijfsleven iets anders kunnen overwegen? De moeilijkheid is natuurlijk dat groei het fundament waarop het rust vernietigt. Dit is de dubbele binding van groei: we komen in de verdomhoek terecht als we het doen en net zo goed als we het nalaten.*

Continuïteit. Kunnen we de economie niet hervormen, om de fundamenten ervan tegen verdere aantasting te beschermen, of liever nog, ze te herstellen? Waarom kienen we bijvoorbeeld niet uit hoe we – tot dubbel genoegen – groei èn herstel kunnen combineren? De moeilijkheid hier is dat er in de verste verte geen teken is dat zoiets gaat lukken. (Dit wordt nog eens in detail uitgelegd door Michael Albert in aflevering 5, 6 en 7 van het artikel ‘De planetaire polycrisis’ in de rubriek Toekomst. Zie ook Groene groei in artikel 1 van deze serie.) We zouden anderzijds ook kunnen proberen de groei een halt toe te roepen. Maar dat brengt ook problemen met zich mee. Het zou namelijk niets afdoen aan de reeds opgehoopte schade, die al groter is dan de Aarde kan verdragen. En het gebrek aan groei zou de economie kapot maken.

Afdaling. Het gaat bij deze reactie om een radicale inkrimping van de omvang van de industriële economie. De lasten en complicaties gaan de deur uit, de menselijke ecologie wordt met zorg weer opgekalefaterd, er wordt lokale competentie opgebouwd en er ontstaat weer een gevoel van ‘erbij horen’. Er wordt met een frisse blik gekeken hoe we van de hiervoor genoemde dubbele binding kunnen loskomen. Het verval zelf is onontkoombaar, net als de breuk met het globale die volgt, en toch: dit is gestuurd verval, tegenover verval dat een economie over zichzelf afroept als deze onverdroten voor groei blijft gaan. De schok is zo zacht en overleefbaar als een vooruitziende blik hem kan maken.

Ineenstorting. Hier ontstijgen de gebeurtenissen onze greep. Dit is einde verhaal. We hoeven er dus verder geen woorden aan vuil te maken.

Wat in dit artikel volgt gaat over Afdaling met een hoofdletter. Het is het pad dat zowel werkelijkheidszin als hoop in zich draagt. Uit de vele mogelijkheden kiest Fleming dit type: Met het afdalen van de economie zal de werkloosheid stijgen, en er komt een punt waar de overheidsinkomsten zozeer gekrompen zijn dat er geen geld is om de werkloosheidsuitkering te betalen, noch om zulke basisvoorzieningen in stand te houden als onderwijs, gezondheidszorg, en orde- en gezagshandhaving. Huishoudens en gemeenschappen hebben de grootste moeite om in hun onderhoud te voorzien en soms lukt dat dus niet. Het is moeilijk voor ze om aan zulke fundamentele zaken als voedsel en water te komen. Gemeenschappen moeten daarom zichzelf gaan voorzien. En waarvoor ze niet kunnen zorgen, zullen ze ontberen. Zij moeten hun plek op Aarde en hun lokale bekwaamheden opnieuw ontdekken, een nieuwe cultuur opbouwen en doelgericht en gezamenlijk de kracht van slank denken inzetten.

De schok hiervan zal geen enkel leven onberoerd laten. Maar Afdaling kan beheerst gebeuren, met behoud van de leefbaarheid. Het is duidelijk wel de zwaarste, maar ook grootste kans voor onze soort.

Overgangen die de mensheid al heeft meegemaakt zijn die van het einde van de laatste ijstijd, het begin van de landbouw en het begin van de industrie. Nu staan we voor de overgang van de huidige maatschappij naar iets waar we het op tal van plaatsen op 4eco al over gehad hebben. In de woorden van Tainter is het: ‘een fundamenteel, plotseling, uitgesproken verlies van een gevestigd niveau van sociopolitieke complexiteit.’ Het falen op één punt kan dan zo snel meer falen triggeren, dat het allemaal in een oogwenk lijkt te gebeuren. Zelfs met klimaatveranderingen lijkt dat in het verleden het geval te zijn geweest. Je kunt het voor onze tijd vanwege de globalisering ook een polycrisis noemen. Zie daarover het artikel ‘De mondiale polycrisis: de causale mechanismen van crisisverstrengeling’ in de rubriek Ontwrichting.

Bij zo’n scherpe breuk in de continuïteit kan een samenleving ver terugvallen in haar technologische en organisatieniveau. Maar de komende overgang zou zo’n zeldzame historische gebeurtenis kunnen zijn, waarbij de samenleving overstapt naar een nieuwe productiewijze – naar een radicaal andere manier van het gebruik van haar grondstoffen, en van arbeid, kapitaal en land – door haar verwachtingen en waarden bij te stellen. Die verandering kan deels vrijwillig zijn, deel opgedrongen door de omstandigheden. Potentieel kan het een kans zijn, omdat zulke keerpunten het in zich hebben om diepe, radicale doorbraken te forceren, voordat de zaak opnieuw vastroest en veranderen weer moeilijk wordt. Het kan natuurlijk gebeuren dat de breuk zo heftig is, dat menselijk overleg over die nieuwe mogelijkheden geen kans krijgt. Maar als een weloverwogen oordeel een kans krijgt dan kan zo’n breuk het moment voor verandering blijken te zijn.

We kunnen in elk geval maar beter uitgaan van een mondiale crisis die de afdaling in gang zet. Hoe het ook precies zal gaan, we moeten ons toerusten met de kennis en kunde voor een gedecentraliseerde, low-impact menselijke ecologie: met kleine gemeenschappen, gesloten kringlopen en een sterke cultuur. Om dit handen en voeten te geven komt Fleming met drie principes: (1) manieren, (2) schaal en erbij horen, en (3) wat hij ‘strakheid’ noemt.

Manieren houden in dit verband in dat ideeën met respect, aandacht en goede wil worden aangehoord. Zij geven ons een leidraad voor hoe met de natuur om te gaan, en met elkaar en met ons eigen denken; zij laten ons nadenken over ons gedrag, zodat we, al doende, praktische en verbazingwekkende antwoorden vinden in een heftige en moeilijke toekomst.

Nu is het probleem dat we vandaag de dag moeite hebben om het verschil te zien tussen een redelijk argument en een valse voorstelling van zaken. Dat vond Fleming indertijd ook al en we kunnen hier nu aan toevoegen dat in de cultuur van Trump en consorten de zaken zelfs precies worden omgedraaid: antisemieten verwijten oprechte mensen antisemitisme en klimaatverandering is een verzinsel van de wetenschap; het is de stem van het Bodemloze, zoals Latour stelt in aflevering 7 van artikel 3. Zulke manieren van doen kunnen in een fase van afdaling gemakkelijk tot ineenstorting leiden.

Schaal kan groot en klein zijn. Als je eenmaal op grote schaal werkt, produceer je tegen lage kosten per stuk. Maar je hebt ook veel van alles nodig dat van ver moet komen, en er komt bij dat je ter plaatse veel afval produceert. Een individu of gemeenschap heeft er bovendien minder greep op. Je zit erbij en kijkt ernaar. Nooit werd er zoveel besloten door zo weinigen als in deze tijd.

We zijn het bijna verleerd om op kleine schaal te werken, terwijl die aanpak veel van de genoemde zaken juist omkeert: er is dan meer aandacht voor detail, meer flexibiliteit, en je hebt er wel zelf greep op. Jíj kan het verschil maken.

Dat is erbij horen. Gemeenschappen die klein genoeg zijn om individueel invloed op uit te oefenen, kunnen zo doelmatig zijn dat het onmogelijke doen er heel gewoon is. Het gaat erom burgerschap te herontdekken. Anarchistisch met betrekking tot onafhankelijkheid, ordelijk in de omgang met eigenaarschap, verantwoordelijk voor je eigen plek, verrassend qua inventiviteit – zo proberen allerlei gemeenschappen het nu opnieuw, hoewel sommige het altijd al zo deden. We moeten weer een thuis creëren.

Zo komen we bij het derde principe: losjes in plaats van strikt, slap in plaats van strak.*

Men is het er in onze samenleving algemeen over eens dat wedijver iets goeds is. Het is een uitkomst omdat het een economie aan de gang houdt. Het is opbouwend omdat het mensen in staat stelt om rijkdom en status te verwerven op basis van hun eigen kwaliteiten. En het is de enige basis waarop een markteconomie waar alles een prijs heeft kan functioneren. Maar het heeft ook een keerzijde.

Een competitieve markteconomie is, per definitie, ‘strak’ of ‘strikt’ (in het Engels ‘taut’). De prijs die Fred vraagt voor een goed blijft slechts overeind zolang Jan hetzelfde goed niet goedkoper aanbiedt. Anders moet Fred zijn prijs laten zakken, of hij gaat failliet. Prijzen voor goederen convergeren daardoor naar hetzelfde niveau. En dat niveau vereist van alle producenten in de markt dat ze efficiënt zijn – dat ze vol aan de bak zijn, de goedkoopste productiewijze gebruiken en zoveel mogelijk proberen te verkopen. Producenten snappen deze noodzaak maar al te goed – ze hebben feitelijk geen keus. Wat hen onderscheidt is hoe goed ze hierin zijn. Ze moeten innoveren, want de concurrentie is strak: iedereen doet het zo en wie niet meekomt, ligt eruit.

In de toekomst zal het zo niet toegaan. Producenten zullen niet altijd geneigd zijn om op de meest efficiënte manier tot hun goederen en diensten te komen. Zij kunnen goede redenen hebben om een duurdere techniek te gebruiken. Vanuit het standpunt van de veerkrachtige gemeenschap zou het bijvoorbeeld verstandig kunnen zijn om meer tijd in de productie te steken om zo energie, water of materiaal te besparen.* Of dat lokale ambachten bij het maken van goederen met een lange levensduur de vraag aankunnen met slechts drie dagen werk per week. Of dat producenten het wel mooi genoeg vinden om niet de maximale hoeveelheid te maken, zodat ze tijd overhouden voor hun gezin of de buurt.

Al zulke keuzes zouden de prijs van de goederen van die producenten opdrijven – en als iedereen het zo deed de prijs van de productie van de hele gemeenschap. In een strakke economie zijn zulke keuzes geen optie. De markt zou het afstraffen. Elke markt die het voor elkaar krijgt dat zulke verstandige, maar ondoelmatige keuzes beklijven, zou slap zijn – en concurrerende producenten zouden voortdurend op de loer liggen om er een gemakkelijke winst te behalen.

Hoe kan een gemeenschap dan toch het lot in eigen handen krijgen? Hoe kan zij aan die slapte vasthouden, oftewel hoe kan zij de vrijheid verkrijgen om verlichte besluiten te nemen en daaraan vast te houden? Nou, dan is er goed nieuws, zegt Fleming. De ‘normale’ toestand van vóór de grote burgermaatschappijen bestond uit politieke economieën – beter bekend als dorpen – waar de uitwisseling van goederen en diensten niet op basis van de prijs ging. In plaats daarvan was er een complexe cultuur van arrangementen – verplichtingen, loyaliteiten, samenwerkingsverbanden – die de aard en de prioriteiten van de gemeenschap uitdrukten, net als het netwerk van verhoudingen en wederkerigheden tussen de leden. Hier hoef je je neus niet voor op te halen. Want zo gaat het nog altijd in huishoudens, onder vrienden, tussen buren, in verenigingen, schoolraden en volkstuincomplexen. Dit is de niet-monetaire ‘informele economie’, de ruggengraat van de samenleving. Het spoort totaal niet met de nu gangbare waarden: het is niet transparant, het is non-conformistisch; de sociale bewegingsvrijheid is er beperkt; het zit vol rare afwijkingen. Maar het werkt wel.

Gemeenschappen houden een ogenschijnlijk instabiel huishouden (dat andere woord voor economie) aan de gang door: cultuur. Pure, naakte loyaliteiten en familiewaarden hebben daarin slechts een beperkte reikwijdte. Er moet ook iets zijn dat interessant is, verbindend, dat doorgaat – iets wat onderwerp van gesprek is, iets om aan deel te nemen, om over na te denken, iets om voor te gaan en om pret over te hebben; er moet iets te vertellen zijn, te coördineren en samen te doen. Zo’n cultuur heeft wel iets weg van de recht opstaande staken als je begint met manden vlechten; daar weef je de textuur van de mand zelf doorheen. Zonder staken geen mand; zonder cultuur geen gemeenschap. Het is de context, het verhaal, dat een gemeenschap kenmerkt en bestaan geeft. Het is zowel de ouder als het kind van ‘sociaal kapitaal’. En het sociaal kapitaal van een gemeenschap is haar sociale leven – de verbintenissen van samenwerking en vriendschap tussen haar leden. Het is de gedeelde cultuur en ceremonie, het diepe vertrouwen, de beleefdheid en het burgerschap, het spel, de humor en het gesprek die een levende gemeenschap vormen, de samenwerking die instituties bouwt. Het is het sociale ecosysteem waarin een cultuur gedijt.

Zo’ n cultuur kan de basis vormen voor een zogenaamde Slanke Economie.

Voor economen was het nooit nodig en zelfs belachelijk om aandacht te besteden aan zulke edele motieven als liefdadigheid. Bij hen worden de economische en sociale verhoudingen op een treurige manier verengt tot prijzen. Maar nu verandert dat. De economie van de toekomst zal juist draaien om liefdadigheid, zal nauw verweven zijn met sociaal kapitaal – met intense banden van wederkerigheid. De oude economische wetenschap kan met pensioen. Liefdadigheid wordt een reëel economisch begrip, want economie wordt direct vanaf het begin geïntegreerd in de gemeenschap, en die gemeenschap weer in de natuur met alle levende wezens die daar thuishoren. Ons eten en drinken is niet afkomstig van de prijsberekeningen van de slager, de brouwer of de bakker, maar komt voort uit de wederkerige verplichtingen die een gemeenschap bij elkaar houden, en van de liefdadigheid onder haar leden.

Oordelen worden slap of losjes geveld. Misschien niet direct bij de crisis die de afdaling inluidt. De vroege schokken die door neergang veroorzaakt worden, bieden misschien te weinig ruimte om te kiezen. Je gaat dan maar voor die acceptabele optie en hoopt er het beste van, tenminste voor dat moment. Maar in de volwassener nederzettingen die kunnen volgen, zal de tirannie dat besluiten genomen worden op basis van concurrerende prijzen, verleden tijd zijn. Dan is er gelegenheid voor muziek.

We komen dan uit bij inventieve, coöperatieve zelfredzaamheid, bij een Slanke Economie, waarin de gemeenschap herontdekt is. Fleming gaat bij de Slanke Economie uit van deze toestand: lokale gemeenschappen zijn voor ál hun behoeften afgesneden van een overheid. Zij hebben geen inkomen dat ze in staat stelt om van buiten de goederen en diensten te kopen die ze nodig hebben. Je kunt je natuurlijk afvragen hoe strikt dat in de toekomst zal zijn; is het ‘deep local’ waarbij ze zelfs gereedschappen en metalen moeten ontberen, of ‘local lite’, waarbij lokaal voorzien wordt in de meeste basisbehoeften – zoals voedsel – maar de uitrusting die daarvoor nodig is gekocht kan worden. Fleming opteert om na te denken over het ‘deep local’-uiterste, met misschien een paar minder extreme aspecten. Deze Slanke Economie is echter geen voorspelling; het is een scenario.

Fleming draait het conventionele protocol van de economie volledig om. Daartoe vat hij eerst het conventionele ideaal van de oude, perfecte concurrentie samen in zeven ‘ideale’ voorwaarden, waarna hij ze (in aflevering 18-24) allemaal omkeert.

Die zeven voorwaarden van de (ideale) huidige economie zijn:

  1. Er mag geen lokaal ingrijpen plaatsvinden (zoals overheidsregulering met standaarden) – er mag geen discriminatie zijn behalve op basis van de prijs tegenover een andere producent;
  2. Er moeten gestandaardiseerde producten zijn – zodat alle producten met elkaar concurreren op basis van de prijs en niet op een verschil in specificaties;
  3. Er moet een groot aantal verkopers en kopers zijn, allemaal van ruwweg dezelfde omvang – zodat geen ervan de prijzen kan beïnvloeden;
  4. Er moet vrije toegang en aftocht zijn – verkopers en kopers kunnen gaan en staan waar ze willen;
  5. Er is winstmaximalisatie – verkopers hebben geen andere agenda dan om er financieel beter uit te komen; kopers worden onweerstaanbaar aangetrokken tot de beste koop;
  6. De productiefactoren zijn totaal ongebonden – zodat arbeid, kapitaal en land verdeeld zijn op basis van hun prijs; ze zijn vrij van andere verstrengelingen en banden;
  7. De informatie is perfect – zodat kopers de kwaliteit van alle producten die er op de markt zijn perfect kunnen beoordelen.

Onder deze voorwaarden komen prijzen tot stand en worden grondstoffen het meest doelmatig benut, onbezoedeld door menselijk falen, economische grenzen, of andere principes of afspraken dan die van waar je het meeste voordeel behaalt en het beste concurreert. Nu geloven economen zelf geen moment dat dit ideaaltype in het echt kan bestaan. Ze geloven zelfs niet dat het in de praktijk wel zo wenselijk is. Dan zou je verschillen op basis van merkuitstraling moeten uitbannen, of was er geen plaats voor natuurlijke monopolies zoals de trein of het elektriciteitsnetwerk.* Toch wordt perfecte concurrentie voorgesteld als de ideale uitgangswaarde tegenover alles wat er mis is of ervan afwijkt, waarbij die perfecte concurrentie zelf geen rechtvaardiging behoeft. Dat die perfect is, dat is gewoon zo!

Nu over naar het tegenovergestelde, de voorwaarden van de Slanke Economie.

De Slanke Economie zal alle zeven punten schenden waaraan het conventionele ideaal moet voldoen. De hinderpalen voor perfecte concurrentie zullen er groter zijn dan ooit, en wel expres. Het wordt echt ‘slap’ bij Fleming. Zie hierover ook deze lange noot.* Laten we de verschillende punten maar eens aflopen.

  1. Lokaal ingrijpen om de lokale economie te verdedigen en vertrouwen op te bouwen

Verdediging. Als je de zorg draagt voor iets waaraan je waarde hecht, of waarvoor je verantwoordelijk bent, zal je het verdedigen. Dat voelen alle levende wezens diep van binnen. Er is alom waardering voor, behalve in de economie. Daar moet eenieder dansen naar de pijpen van de eeuwigdurende concurrentie.* In de ogen van de markteconomie is iedere samenleving die niet berust op een concurrerende markt een kneusje dat gered moet worden.

In een strakke, concurrerende groeimarkt is protectionisme natuurlijk geen goed idee. Dat werkt ondoelmatigheid in de hand, geeft minder reden om kwaliteit te leveren, om schaalvoordelen te benutten en om prijzen te verlagen. De ontwikkeling van technische vooruitgang en specialisatie wordt door protectionisme ontmoedigd; de stromen van handel en kapitaal vertragen dan, hetgeen tot nationale en mondiale werkloosheid leidt.

In sommige omstandigheden is vrijhandel echter niet in het belang is van de economie. Een onontwikkelde, nog niet concurrerende economie heeft tijd nodig om haar positie op te bouwen. Zie voor een uitgebreide bespreking daarvan de artikelen van Jane Jacobs op 4eco.*

Ons engagement met groei doet ons echter de lokale verscheidenheid en zelfvoorziening uitwissen.* Het leidt tot grondstoffenuitputting, vervuiling en het verlies van sociaal kapitaal en lokale weerbaarheid, en dit loopt uit op afdaling. Fleming geloofde twintig jaar geleden al dat het te laat was om in te zetten op bescherming hiertegen. De schade was al aangericht. Maar bescherming van inheemse voedselproductie en stappen om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen, zouden nog wel rationeel zijn. Zoals E.F. Schumacher indertijd schreef is het hierbij niet de bedoeling om ‘activiteiten overeind te houden die een wezenlijke levensvatbaarheid ontberen; het gaat erom een nieuwe levensvatbaarheid op poten te zetten’.

De Slanke Economie behoeft bescherming want zij is op twee manieren niet concurrerend. Ten eerste is full-time werken helemaal geen uitgangspunt meer. Veel werk gebeurt gezamenlijk als sociale deelname aan de informele economie. Daar voorzien de leden elkaar in hun behoeften en werken ze samen zonder dat er geld aan te pas komt. Ten tweede zijn de gebruikte technologieën arbeidsintensief, niet opgewassen tegen scherpe concurrentie. Natuurlijk wordt iets sneller gedaan als die technische keuze voor de hand ligt, maar de voordelen van de arbeidsintensieve aanpak zijn legio: minder energieverbruik, eenvoudige apparatuur, lokale schaal, beter voor het milieu, beter voedsel, een rijkere bodem en hoger vakmanschap.

Vergeleken met de industriële economie zal de Slanke Economie dus slap zijn, met een lagere productie per persoon. Duurzame slapte creëren zou volgens Fleming een enorme prestatie zijn, betekenisvoller dan de uitvinding van het niet-duurzame werk door de industriële revolutie. En dat brengt ons bij het kernprobleem: Slappe economieën delven het onderspit tegen strakke economieën.* Gaan ze er eenmaal onderdoor, dan worden ze zelf niet strak. Ze worden gebroken economieën. Ze hebben dus bescherming nodig.

Waarmee we aankomen bij het tweede aspect van punt 1: er moet vertrouwen worden opgebouwd.

Geld speelt in de Slanke Economie een veel minder grote rol.* In een cultuur van samenwerking en wederkerigheid is ruil die geld vergt niet de regel, maar een noodoplossing. Het belang hiervan kan niet genoeg benadrukt worden. De ruil in de markteconomie is onpersoonlijk: zolang het geen grotere, langdurige transacties zoals huren of banen betreft, hoeven de twee partijen van de betrokken transactie elkaar niet te vertrouwen, en zelfs dan zijn er nog manieren om de situatie op te lossen, mocht het mis gaan.

In tegenstelling hiermee zou de informele buurteconomie direct instorten als er geen vertrouwen heerste. Het is de ‘kerneconomie’ die bestaat uit alle dingen die we voor elkaar in gezinsverband doen – koken, kinderen groot brengen, spelen, onze maatschappelijke rol bespreken, karaktervorming en leren omgaan met emoties. En het bestaat uit al die dingen die we als burgers doen – in ouderraden zitten, in besturen van verenigingen, helpen bij sportclubs, stemmen. En uit alle dingen die we als vrienden doen – een lift geven, logeerruimte aanbieden, steun bieden bij verdriet. Al de dingen dus die allemaal samen ons sociale kapitaal vormen, ook al is dat vandaag de dag sterk aangetast. De Slanke Economie zal op de informele economie berusten, die op haar beurt op duurzaam vertrouwen zal berusten – op het vertrouwen dat een plicht, of die nu expliciet of impliciet is, zal worden nagekomen.

De kerntaak waaraan je in de Slanke Economie samen moet werken en het bijbehorende beleid, is het opbouwen van dat vertrouwen. En juist vertrouwen is niet maakbaar. Het is het langzaam groeiende resultaat van andere dingen die daaraan voorafgaand in orde moeten zijn – het is een beetje als korstmos dat op een muur groeit als je het maar lang genoeg met rust laat. Er is bestendigheid voor nodig, met mensen die voor langere tijd op dezelfde plaats bijeen zijn. Diep vertrouwen – dat spanningen aankan, om substantiële samenwerking te dragen en intens overleg mogelijk te maken – vergt het fundament van een gedeelde cultuur en identiteit.

De taak om die cultuur overeind te houden is zelf een vorm van duurzaam ingrijpen in de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Met andere woorden, de gemeenschap zal haar cultuur als de basis van vertrouwen verdedigen, wat op zijn beurt de sleutel zal zijn om er haar economie mee in bezit te krijgen.

2. Productdiversiteit: geen product is wat het lijkt

Naast waren levert een buurtwinkel een subtiel mengsel van diensten – kletspraatjes, hulp aan ouderen, een oogje op de straat, bereikbaarheid. Deze extra diensten worden betaald met hogere productprijzen. Het komt niet alleen doordat de winkelier niet groot kan inkopen dat de buurtwinkel inefficiënter en duurder overkomt, het komt ook door zijn of haar arbeidsintensieve aanwezigheid en alle ongrijpbare diensten die hij of zij levert: deze zijn een publiek goed of je er – als je bij hem koopt – nu van profiteert of niet.

Klanten weten dat zulke zaken er hier nu eenmaal bij horen, maar ze schatten ze pas op waarde als ze zijn weggevallen.* De lokale detailhandelaar kan zich alleen handhaven zolang hij of zij op deze plek een mini-monopolist is, dus zonder een supermarkt ernaast. In de ogen van neoklassieke economen zijn deze subtiele extra’s juist belemmeringen voor perfecte concurrentie. Zulke ‘verspreiding van goodwill en wederzijdse consideratie wordt door hen gevreesd als sluipende kwaadwilligheid en misbruik van monopoliemacht’, citeert Fleming de socioloog Ronald Dore. Maar in de Slanke Economie worden zulke extra’s van de producten en diensten juist naar waarde geschat. Dat wil zeggen: er is geen standaardisatie. De identiteit van het product vergt juist een soort vage grenzen waar perfecte concurrentie niet voor kan zorgen.

Economen noemen dit bijzaken (externalities) omdat ze buiten het systeem van beprijzing staan. Ze kunnen ongewenst zijn, zoals de CO₂-uitstoot, of gewenst, zoals wanneer de winkelier je sleutel bewaart voor je dochter. Veel milieu-economen proberen de bijzaken tot bijbehorende zaken te maken, door ze een prijs te geven, zodat betere prijzen, die de werkelijkheid nauwkeuriger weergeven, tot betere beslissingen leiden. Maar dan is het nog steeds de markt die beslist, met kopers die lage prijzen zoeken die hen passen.

De Slanke Economie doet het anders; die draait er niet omheen. Daar is men zich er ten volle van bewust dat er nu eenmaal meer vast zit aan producten en diensten, en dat dat precies naar de wens van de gemeenschap kan zijn, zodat bijvoorbeeld de lokale winkel zich kan handhaven.

In slanke lokale economieën weten de consumenten dat er meer komt kijken dan wat er op het etiket van hun koopwaar staat.

3. Een klein aantal verkopers en kopers met veel invloed op de lokale markt

De markteconomie is in zichzelf verdeeld door wel de wetten van concurrentie aan de productie op te leggen, maar niet aan de consumptie. Producenten staan onder druk om efficiënt te zijn (om zoveel mogelijk output uit een bepaalde input te halen). Consumenten staan onder een vergelijkbare druk om inefficiënt te zijn (om hun input, dat wil zeggen hun consumptie – dat wil zeggen hun welbevinden – bij een gegeven output zo groot mogelijk te maken om zo de altijd maar doorgroeiende productie op te slurpen, wat de economie vereist om in een stabiele toestand te blijven).

In de kern gaat de Slanke Economie de vorm aannemen van een radicale breuk met dit verschil in het doel van producenten en consumenten (wat ieder van ons ten slotte allebei is). De scheidslijn tussen aanbod en vraag verliest zijn doel en vervalt in de praktijk grotendeels. We hebben nu te maken met een menselijke ecologie die niet consumeert, maar kiest; die zich gedraagt, die lééft.

En toch zal er ook vakmanschap en specialisatie bestaan, en is er een markt nodig om verbinding te leggen. Maar de markten in de Slanke Economie zullen klein zijn, met een beperkt aantal verkopers en kopers. Een paar daarvan kunnen prijzen, of andere aspecten van het aanbod en de vraag beïnvloeden. Veel handelsbetrekkingen zullen in het bijzonder georganiseerd worden als wederzijdse arrangementen tussen (bijvoorbeeld) een producent en een groep huishoudens. De voorwaarden zullen iedere keer opnieuw overeen gekomen worden zonder veel acht te slaan op prijzen die elders gelden. Lokale mensen kunnen bijvoorbeeld voor korte werktijden kiezen, of voor zorgvuldig onderhouden gemeenschapszelfvoorzienendheid, en daarbij (in hun rol van consumenten) de kosten daarvan accepteren, omdat het een nu eenmaal bij het ander hoort. Dit contrasteert allemaal met het ‘prijsneming’-ideaal van de perfecte concurrentie, waar niemand enige invloed op de prijzen heeft.

In de grote onpersoonlijke markt is het enige economisch logische gedrag dat van een abstract najagen van rijkdom. In de korte-lijntjes-economie van de gemeenschap is het – precies andersom – de bedoeling om op praktische manieren de belangen van huishoudens en de gemeenschap als geheel te bevorderen.* Geld dat hier ‘verdiend’ wordt is er van secundair belang. Daar gaat het niet om. Alles wat je bijvoorbeeld voor je familie doet gebeurt sowieso zonder dat er geld aan te pas komt. Economie in deze zin draait niet om rekensommen hoe je zo goedkoop mogelijk uit bent; het gaat om oordelen.

4. Barrières om binnen te komen of eruit te stappen: om loyaliteit een handje te helpen

Verhoudingen tussen klanten en hun leveranciers zijn er in twee typen. Bij het eerste type is er sprake van ‘uitstappen’, van wegwezen bij het eerste teken van onraad. Zo hoort de markteconomie te werken. Bij het tweede type is er ‘de stem’ – om verandering te bepleiten, om betrokken te raken teneinde de zaak te beïnvloeden in plaats van er buiten te blijven, dus om loyaal te blijven. Zulke loyaliteit is een wezenlijk kenmerk van de Slanke Economie. En zij wordt een flinke hand geholpen door barrières op te werpen tegen eruit stappen, doordat er voorwaarden zijn die dat moeilijk maken.

Eén zo’n barrière om de markteconomie buiten de deur te houden is keer op keer effectief gebleken: geografisch afgelegen liggen.* Fleming geeft het voorbeeld van de kleine-eiland-economie van Inishbofin, voor de kust van Ierland.* Deze eilanders hielden het één, twee millennia vol met een lokale zelfvoorzienende economie voor vrijwel al hun behoeften, totdat de moderne markteconomie kwam. Hun simpele vissersboten konden niet op tegen de trawlers. Hun boeren, die tenminste iets van hun oogst op het vasteland van Ierland moesten verkopen om noodzakelijke goederen te bekomen, legden het af tegen de industriële landbouw. Toen de eilanders, als consumenten, doorkregen welke producten er allemaal op de markt waren en wat hun prijzen waren, hadden zij, als producenten, steeds minder te bieden. Ze hielden hun verzet een tijdlang vol – de afgelegen ligging van het eiland maakte het ze gemakkelijker om zoveel mogelijk voor zichzelf te blijven zorgen – maar de lage prijzen, de grote keuze en het gemak om te gaan shoppen toen een met geld van de EU gebouwde dam het eiland met Ierland verbond, maakten daar een eind aan.

Verder met barrières in de volgende aflevering.

De eilanders zouden zich overigens nooit die moderne consumptiegoederen en diensten hebben kunnen permitteren als er geen sprake was van import en er geen uitkeringen bestonden. Bij gebrek daaraan hadden ze hun eiland simpelweg moeten verlaten. Het leven was er altijd zwaar geweest, zwaarder dan wij ons kunnen voorstellen. En toch, werkloosheid en uitkeringen, dat is ook zwaar. En als die uitkeringen ontoereikend worden, of helemaal opdrogen, dan wordt het eilandleven nog veel zwaarder.

Besluiten die grote gevolgen hebben voor de lange termijn worden vaak genomen op basis van wat voor de korte-termijn zo gunstig lijkt, maar waarvoor, met de kennis van achteraf, nooit gekozen zou zijn. Alfred Kahn noemde dat ‘de tirannie van de kleine besluiten’, waarbij mensen besluiten nemen op basis van de gemakkelijke voor de hand liggende opties, zonder het verband te leggen met de gevolgen die zulke onschuldige keuzes ten slotte zullen hebben.* Enorme gevolgen voor de lange termijn, zoals het opheffen van handelsbarrières die de lokale economie eeuwenlang beschermd hebben, komen tevoorschijn als de onvoorziene implicaties van kleine besluiten, zoals hoe jij en je hond de middag graag doorbrengen, schrijft Fleming.

In een maatschappij die eraan gewend is om overal heen te reizen, en die houdt van ‘opgeruimd staat netjes’– bij wie het openen van grenzen en het ‘slechten van barrières’ een positief onthaal krijgt – heerst er aanvankelijk ongemak bij het idee om zaken juist af te grendelen. Dat geeft het gevoel opgesloten te worden, én van buitengesloten te zijn. Maar eigenlijk is het andersom. Waar je ook gaat in de markteconomie, je bevindt je steeds in een soortgelijke plaats – in de geglobaliseerde markt, met zijn banaliteit en volte, vind je aan het einde van elke laan precies zo’n drukke straat en woonwijk als aan het begin ervan. Je kunt een geglobaliseerde wereld niet uit, want er bestaat geen uit.

Geen toegang hebben betekent dus niet ‘opgesloten zijn’; het betekent de bescherming van eigenheid: als je daarvandaan eruit bent, ergens anders, dan ben je in een ander in. Dan heeft reizen een doel. Je komt ergens waar het niet in essentie identiek is aan de plek die je verliet, maar waar het interessant is en waar men jou interessant vindt, een plek die jouw lied wil horen, waar men uit een ander vaatje tapt. ‘Barrières om binnen te komen of uit te stappen’ (oftewel duurzaam protectionisme) beperken de vrijheid alleen in die zin dat ze voorkomen dat mensen in de val lopen van kleine besluiten die anders zouden vernietigen waar ze waarde aan hechten.*

De Slanke Economie krijgt ‘barrières om binnen te komen of uit te stappen’ min of meer opgedrongen, omdat plaatsen het vooral in de eerste jaren moeilijk zullen hebben om in het bestaan van hun bevolking te voorzien en het snel zouden afleggen als de aantallen te groot worden. Ben je lid van een al functionerende economie, dan zul je er waarschijnlijk behoefte aan hebben om er te blijven.

Fleming citeert de econoom Albert Hirschman: ‘Loyaliteit kun je vergelijken met tariefbarrières’. Zo zit het. Loyaliteit houdt in dat je zo verstandig bent om ergens aan vast te houden ook al heeft dat voor de korte termijn nadelen; dat je de prijssignalen niet te zwaar laat wegen – het is een bewuste omkering van perfecte concurrentie. Daar heb je een economie voor nodig waar de prijs niet alles voor het zeggen heeft; ‘bescherming’ krijgt dan weer de juiste aard van rentmeesterschap.

Lokale slanke economieën kunnen niet zonder bescherming. Kunnen zij zichzelf verdedigen?

5: Meerdere doeleinden: voorbij het maximale winstdoel

Het idee dat het management van een bedrijf slechts voor een zo hoog mogelijke winst moet zorgen, komen we overal tegen. Tegelijk is het achterhaald, zoals wel blijkt uit de erkenning dat naast ‘profit’ ook ‘people’ (de sociale consequenties van het handelen van het management) en ‘planet’ (de ecologische gevolgen) meetellen: de zogenaamde triple bottom-line. Het denkbeeld dat de producent in de Slanke Economie in het belang van het lokale moet werken ligt dus eerder in het verlengde van vaak al heersende managementprincipes dan dat het een contradictie is. Veel bedrijven voorzien al in plaatselijke behoeften, helemaal verknoopt met de complexe lokale doelen. De boerenbedrijven waarin burgers als klanten deelnemen zijn daar een voorbeeld van.

In de Slanke Economie zal het onderscheid tussen producent en consument zwak zijn. Terwijl de huishoudens en buurten aan hun competenties bouwen, versmelten de twee functies steeds meer. Winst heeft in die context dan weinig betekenis.

6: Barrières: tegen de mobiliteit van de productiefactoren

De drie productiefactoren in de economie zijn: arbeid, kapitaal en land. Ze zullen alle drie schaars zijn.

Eerst de arbeid. Er zullen genoeg mensen aanwezig zijn, maar arbeid die het vakmanschap en het vertrouwen meebrengt waar de lokale Slanke Economie behoefte aan heeft, zal een prijs hebben. Er zal moeite voor worden gedaan om die arbeidskracht voor de gemeenschap vast te leggen. Tegelijkertijd kunnen gemeenschappen het zich niet permitteren om nieuwkomers op te nemen boven het aantal dat ze kunnen onderhouden. Dat is regel 1 bij het beheer van de meente (‘Grenzen voor gebruikers. Stel duidelijke grenzen vast tussen legitieme gebruikers en niet-gebruikers’). Dat wil niet zeggen dat er een kleinzielig gebrek aan gastvrijheid heerst en er geen hartelijke uitwisseling bestaat: relaties verbinden juist de gemeenschappen, ze brengen de kunde en wederzijdse steun die hard nodig zijn voor de evolutie van de Slanke Economie. Desalniettemin ziet de gemeenschap in dat een werkzame en doelmatige meente grenzen moet stellen. De toegang en de schaal moet beperkt blijven tot wat onderhouden kan worden, met deelnemers die de plichten aanvaarden die dit met zich meebrengt.

Dan het kapitaal. De omvang, groei en technische krachten van de markteconomie hebben ons er een tijdlang van afgeleid om na te denken over de grenzen van de verschillende soorten kapitaal waarvan wij afhankelijk zijn. Dan hoef je ook niet na te denken over wat het kost om ze te beschermen. Wie weet, kunnen we allemaal profiteurs zijn die nemen zonder iets te produceren of te beschermen. Dat vinden sommigen een attractieve inclusieve filosofie en het zou immoreel zijn om er bezwaar tegen te maken, tenminste, totdat we op natuurkundige grenzen stuiten.

Dat kapitaal als productiefactor vereist daarom nog een betere bespreking; dat gebeurt in de volgende aflevering.

Er is hier een essentieel verschil met de huidige houding om ‘asielzoekers’ geen toegang te verlenen. Niet alleen omdat die politiek wordt verdedigd met het argument dat het ‘geld en woningen kost’, er spreekt ook een principiële teloorgang van vertrouwen uit.

Er zijn in de Slanke Economie zes vormen van kapitaal (waarbij het onderscheid soms niet zo scherp is):

Het natuurlijk kapitaal: De levende ecologie waarin de natuur voorziet, met daarbij de bodemvruchtbaarheid, water, vis, grondstoffen… Het complete ecosysteem en het klimaat; de fundamentele voorwaarden voor een levende Aarde.

Het menselijk kapitaal: De mensen en hun bekwaamheden, kwaliteiten en kennis: gezondheid, intelligentie, opleiding, karakter, vakmanschap, schoonheid… Menselijk kapitaal heeft een belangrijke potentie om te groeien, zowel door reproductie als door hard werken. En dat werk kan zichzelf vermenigvuldigen door gereedschappen en technologieën te maken die, als er genoeg natuurlijk kapitaal voorhanden is, op hun beurt nog meer gereedschappen en technologieën kunnen voortbrengen; oftewel een versterkende (positieve) terugkoppeling (zie aflevering 26).

Het sociale kapitaal: Waarvoor de typische schoolboekdefinitie luidt: ‘het geheel van instituties en gewoonten die de economische activiteit organiseren.’ Maar die schoolboekauteurs zien de markteconomie als een keurig proces waar de samenleving op berust. In onze optiek gaat het juist om de gemeenschap zelf. Het sociale kapitaal is het sociale leven, de levende essentie van een gemeenschap; de relaties, de humor en het onderlinge vertrouwen; de gedeelde cultuur en ceremonie; het speelse en het gesprek. En het is de orgeldraaier – terwijl de markeconomie het aapje is.

Het wetenschappelijke/culturele kapitaal: De informatie en de cultuur die klaarligt om opgepakt en/of toegepast te worden. Dit vormt alleen kapitaal voor een samenleving die het snapt en/of gebruikt.

Het stoffelijke/materiële kapitaal: Gebouwen, wegen, uitrusting, computers en hun netwerken, enzovoort. Maar ook hier geldt dat iets pas kapitaal wordt als er omstandigheden zijn die het nuttig maken. Zo is een generator geen kapitaal meer als er geen diesel voorhanden is.

Het financiële kapitaal: Er is iets voor te zeggen om het hier maar weg te laten omdat de waarde en de uitdrukking van het financiële kapitaal berust op het bestaan van de andere vijf vormen van kapitaal. Het staat er toch bij omdat het tot op zekere hoogte een onafhankelijk bestaan leidt: een financiële crisis kan in theorie oorzaken hebben die los staan van de andere vijf. De verbanden zouden echter tevoorschijn komen wanneer de crisis zozeer doorwoekerde dat het de andere vormen van kapitaal sterk zou reduceren of aantasten. Het heeft dus toch nut om het in de lijst op te nemen, ondanks dat het dubbel telt.

Van deze zes vormen van kapitaal is er één, het wetenschappelijke/culturele kapitaal, dat de eigenschap heeft om van de ene naar de andere plaats te kunnen reizen zonder de plaats van vertrek te verlaten, net als liefde dat kan – je geeft het en je hebt het nog steeds; (of, voegt Fleming hieraan toe, komma’s – daarvan is de voorraad oneindig). En het is voor het netwerk van lokale slanke economieën van belang dat ze van deze eigenschap gebruik maken door soepel ideeën, informatie en cultuur met elkaar te delen. Verder zijn de vormen van kapitaal aftrekbaar (dat wil zeggen, geef je ervan weg, dan heb je zelf minder) en zullen ze honkvast blijven.

Nu nog het restje van de barrières, ontheemd kapitaal en arbeid.

Het idee dat kapitaal mobiel moet zijn is niet van de laatste tijd, maar het werd pas gemeengoed onder invloed van de econoom David Ricardo (1772-1823), die een voorvechter was van het ‘comparatieve voordeel’ – oftewel dat de productie van ieder goed of dienst daar zou moeten plaatsvinden waar het het efficiëntst en goedkoopst uitgevoerd kan worden.* Volgens dit principe maakt de efficiëntste natie dingen voor eigen gebruik alleen als er niets anders is (voor de thuismarkt of de export) dat nog efficiënter gemaakt kan worden.

Zulke ontheemde economieën vind je overal in de geglobaliseerde wereld. Economieën die op hun plek zijn vormen juist een kernprincipe van de Slanke Economie. Kapitaal in zijn verschillende hoedanigheden, bijkomend van de reis om de wereld die Ricardo aanbeval, zal thuiskomen en veerkrachtige gemeenschappen tot steun zijn.

Na de arbeid en het kapitaal nu nog het land. In de economische wetenschap staat ‘land’ voor het hele stelsel van wonderen en diensten die samen de planeet behelzen. John Stuart Mill vatte het zo samen: Arbeid kan niet meer dan dingen verplaatsen, de eigenschappen van de materie, de wetten van de natuur doen de rest.* Deze enorme, maar kwetsbare gave is echter voor lief genomen, onder de titel ‘land’, en gereduceerd tot een restpost die (in modellen en vergelijkingen) wel voor zichzelf kan zorgen. En omdat ‘land’ in iemands bezit kan komen en ergens in een business plan opgenomen kan worden, wordt land in de economie toch mobiel. Maar in de Slanke Economie blijft land liggen waar het ligt.

7. Onvolkomen kennis: maak een deugd van gebrek aan kennis

Om perfecte concurrentie te bereiken moet er perfecte informatie over alle producten zijn en hoe ze verkocht worden. De Slanke Economie zal juist grotendeels onkundig zijn van de goederen die andere consumenten op andere plekken kunnen kopen. Precies weten hoe het zit met de verkrijgbaarheid van aardbeien in de winter wordt er vervangen door een volkomen inzicht in het goederenaanbod, het beschikbare voedsel en het aanwezige vakmanschap ter plaatse. En wanneer er grote onzekerheid heerst zal kennis veel minder meetellen dan doorzicht. Kennis is zekere zin het eindproduct, ingepakt en klaar voor gebruik, en slanke economieën zouden vastlopen als ze er niet enig benul van zouden hebben. Maar economieën zullen, net als levens, ervan afhangen of je, als je niet kunt terugvallen op je huidige kennis, kunt uitpuzzelen ‘wat er achter gindse heuvel ligt’. De eerste stappen naar zelfredzaamheid betreffen uitproberen en uitvogelen in tijden van een zekere onwetendheid, wanneer het idee dat je ‘precies kunt vaststellen wat de kwaliteit is van alle producten die op de markt zijn’ een overblijfsel is van een lang vervlogen tijd.

En er is ook wel iets voor te zeggen om er onkundig van te zijn hoe groot, hoe bijna onmogelijk groot het project zal zijn. Want als je dat wist zou je er waarschijnlijk niet aan beginnen.

We hebben hiermee de omkering van de zeven economische kenmerken gehad. Nu nog iets over de soort markteconomie die volgt op de huidige, en dan is er aandacht voor cultuur.

Stel je dat je thuis bent in een kleine stad of een dorp in de jaren na de ommezwaai. De internationale handel is grotendeels weggevallen en financiële instellingen zijn daarin meegezogen. De werkloosheid is enorm. De overheid heeft geen geld voor de benodigde uitkeringen en kan vrijwel niets uitrichten. Haar belastinginkomsten zijn onderuit gegaan. Dit is een samenleving die – naar de normen van de welvaartsmaatschappij – zonder geld is komen te zitten. De lokale economie berust niet op de koopkracht, maar op wat ze er kunnen maken.

Als ze in hun reactie het protocol van de zeven hierboven behandelde alternatieve punten volgen, zullen lokale economieën zich baseren op principes die eigenlijk het omgekeerde zijn van die van de markt.

Nu eens wat reductionisme in de positieve zin: vergeet even al de andere problemen die in zo’n toestand de kop opsteken, en richt je op de manier waarop de lokale economie op gang kan komen als een systeem dat leven en gemeenschap kan onderhouden. Dat valt in twee structurele vormen uiteen: De eerste is wederkerige ruil, die bestaat uit verplichtingen, taken, loyaliteiten en de uitwisseling van diensten zonder dat er geld aan te pas komt. De tweede is de culturele omgeving die de gemeenschap een identiteit geeft, op basis waarvan de wederkerigheden en samenwerking zich kunnen vormen. Hierover meer vanaf aflevering 27. Nu willen we weten welke economie hieraan ten grondslag ligt. Dat wil zeggen: hoe worden de hulpbronnen van de gemeenschap (arbeid, land en kapitaal) benut?

Het wegvallen van de markteconomie heeft gevolgen voor de werkgelegenheid en wel twee kanten op.

Er zijn factoren die ervoor zorgen dat de de behoefte aan arbeid daalt, zoals:

  • De afgenomen bevoorrading van energie en materialen. Arbeid is aanvullend op materialen en hulpbronnen. Als daar minder van voorhanden is, is er minder arbeid nodig. Het gevolg zou kunnen zijn dat de industrie en dienstverlening waarop de economie berust, instort.
  • De kleinschaligheid van de lokale Slanke Economie en haar minimale infrastructuur (dat wil zeggen haar elegantie). De drastisch gekrompen schaal is de sleutel tot een leven van na de olie, maar het gaat ermee gepaard dat het meeste werk dat nu nog nodig is om de infrastructuur van de markteconomie overeind te houden, niet meer nodig is.

Er zijn anderzijds factoren die de behoefte aan arbeid zullen doen stijgen, zoals:

  • De afgenomen bevoorrading van energie en materialen. Arbeid gaat materialen en hulpbronnen ook vervangen. Als daar minder van is, is er meer te doen. Arbeid zal – handmatig – moeten doen wat eerst met machines op brandstof gedaan werd.* Het is moeilijk iets over de schaal hiervan te zeggen. Elektrische apparatuur kan wellicht op zonne- en windenergie blijven draaien, maar is er vervanging en reparatie mogelijk als ze stuk gaan? Ander werk, zoals op de boerderij, zal – zonder tractoren, kunstmest en bestrijdingsmiddelen – waarschijnlijk veel arbeidsintensiever worden dan nu.
  • De taak van de energievoorziening en -besparing zelf. Dit zal vooral de apparatuur en installaties betreffen die nodig zijn voor een nul-uitstoot-economie, wat een heleboel arbeid zal vergen, hoewel die zal afnemen zodra het vooral een kwestie van onderhoud gaat worden.

Hoe het onder de streep zal uitkomen zal vast per plaats verschillen, afhankelijk van de fase en de omstandigheden. De hele kwestie van de ‘werkloosheid verminderen’ wordt nogal raar zolang er vrije doortocht is voor arbeid naar economieën die tien of zelfs honderd keer zo groot zijn. Het idee van de Slanke Economie is in elk geval dat de factoren die de behoefte aan arbeid domineren, grotendeels zullen afnemen.

Het kan hierbij helpen om een begrip uit de hedendaagse economie te bekijken, namelijk de intensiveringsparadox.

De intensiveringsparadox behelst de waarneming dat een zich ontwikkelende economie, waarin de productiviteit zich verbetert, toch steeds meer arbeid (en land en kapitaal) nodig heeft om ieder individu van voedsel en onderdak te voorzien. Op het eerste gezicht lijkt dat raar; de productiviteit neemt immers toe – misschien door verbeterde technologie. Als de productie per persoon flink toeneemt, dan moet zich dat toch zeker vertalen in een verhoogde efficiëntie? Toch is dat niet zo. De verklaring is dat de grotere output grotendeels nodig is voor het scheppen en onderhouden van wat je ‘tussengoederen’ zou kunnen noemen: aquaducten, vervoer, vuilnisbelten, administratie, enzovoort. Dus allerlei nieuwe zaken die het individu nooit zelf gaat consumeren, maar wat nodig is voor de infrastructuur om de ontwikkelende economie te laten (voort)bestaan.

Hier is er een voorbeeld van: de complicaties die voortkomen uit de onschuldige wens naar meer potten:

  1. meer potten
  2. meer transport
  3. transportinfrastructuur
  4. meer belasting voor wegenaanleg
  5. meer bureaucratie die nodig is om de belasting te innen
  6. meer banen beschikbaar in steden
  7. grotere steden
  8. ontmanteling van sociale structuren op het platteland
  9. verslapping van de seksuele normen
  10. grotere bevolking
  11. grotere behoefte aan voedsel en grondstoffen
  12. militaire macht en verovering
  13. toevloeien van rijkdom naar een groeiende maatschappij
  14. meer potten…

We ontdekken hier het cruciale onderscheid tussen de vooruitgang van arbeidsbesparende productiviteit en de vooruitgang van intensiverende productiviteit. Die vroege vooruitgang in de productiviteit – die trouwens vooral voortkwam uit een geweldige toename van de arbeidsuren – werd in de intensivering gestopt, en de bijbehorende vermenigvuldiging van alle onderdelen van de infrastructuur. En dat proces is, met wisselende verschillen in de intensiteit ervan, sinds mensenheugenis doorgegaan in onze economie.

In onze grote economie kost het dus meer arbeid, meer spul, om ons in leven te houden. Deze intensiveringsparadox is mooi samengevat door Marvin Harris: ‘intensivering leidt onvermijdelijk tot afnemende doeltreffendheid’.* In de on-ontwikkeling die we tegemoet gaan wordt dit effect omgedraaid. Er is per inwoner minder arbeid, energie en land nodig.

Met andere woorden, de kleinschaligheidselegantie van de Slanke Economie zal de hoeveelheid werk die per hoofd van de bevolking nodig is, doen instorten. Er zal nooit genoeg full-time werk voor iedereen beschikbaar zijn. Er zal hyperwerkloosheid optreden. In zo’n ‘slappe’ economie is arbeidsoverschot (oftewel vrije tijd) geen ‘wekloosheidsprobleem’, maar een kenmerk dat eigen is aan het leven, de cultuur en het sociale kapitaal van de betreffende plaats. Toch moet de economie, bij gebrek aan werkloosheidsuitkeringen, zich wel aanpassen om honger en ellende te voorkomen.

De Slanke Economie is aldus het middel om een economie stabiel te houden die niet groeit. De instellingen ervan zijn ontworpen om de kleine schaal te beheren en te beschermen. Dat kan gebeuren door eerlijke verdeling van het werk, door arbeidsintensievere keuzes te maken (zoals in de landbouw), waarbij je tegelijk profiteert van hoge kwaliteit en kleine milieu-impact (al kan dit ook noodgedwongen zijn bij gebrek aan energie en uitrusting). Of je gaat kathedralen bouwen, of dingen maken die meteen weer teniet gedaan worden (carnavalswagens). De Slanke Economie stabiliseren is moeilijk, maar het kan zonder de huidige instrumenten om de economie bij te sturen.

De Slanke Economie zal tegelijkertijd een gemeenschappelijke cultuur van wederkerigheid en vrijheid dragen, als daar enorm afhankelijk van zijn.

Zonder een stevige basis van een nauwkeurig mechanisme als concurrerende beprijzing, hangt alles af van de cultuur. Daarom nog enkele afleveringen over die cultuur.

De markteconomie heeft de netwerken van wederzijdse verantwoordelijkheid waarop het sociale weefsel ooit berustte, zo finaal kapot gemaakt, dat je het je moeilijk kunt voorstellen dat een zelfvoorzienend, capabel en verantwoording nemend burgerschap überhaupt nog een optie is. Toch is die markteconomie historisch slechts een korte onderbreking van de werkelijkheid van zulk burgerschap geweest. Die oude orde was geen commercieel maar een cultureel weefsel. Zo’n organische integratie zal de Slanke Economie weer terug moeten halen. Die cultuur is zowel het ondersteunende referentiekader voor betrokken aanwezigheid, als de conditie van de wederkerige verplichtingen en het gezamenlijke doel om het gat te vullen dat de in onbruik geraakte markt laat vallen. Cultuur zal de creatieve uitdrukking van een gemeenschap zijn, waar deze, en haar leden, hun identiteit aan ontlenen. Ook al begint het met de twijfel en opeenvolgende trauma’s van de cultuurafbraak van het moderne tijdperk, de Slanke Cultuur zal de ziel van een samenleving zijn; zij zal een samenhangend burgerschap tot stand brengen in een publieke sfeer, met een gedeeld oordeel en participatie. Een ondersteunende cultuur is een eerste levensvoorwaarde. Wendell Berry schreef hier kritisch over. Lees het citaat in deze noot.*

We zullen nu drie kenmerken hiervan nader bekijken: welwillendheid, transparantie en congruentie.

Welwillendheid.

Het bestaan van een samenhangende samenleving op basis van een gedeelde cultuur hoeft niet te betekenen dat iedereen van karakter verandert en altruïstisch wordt. Welwillendheid is zeker een integraal onderdeel van een werkzame cultuur, maar ze is niet de manier om die te bereiken; ze is de uitkomst ervan. Het gaat erom het eigenbelang in te kapselen en het in dienst van de gemeenschap te stellen. David Hume (1711-1776) heeft hierover nagedacht en schreef dat de hoofdregel bij een goed ontwerp van sociale arrangementen is ‘dat iedere man verondersteld wordt een schelm te zijn die bij alles wat hij doet geen andere kant kiest dan die van zijn eigenbelang’.*

Een sterke cultuur zit zo in elkaar dat wanneer mensen in eigenbelang handelen, ze dat tegelijk doen in het belang van anderen:

  • Wil je vriendschap sluiten? Dan neem je deel aan een hele reeks van uitwisselingen – cadeaus, spel en rituelen – gebruik makend van een begiftiging van de goede sfeer, van weten hoe het ook alweer toegaat, van het leggen van verbanden en van referentiepunten die de cultuur waar je in zit jou biedt.
  • Wil je met iemand een overeenkomst sluiten zodat je vooruit komt bij een gedeeld doel? Dan voer je discussies en argumenteer je op basis van een gedeelde cultuur, of van een geschiedenis van deelname aan coöperatieve projecten.
  • Wil je dat iemand jou vertrouwt en zou het uitkomen als jij diegene op jouw beurt kan vertrouwen? Dan berust dat vertrouwen op aanwijzingen die niet vervalst kunnen worden. Je glimlacht en hebt plezier om dezelfde dingen. Enthousiasme, loyaliteiten, waarden en herinnering smelten samen. Misschien ga je voor dezelfde professionele standaard, of geloof je op eenzelfde manier in het doel van een instelling waar je bij hoort. Dit zijn zaken die dieper uit lichaam en geest putten dan de laag waar je je direct bewust van bent; uit een spirituele en emotionele diepte die gedurende vele generaties tot rijpheid is gekomen in een gemeenschappelijke cultuur.

De cultuur voorziet in de context voor vertrouwenwekkende ontmoetingen en relaties die essentieel zijn voor het functioneren van de Slanke Economie. Dat vertrouwen is een onontbeerlijk kapitaalgoed dat los staat van andere kapitaalgoederen. Het is zowel de producent als het product van sociaal kapitaal. Het is de noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van een menselijke ecologie waarin besluiten iets te betekenen hebben.* In de Slanke Economie worden de besluiten bovenal gestuurd door vooral niets te doen wat het vertrouwen waarop de sociale samenhang en authenticiteit berusten kan schaden. Dat is een kwetsbaar goed. Door de ontmanteling van het sociale kapitaal gedurende de markteconomie scheurde dat vertrouwen. Die scheuren kunnen zich openbaren als de overgang gestalte krijgt.

Nu over naar transparantie.

Velen vinden transparantie een voorwaarde voor het vertrouwen in beslissingen die genomen worden. Het klinkt logisch dat bijvoorbeeld ziekenhuizen en de overheid kunnen uitleggen waarom ze dingen doen zoals ze ze doen, en wel in de vorm van standaardprocedures die transparant zijn. Dat dekt ze in tegen beschuldigingen van onredelijkheid en het scheelt tijd. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Volledige transparantie houdt in dat iemand die niet betrokken is bij de besluitvorming toch behoorlijk goed kan bepalen hoe het met alle relevante aspecten zit en hoe het besluit tot stand kwam. Daar lijkt veel voor te zeggen, maar als alles volkomen duidelijk is, is er geen behoefte – geen ruimte – om nog iets in vertrouwen aan te nemen.

En er zijn nu eenmaal omstandigheden waarin transparantie afwezig is en ook niet kan bestaan. Bij de kwestie van vertrouwen draait het erom of jij ervan uit kunt gaan dat iemand die beslist het juiste besluit neemt – rationeel en met goede gevolgen voor de betrokkenen – ook al ken je niet alle ins en outs van de omstandigheden, en kom je die misschien ook nooit te weten. Je hoeft de beslisser niet te kennen, noch de betrokkenen; je hoeft niet eens te weten dat er een besluit genomen is.

In zulke omstandigheden, waarin het aan transparantie ontbreekt en er niemand ter verantwoording kan worden geroepen, is de kwestie van vertrouwen niet alleen essentieel, maar is ze alomtegenwoordig en voortdurend aan de orde. We weten vaak niet wat anderen gaan doen, en hebben daar ook geen bijzondere verwachtingen van, zelfs niet wanneer het ons flink kan raken, en vooral niet in nieuwe omstandigheden waarin geen routines gelden. Je hebt natuurlijk redelijke verwachtingen van het gedrag van de piloot van het vliegtuig waarin je zit, of van de tegenliggers op de weg, en dat kun je ‘vertrouwen’ noemen, maar als je denkt dat je het daarmee gehad hebt, zit je ernaast; daar is die term ‘verwachting’ beter op zijn plaats. Vertrouwen slaat op die omstandigheden waarin jij, ondanks een gebrek aan transparantie, verantwoording en mensenrechten, ervan overtuigd bent dat de ander het juiste zal doen.

Een tweede probleem met transparantie is dat het de kwaliteit van besluiten kan beïnvloeden. Soms moet je ook een oordeel vellen waarbij verbeelding en nadenken komt kijken, waarbij je moet durven een zeker risico te lopen, waarvoor je als beslisser enige verantwoordelijkheid op je neemt. Routinebesluiten zijn transparant, de verbeeldingsvolle zijn dat niet. Als je helemaal geen risico wilt lopen, dan moet je je dus wel beperken tot de routines. Als er dan iets onverwachts gebeurt, valt het buiten de routine, werkt de transparantie niet en wordt het vereiste risico niet genomen. In de Slanke Economie hebben we juist behoefte aan een redelijk vertrouwen dat mensen die we nauwelijks kennen en die het misschien anders aanpakken dan wij, het waarschijnlijk toch goed zullen doen.

Ten slotte: bij nader inzien bestaat transparantie eigenlijk helemaal niet. Besluiten in een transparant systeem zijn toch arbitrair. Je kunt wel denken dat principes – zoals ‘ik vind dat kinderen hun natuurlijke neigingen moeten kunnen volgen’ – vanzelf spreken, maar het zijn in feite beweringen die als je ze zou moeten beargumenteren een ingewikkeld, nauwkeurig geanalyseerd betoog zouden vergen. Gemeenplaatsen als goede bedoelingen, het ontlopen van een oordeel, en de veronderstelde betekenis van eerlijkheid en moreel gezag spelen hier immers allemaal in mee. En die gemeenplaatsen zijn eigenlijk helemaal niet transparant.

Transparantie wordt zo gebagatelliseerd tot het niveau van verwachtingen; het brengt besluiten terug tot het niveau van wat veilig voelt, de routine, dat wat makkelijk te verdedigen is, en het versterkt mensen in het geloof in wat ‘vanzelf spreekt’, waar geen behoefte tot nader onderzoek bestaat.

Nee, transparantie is helemaal geen voorwaarde voor het bestaan van vertrouwen – als we een manier willen om onszelf te overtuigen dat ons vertrouwen gerechtvaardigd is, dan zoeken we…

… iets anders.

Congruentie is het cadeau dat jij jezelf tijdens het praten met mensen zonder voorbehoud bloot kunt geven. Daar draait het om. Ze is de eigenschap, of ‘echtheid’, die de psycholoog Carl Rogers onderzoekt, waarbij hij het vooral in de context van lesgeven bespreekt.* De effectieve leraar voelt zich in staat – toegestaan – om als een echte persoon les te geven; ze stapt in een verhouding met de lerende zonder te hoeven doen alsof, of de schijn op te houden, of bepaald te worden door haar officiële rol. Haar gevoelens zijn de hare, ze stapt in een directe ontmoeting met de lerende, in een ‘een op een’-treffen. Zij is zichzelf. Dat betekent niet dat zij het bij het rechte eind heeft, maar wel dat ze gelooft in wat ze zegt. En de lerende heeft, op zijn beurt, niet het gevoel dat hij strategisch hoeft te zijn: hij kan ook eenvoudig zeggen wat hij gelooft: er is congruentie.

Stel je twee mensen voor die met elkaar in contact willen komen, die met elkaar willen communiceren, en dat contact een tijdlang willen voortzetten. Rogers vat de situatie samen:

‘Hoe groter de congruentie in ervaring, besef en communicatie aan de kant van één individu, hoe meer de daaropvolgende verhouding zal inhouden: een tendens naar wederkerige communicatie met een steeds hogere kwaliteit van congruentie; een tendens naar een steeds beter begrip in de wederzijdse communicatie; verbeterde psychologische afstemming en functioneren bij beide partijen; wederzijdse voldoening in de relatie.’*

Het medium hier is persoonlijk. Het is handwerk:

‘De op de persoon gerichte benadering is gebouwd op een fundamenteel vertrouwen in de persoon. Dit is misschien wel het grootste verschil met de meeste instellingen in onze cultuur. Bijna al het onderwijzen, regeren, zakendoen, geloof belijden, en veel van het gezinsleven en van de psychotherapie is gestoeld op wantrouwen in de persoon. Leraren, ouders, opzichters moeten procedures ontwikkelen om te garanderen dat het individu stappen blijft zetten naar het doel: examens, inspecties, ondervragingen. Het individu wordt naar zijn aard als zondig, destructief, lui (of alle drie) gezien – als iemand die voortdurend begeleiding nodig heeft.

De benadering die de persoon centraal stelt, steunt daarentegen op het verwerkelijken van de neiging die in ieder levend organisme huist – de neiging om te groeien, te ontwikkelen, zijn volle vermogen te realiseren. Deze manier van zijn vertrouwt op de constructieve stromingsrichting van het menselijk wezen naar een meer complexe en complete ontwikkeling. Ons doel is om deze stromingsrichting de vrije loop te geven.’*

Als dit gebeurt heeft vertrouwen een kans om te ontstaan – waarbij het zowel tekenen behoeft als uitstraalt die zeggen ‘in deze situatie is het veilig om je vertrouwen te schenken’. Dit gebeurt niet vanzelf; het moet verdiend worden, en het brengt ons zomaar in de kleurrijke, ongeregelde wereld van humor en spel, van gedeelde ervaring, geschiedenis, vrienden, klachten, instituties – de context waarin mensen elkaar kunnen verstaan, en die mensen en gebeurtenissen hun betekenis verleent.

In omstandigheden zonder signalen ontbreekt het niet alleen aan congruentie, het wordt dan zelfs als onethisch beschouwd; het mag geen rol spelen. Het kan niet worden opgelegd en, voor de betreffende overheid, wier beperkingen ze onthult, is het hele begrip onaanvaardbaar. Maar het ontbreken van congruentie houdt in dat ook vertrouwen ontbreekt. Een systeem op deze basis is van zichzelf broos: het kan geen gewicht dragen. Het zal vaak breken, en dat is dan rampzalig. Als het ‘essentiële bouwwerk van vertrouwen’ van Fukuyama (uit de derde noot bij de aflevering 27) eenmaal brandt, dan brandt het snel op.

Het doel om weer congruentie in te bouwen in onze cultuur is bij onze huidige maatstaven zo tegennatuurlijk, dat het misschien nooit zal gebeuren. Oogcontact, gedeelde belangstelling en humor, karakter, goed vertrouwen en een tactiele, zachtaardige cultuur zijn bouwstenen voor samenleving. Als vertrouwen en de congruentie waar die op berust, zich herstellen, zal dat komen vanwege de bouwstenen die de Slanke Economie begint te repareren – met intense en vastbesloten creativiteit, waarbij mensen er bij het stapsgewijze herstel weer in beginnen te geloven.

Het toevoegen van congruentie aan vertrouwen is een duidelijke aanvulling op het begrip vertrouwen dat vanaf aflevering 8 van artikel 2 bij de ‘groepsgeest’ besproken wordt in het kader van wederzijdse steun.

Helaas zijn er voor de versterking van de cultuur spieren van intuïtie en herkenning nodig die verschrompelen als ze niet gebruikt worden, en die nauwelijks nog gebruikt worden als een simpeler alternatief zich aandient. Hier is zo’n alternatief, afkomstig van Adam Smith uit 1776:

‘De mens kan vaak genoeg wat hulp van zijn broeders gebruiken en hij hoeft niet te verwachten dat die alleen uit welwillendheid verleend wordt. Het zal hem eerder lukken als hij hun zelfgenoegzaamheid in zijn voordeel kan aanspreken en hen kan aantonen dat het in hun eigen belang is om te doen wat hij van hen vraagt… Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, brouwer of bakker dat we ons avondeten verwachten, maar vanwege hun blik op hun eigenbelang… Alleen een bedelaar verkiest het om louter afhankelijk te zijn van de welwillendheid van zijn medeburgers.’*

Nou, dat kan zo zijn, zegt Fleming, maar hoe gaat het als de markteconomie niet langer zijn toverkunsten vertoont? Het vergt jaren om een gebroken cultureel weefsel te herstellen. We zien, op een heel ander terrein, namelijk in de landbouw, een voorbeeld van zulk herstel in de dikke mat van verweven grassen die sterk genoeg is om het vee de winter door te helpen. Het kost zeker twintig jaar om dat weefsel weer op te bouwen. Van dat voorbeeld kunnen we wat opsteken. Het gaat tijd kosten om de fundamenten van onze beschaving terug te krijgen, terwijl we er per direct dringend behoefte aan hebben. We zitten met een tijdprobleem.

En misschien is het opnieuw opbouwen van een cultuur wel onmogelijk, zelfs als we er de tijd voor hadden. Is er eigenlijk wel een weg terug? De socioloog Paul Gottfried schrijft in zijn geschiedenis van dat verlies:

‘Ik zie geen enkele mogelijkheid om historisch op onze schreden terug te keren… Je kunt niet zomaar de culturele verworvenheden van het verleden herscheppen, zoals dat kan met architectuur of kookkunst, met openbare werken of ad-hoc comité’s.’*

En dan nog, Gottfried bevroedde vast op geen enkele manier dat grondstoffen zomaar op kunnen raken, of dat het klimaat ineens kan omslaan. Anders zou hij wel hebben toegegeven dat massaproductie en massaconsumptie – die ultieme bronnen van het postmodernisme die gehakt maakten van het idee dat aan bepaalde plaatsen, tradities en teksten betekenis kan worden ontleend – zelf bezig zijn tot het verleden te gaan behoren.

Alleen in een bloeiende markteconomie is het rationeel om vol vertrouwen zelfvervulling na te streven, op eigen houtje, zonder je te bekommeren om de ethiek of het verhaal van de groep en de samenleving waar je toe behoort. Zelfs het klassieke Rome bewandelde die weg maar tot halverwege, omdat het de massamarkt ontbeerde die de basis vormt van het individuele ieder-voor-zich van onze democratische orde. Alle samenlevingen, behalve de markteconomie, erkenden tot op zekere hoogte dat ze hun praktische behoeften niet goed begrepen tenzij ze die konden begrijpen in het kader van de gemeenschap – en de cultuur die daaraan te grondslag lag, die voor hen overeenkwam met de manier waarop ze hun dagelijks leven leidden. De gemeenschap is de habitat van de cultuur. Cultuur is de kern van het gemeenschapsleven; de essentie en het dna ervan. Als de grote orkesten en theatergezelschappen met hun mondiale bereik zich er op toe zouden leggen hun cultuur te lokaliseren, vanwege het huidige planetaire drama, dan zouden ze de clou begrijpen.

Voor de Slanke Economie is het probleem niet het weg bewegen uit onze op de markt gestoelde burgermaatschappij; die zal zo snel vervagen dat we ons nauwelijks kunnen voorstellen dat die er ooit geweest is. De taak is daarentegen om te ontdekken waar de zaadjes van een gemeenschapsethiek, en niet te vergeten van welwillendheid, nog te vinden zijn. Het is het bijeenbrengen van de overblijfselen van de lokale cultuur om die de kans te geven om zijn zelfvertrouwen te herwinnen. We moeten echt weg van een kostbare interesse in cultuur als vermaak, vaak passief en individueel, en overstappen naar cultuur met haar originele, aardse gevoelens van verhalen en viering, van rentmeesterschap en dans, die je vertellen wie je bent, en wie er daar met jou is…

Hier eindigt dit artikel. We zullen David Fleming ook in het volgende artikel nog tegenkomen.