Paradigmaschimmel of elementen van een toekomstanalyse 7
Vooruitgang/verlies – een januskop
JAN VAN ARKEL
Je leest wel dat psychologen stellen dat ‘de’ mens winst heel makkelijk tot zich neemt, waarna het tot het standaardrepertoire behoort, dus er gewoon bij hoort, zonder bijzonder vreugdevol te blijven. Maar dat verlies tot veel heviger emoties leidt. We willen niet verliezen wat we hebben, absoluut niet.
Over zo’n persoonlijke benadering gaat het in dit artikel niet. Het verlies dat hier als eerste uitgebreid besproken wordt, valt in de categorie sociologie, dus verlies dat groepen lijden en soms de samenleving als geheel. De socioloog van dienst is de Duitse Andreas Reckwitz. Hij wordt geïntroduceerd in de volgende aflevering. De inhoud van zijn werk geef ik (gedeeltelijk) weer in aflevering 2 tot en met 13. Daar volg ik zijn betoog zonder commentaar en kritiek, gewoon omdat ik het waardevol vind. Hij behandelt het idee van eeuwige vooruitgang dat voortleeft tot in de huidige laatmoderniteit. Daarin duikt een nieuwe, negatieve verwachtingshorizon op met een steeds openlijker verlieservaring. Er is zelfs sprake van verliesgolven en nieuwe praktijken van ‘doing loss’.
In aflevering 14 tot en met18 geef ik commentaar, kritiek en aanvulling op het werk van Reckwitz. In elk van die afleveringen gebruik ik een andere invalshoek. Dat gaat aan de hand van zaken als: vooruitgang voor wie?, een incompleet beeld, voor de natuur is er slechts verlies, is er sprake van een contradictie van het kapitaal, en tot slot, de verwording van de laatmoderniteit tot eindigheidskapitalisme.
Mijn eigen visie is dat onze maatschappij onherroepelijk in verval zal raken, al is het maar omdat de zaken ons boven het hoofd beginnen te groeien, en daar komen veranderingen in min of meer zelfstandig opererende processen als het klimaatsysteem nog bovenop. Dat gaat leiden tot systemisch verval. Met onze complexe technologie groeit intussen de kans op tijdelijke storingen ook nog eens zienderogen. De technologie opereert in de praktijk als een soort anti-Gaia. Al die oprispingen behandel ik in de afleveringen 19 tot en met 23: zijn we wel voorbereid op een uitval van stroom, internet of pinnen, op lege schappen, op watersnood, of dat iedereen ziek wordt, of op oorlog, of op iemand die de macht grijpt?
Dan ga ik in aflevering 24 en 25 nog even over naar het patroon van dat systemische verval volgens de visie van John Michael Greer. Die voorspelde in 2008 een stapsgewijs verval, van een ineenstorting die in totaal wel eeuwen in beslag kan nemen. We gaan dus veel verliezen, maar stappen waarschijnlijk niet zomaar de afgrond in.
Met de voorthollende ontwikkelingen op allerlei gebied verander je zelf ook mee. Ik heb heel lang gehoopt op ‘bewustwording’ (zoals we dat in de jaren ’70 noemden), maar dat lijkt nu verder weg dan ooit. Het is niet voor niets dat ik in deel 3 en 4 van deze serie aandacht besteedde aan gemeenschappen die als aparte samenlevingseenheden de crisis aanvatten. En tegelijk constateer ik daar dat de deelnemers aan het meest concrete initiatief op dat vlak, de zogenaamde ‘transition towns’, zichzelf niet aan de haren uit het moeras konden trekken. Iedereen zat individueel kennelijk toch te vast in zijn of haar persoonlijke leven om een groot deel ervan aan die nieuwe gemeenschap te besteden. Misschien dat moeilijker omstandigheden daar in de toekomst verandering in zullen brengen. Het lijken me dingen om verder te onderzoeken.
Ikzelf werd recent behoorlijk geraakt door het fantastische boek van Tine Hens met de titel Archief van mogelijk verlies.* Zij duikt in de toestand van allerlei dieren en planten (leeuwerik, kievit, spreeuw, vroedmeesterpad, vuurvlieg, paling, olm en korenbloem), aangetaste zaken (gletsjers, de nacht, stilte) en behandelt kunstsneeuw als nieuw verdienmodel. Algemene informatie, persoonlijke activiteiten en uitingen van betrokkenen worden meesterlijk verweven tot een geheel dat me diep trof. Achterop staat: “Dit boek is een recept voor verwondering en een dam tegen geheugenverlies. Het voedt de liefde voor het leven dat ons omringt.” En zo is het maar net.
In de proloog beschrijft Tine hoe de uitgever haar vraagt of ze haar werktitel Wat we dreigen te verliezen niet wat hoopvoller kan maken, Wat we kunnen redden bijvoorbeeld. Hij vraagt het ‘uit sympathie, voor jouw boek en voor de natuur’. (Die houding lijkt mij precies het probleem waarmee we zitten. Steeds maar hoop willen bieden aan mensen die het verdommen om na te denken over hun eigen rol in het geheel.) Hij stuurde die suggestie natuurlijk uit sympathie, maar ‘…in gedachten ontplofte ik’, schrijft Tine Hens. De uitgever had niet eens goed geluisterd, want de beoogde titel was Archief van een mógelijk verlies, ‘niet zeker verlies, niet vaststaand verlies, niet onomkeerbaar verlies,’ schrijft ze.* Maar helaas voelde ík, toen ik het boek uit had, dat dat ‘mogelijk’ wel weg kon. Er is overduidelijk sprake van groot en voortgaand verlies, in de natuur, in onze maatschappij en in onszelf; de vooruitzichten zijn slecht en dit boek brengt dat als geen ander over. Lees het dus en geef het anderen cadeau.
In dit zevende artikel komt het woord paradigmaschimmel, net als in artikel 6, alweer niet voor. Maar het zal de lezer zonneklaar worden dat het één groot palet is van een illustratie ervan.
In het eerste artikel van deze serie zagen we dat volgens de Duitse socioloog Jens Beckert de kapitalistische moderniteit zonder meer tot een ontwrichting van het klimaat leidt. Dat komt doordat de driehoek van de economie, de publieke sfeer en het publiek (van burgers/consumenten) alle drie in dezelfde, fatale richting werken. Er staat geen echte rem op.
Een andere Duitse socioloog, namelijk Andreas Reckwitz, gaat in zijn boek Verlies – een kernprobleem van de moderniteit diep in op deze maatschappelijke verankering.* Bij hem draait alles om een ‘vooruitgangsimperatief’. Het begrip ‘imperatief’ kun je omschrijven als de dwingende regels, morele opdracht of structurele noodzaak die het menselijk handelen binnen een samenleving stuurt. (Het is dus het onderliggende regime. Denk hierbij aan het thema van deze serie: het paradigma dat steeds verder beschadigd raakt.) Het vooruitgangsnarratief is dan weer gebaseerd op deze vooruitgangsimperatief. Gelukkig gaan we vooruit, vertelt het verhaal.
Reckwitz schrijft dat in de geschiedenis van de modernisering dit vooruitgangsnarratief in de sociale praxis de enige optie is geworden. Deze boodschap van vooruitgang is voor hem hét bepalende kenmerk van onze maatschappij. Hij geeft en passant een opsomming van aspecten van de modernisering die andere wetenschappers juist op de voorgrond plaatsten, maar acht die dus secundair. Bedenk daarbij dat Reckwitz socioloog is en daarom niet bijvoorbeeld economische criteria vooropstelt. Voor hem draait alles dus om het vooruitgangsnarratief. Ik geef die opsomming van andere kernpunten weer in deze noot.*
Systematisch als hij is neemt Reckwitz vier domeinen van de moderne samenleving onder de loep die in hun interne logica en reproductie bijzonder afhankelijk zijn van de werking van deze imperatief, namelijk 1) wetenschap en techniek, 2) economie, 3) politiek en overheid, en ook apart 4) de levensvormen van de leden van een samenleving. ‘De eerste drie zijn institutionele ordes met een eigen systemische dynamiek en een hoge mate van specialisering die tegelijkertijd de moderne samenleving als geheel ingrijpend willen beïnvloeden. De trias ‘wetenschap en techniek, economie en politiek en overheid’ kunnen we volgens hem als de kern van de moderniteit en als gangmaker van haar vooruitgangsgerichtheid beschouwen. Het vierde domein bestaat uit de sociaal-culturele levensvormen, die in milieus of sociale klassen collectief worden gedeeld. Voor de twintigste eeuw geldt dat hierin de ‘middenklasse’ centraal staat. De postburgelijke middenklassen vormen de sociaal-culturele gangmakers van het moderniseringsproces.* Laten we deze vier domeinen wat nader beschouwen.
De (natuur)wetenschappen en de techniek gaven al in de late middeleeuwen een eerste impuls aan het moderne vooruitgangsnarratief en die steun zou verder alleen maar in kracht toenemen. De vooruitgangsbelofte luidde: doordat de samenleving steeds maakbaarder wordt zal het mogelijk blijken om ons van de beperkingen van de wereld van de natuur te bevrijden. Die belofte werd grotendeels ingelost.
Wetenschap en techniek zijn gebaseerd op de fundamentele principes van innovatie, revisie en de cumulatie van kennis. ‘Het doel van de innovatielogica is altijd de ontwikkeling van nieuwe technieken en nieuwe theorieën die beter zijn dan de oude. Het koesteren en handhaven van het klassieke-om-het-klassieke past daarin niet. Het doel is eerder het vervangen van oude kennis (die als ‘achterhaald’ geldt) en verouderde technieken door betere, nieuw ontwikkelde. Innovatie hangt dus samen met revisie: de bestaande kennis en de bestaande technieken staan onder druk van de nieuwe kennis en ontwikkelingen. Wat verouderd lijkt, wordt afgedankt.’
Hierbij cumuleert de kennis, wat een effect van onomkeerbaarheid met zich meebrengt. Er is enkel een lineaire, opwaartse ontwikkeling denkbaar; vooruitgang zonder einde. ‘De wetenschappelijke en technologische ontwikkeling is kortom niet voortdurend onderweg naar een bepaald doel, maar streeft zichzelf steeds weer opnieuw voorbij.’
De kapitalistische economie is hiermee nauw verbonden, maar heeft een eigen dynamiek, namelijk die van creatieve destructie en groei. Oudere goederen en productiewijzen worden verdrongen door nieuwe. Dat zien we zowel op microniveau als op macroniveau. ‘De individuele onderneming streeft binnen de kapitalistische logica van de markt naar een in principe onbeperkte expansie. Tegelijk is de economische groei het centrale kencijfer waaraan de totale – bijvoorbeeld een nationale – economie zich laat meten.’ De vooruitgang is kortom materiële vooruitgang.
‘De dynamiek van de kapitalistische economie voedt zich met positieve toekomstverwachtingen die niets anders zijn dan toekomstficties met een verheugende inhoud. (…) Elke investering – of die nu gedaan wordt in een nieuwe of bestaande onderneming, in de eigen opleiding, in vastgoed of een financieel product – gaat uit van het vertrouwen dat deze in de toekomst zal lonen. Elke kredietopname en elke kredietverlening gaat uit van de positieve toekomstverwachting dat deze zich zal ‘terugbetalen’, zowel bij de kredietnemer als bij de kredietverlener. Aanhoudend negatieve toekomstverwachtingen over falen, mislukking of de ondergang van marktdeelnemers zouden daarentegen het economisch systeem van de moderniteit doen instorten.’
Nu nog verder met politiek en overheid, en met de middenklasse.
Ook de politiek van de moderniteit leeft van de toekomst- en vooruitgangsbeloften, schrijft Reckwitz. Alle partijen streven de systematische verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking na. En de moderne staat ontleent zijn maatschappelijke legitimatie aan het constant uitvoeren van ‘overheidsprojecten’. Ideologie en politieke stromingen mogen maken dat men het niet steeds eens is over wat precies als vooruitgang mag gelden, maar dat dit het realistische doel van politiek handelen moet zijn, dat staat voor iedereen vast. De claim die hier wordt gedaan komt er fundamenteel op neer dat de totale maatschappelijke ontwikkeling naar een betere toekomst zal worden gestuurd.
‘Aansturing, planning, revolutie, hervorming, stuk voor stuk krijgen ze [bij welk programma er ook gevolgd wordt] pas betekenis in het kader van de politieke vooruitgangsimperatief. In dat kader lijkt het ondenkbaar om ervan af te zien en bijvoorbeeld een definitieve stap terug te zetten of daar zelfs ook maar bewust naar te streven. Dat zou een ingrijpende legitimatiecrisis opleveren.’
Waren de agrarische en aristocratische levenswijzen relatief onbeweeglijk, met de opkomst van de burgerij en vooral in de overgang ervan naar de middenklasse is de oriëntering fundamenteel toekomstgericht geworden. De middenklasse wordt volgens Reckwitz gedragen door een drievoudige vooruitgangsbelofte: die van sociale promotie, sociale inclusie en subjectieve zelfontplooiing. Vooruitgang in de wetenschap, de economie en de politiek zijn daarbij voorwaarden. Het uit zich in een steeds uitbundiger consumptie, waarmee de hogere sociale status kan worden uitgedrukt. Tot de sociale inclusie behoort de deelname aan het onderwijs, de gezondheidszorg, sociale voorzieningen en burgerrechten. In het ideale geval leidt dit tot zelfontplooiing die zich uit in het ideaal van een levenslange persoonlijkheidsgroei, waarbij het zelf het patroon van ‘steeds beter’ en ‘steeds meer’ dient te volgen.
Zo is er sprake van een voorwaardelijke vooruitgangsbelofte: het voortdurend presteren tijdens de opleiding en in het beroep, maar ook privé en in het ‘werken aan zichzelf’ gelden als voorwaarde om beloond te worden. Omgekeerd kunnen individuen dan ook verwáchten dat ze beloond worden met promotie, deelname en zelfontplooiing. Ze hebben recht op vooruitgang.
De westerse middenklasse steunt kortom op de basis van de vooruitgangsbelofte. Als die wordt geschonden, moet er rekening worden gehouden met verliezen op de langere termijn, aangezien dan de totale logica van de levenswijze van de middenklasse op losse schroeven komt te staan.
Tot zover mijn verkorte weergave van deze vier domeinen van de moderne samenleving. Reckwitz eindigt dit deel met nog enkele andere eigenschappen van het vooruitgangsnarratief, namelijk collectivum, positieve affectiviteit, het progressieve denkbeeldige, oneindigheid en continuïteit in de discontinuïteit.
‘De vooruitgang betreft de totale samenleving, dat wil zeggen alle institutionele ordes en levensvormen’, totdat hij uiteindelijk de hele Aarde omspant. ‘Hij volgt een homogeniserende, dat wil zeggen uniform makende norm.’
De vooruitgang wordt ervaren. De emoties die worden gemobiliseerd zijn zonder meer positief; denk aan enthousiasme, lust en bevrediging, fascinatie, trots, hoop en vooral nieuwsgierigheid naar het nieuwe. Er is aldus vertrouwen in de toekomst.
Dit concretiseert zich in vrijheid en overvloed, niet alleen voor het individu maar ook voor hele instituties en samenlevingen. De ‘vrijheid van…’ leidt daarbij steeds tot de ‘vrijheid om te…’; dus: waarvoor moet de gewonnen autonomie worden gebruikt? De toestand van overvloed moet op zijn beurt het leven van de mens fundamenteel eenvoudiger maken. De overvloed moet kortom de vrijheid mogelijk maken en de vrijheid de overvloed.
Is er sprake van een eindeloos verschuiven van het doel binnen een oneindig doorgaan en worden de doelstellingen van de vooruitgang steeds weer opnieuw bepaald? Als dat zo is, is eindigheid in de vorm van een mogelijk blijvend verlies van het vooruitgangsgebeuren (of losse onderdelen daarvan) een blinde vlek van het vooruitgangsnarratief.
De heersende rationaliteit maakt de toekomst berekenbaar. Dit stelt ons stabiliteit in het vooruitzicht. De ontwikkeling lijkt te sturen en te plannen. Er is sprake van een ongewone combinatie van dynamisme en stabiliteitsgeloof. De vooruitgang lijkt een logica van de toevoeging te volgen: van het goede wordt niets weggenomen, maar wel wordt er telkens iets nieuws goeds aan toegevoegd.
Als we deze continuïteitsbias die ondanks alle discontinuïteit aan het vooruitgangsnarratief wordt toegedicht, zouden wegnemen, dan zou er van het optimistische verhaal niets meer overblijven.
In het eerste artikel van deze serie zagen we dat dit vooruitgangsgeloof de integriteit van het natuurlijk systeem nu zodanig aantast, dat het einde van die vooruitgang in zicht komt. We dreigen blijvend-verlieservaringen te krijgen, maar dat strookt dus in het geheel niet met het vooruitgangsnarratief. Deze ervaring heeft volgens Reckwitz drie dimensies: die van tijdelijkheid, narrativiteit en affectiviteit.
Waar bij de vooruitgang de discontinuïteit met het verleden positief wordt gewaardeerd, manifesteert de verlieservaring zich negatief, ook als er verlies verwacht wordt dat er nog niet is. Bij de eerste is het een belofte, bij de tweede een bedreiging. Bij de eerste is het heden iets absoluut hedendaags dat het verleden gelukkig achter zich gelaten heeft. De verlieservaring is juist primair op het verleden georiënteerd: in het verleden was de toestand die men nu moet missen namelijk nog een feit.
Bij het idee van vooruitgang hoort het verhaalpatroon ‘over toename, succes, slagen en ontplooiing’. Bij verlieservaringen horen ‘verhaalpatronen over een dramatisch omslaan van het vreedzame in het onhoudbare, van geluk in vertwijfeling, van orde in chaos.’ De lijn van verlies wijst omlaag.
‘De affectiviteit van de vooruitgangsimperatief voedt zich met een positieve grondhouding van nieuwsgierigheid, voorpret, enthousiasme, genoegen en vertrouwen. De affectiviteit van de verlieservaring is er daarentegen een van pijnlijke negativiteit die zich als rouw, angst, schaamte en verbittering naar binnen, of als woede, verontwaardiging en haat naar buiten richt. Tegenover het surplus van de vooruitgang staat het gebrek bij verlies.
Reckwitz schrijft dan nog enkele pagina’s over de discrepantie tussen de vooruitgangsimperatief en verlieservaringen. Ik pik er een paar dingen uit:
Verlies omvat ‘de fundamentele ervaring een machteloos object te zijn van ongewenste invloeden van buiten.’ Gaat de rationele ontwikkeling (van de vooruitgang) ‘steeds verder zonder dat ooit een eindpunt wordt bereikt’[…] ‘de verlieservaring confronteert ons [juist] met de eindigheid, de finaliteit en de vergankelijkheid.’ Datgene wat verloren wordt, zal niet meer terugkeren.
We hebben (in deze toestand, op een wat abstracter niveau) ‘te maken met een subject dat in de kern kwetsbaar is, dat zonder narratieve, emotioneel bepaalde identiteit niet kan bestaan en door het verlies in zijn identiteit geschaad is.’ De vrijheid en overvloed van de vooruitgang bieden hier geen soelaas. Het individu vindt de situatie onbegrijpelijk en vindt in het vooruitgangsnarratief geen verklaring. Voor de samenleving als geheel ondermijnt verlies de drijvende kracht en het normatieve fundament ervan. De subjecten verliezen dan hun vooruitgangsgeloof, en dat ondergraaft de legitimiteit van de vooruitgangsbelofte. Er komt een bom onder deze samenleving te liggen, want het kan van een legitimatiecrisis overgaan naar een motivatiecrisis (waarbij het engagement verdwijnt) en ten slotte naar een systemische crisis (waarbij de samenleving ‘tot stilstand’ komt).
Deze zaken worden samengevat in deze tabel:
| Vooruitgangsimperatief: | Verlieservaring: |
| Verbetering | Verslechtering |
| Gevierde toekomst | Gevierd verleden |
| Empathisch heden | Melancholisch heden |
| Toekomst als belofte | Toekomst als bedreiging |
| Narratief van het succes | Tragisch narratief |
| Positiviteit van emoties | Negativiteit van emoties |
| Overvloed | Gebrek |
| Vormgeving/activiteit | Lijden/passiviteit/onbeschikbaarheid |
| Oneindigheid | Eindigheid/finaliteit |
| Berekenbaarheid | Onberekenbaarheid |
| Een zich bevrijdend subject | Emotioneel gebonden subject |
| Vrijheid en overvloed | Gekwetste identiteit |
Tabel 1: Vooruitgangsimperatief en verlieservaring: twee houdingen ten opzichte van de wereld.
Waar verlies de vooruitgangsimperatief tegenspreekt – zoals in de dood – blijkt doing loss, de verwerking van verlies als samenleving, niet mogelijk. Zulke blijvende, knagende teleurstellingen worden maatschappelijk onzichtbaar gemaakt. Ze zijn er voor het getroffen individu om mee om te gaan, niet voor de samenleving als geheel.
Voor eindigheid is in het vooruitgangsnarratief strikt genomen geen plaats.
Alhoewel Andreas Reckwitz de hele moderniteit behandelt, concentreer ik me hier op wat hij zegt over de laatmoderniteit die in de jaren zeventig van de vorige eeuw al begon, maar in deze eeuw duidelijke contouren aanneemt. Er is sprake van discontinuïteiten, verschuivingen en nieuwe aanvangen die maken dat we in een nieuwe fase van de moderniteit leven.* Er is een wereldkapitalisme ontstaan dat ook de samenlevingen van de eerder nog communistische delen van de wereld en het mondiale Zuiden omvat. De nationale regulering door overheden neemt daardoor in betekenis af. Tegelijk vond er in deze globale context in het Westen een economische verandering plaats van de industriële naar een postindustriële samenleving. De industriële sector verloor zijn rol als kracht die de samenleving vormgeeft aan de tertiaire sector. Die sector bestaat echter uit twee tegengestelde elementen: enerzijds het cognitieve en culturele kapitalisme met zijn kenniseconomie, en anderzijds de eenvoudige dienstverlening (services).
Tegen de achtergrond van deze gepolariseerde postindustrialisatie van de economie ontstaat een nieuwe configuratie van de maatschappelijke structuur: in de plaats van de relatief egalitaire en homogene middenstandssamenleving van de industriële moderniteit op haar hoogtepunt (van 1945-1975), komen nu de sociale ongelijkheid, asymmetrie en politiek-culturele conflicten van een heterogene klassenmaatschappij. Waarin – kort samengevat – een uiterst rijke topklasse; een hooggekwalificeerde, in het stadsleven verankerde nieuwe middenklasse; een traditionele middenklasse als erfgenaam van de industriële moderniteit, én een precaire dienstverleningsklasse tegenover elkaar komen te staan.*
Intussen werd in het politieke domein de nationaal gereguleerde welvaartsstaat afgelost door de wereldwijd georiënteerde, ‘neoliberale’ concurrentiestaat: het maatschappelijke werd grotendeels geëconomiseerd.
In het domein van de techniek vond er met de digitalisering tegelijkertijd een bepalende technologische revolutie plaats, die niet slechts een drijvende kracht van het cognitieve kapitalisme bleek te zijn, maar ook als een soort cultuurmachine de communicatie- en waarnemingsvormen van de cultuur van alledag transformeerde. Belangrijke effecten hiervan zijn de fragmentatie van de openbaarheid en de gepersonaliseerde toegangen tot de wereld in het digitale medium.
In het domein van de cultuur van alledag vond vanaf de jaren zeventig een waardeverandering plaats die een langdurig effect zal hebben en waardoor de waarden rond plicht en aanvaarding zoals de middenstandssamenleving die kende, worden weggedrukt en verdrongen door de zelfverwerkelijkingswaarden van het expressieve individualisme. Die geven op hun beurt een impuls aan de maatschappijpolitieke liberalisering, niet in de laatste plaats voor wat betreft de verhoudingen tussen de genders. Economische en culturele liberalisering gaan zo in de laatmoderniteit hand in hand: beide zijn ze uit op ‘deregulering’, zowel in de economie als in de cultuur.
In de leefwereld – economisch en digitaal-technologisch – werd in dit verband de uniciteit (singulariteit)* van de identiteiten van de subjecten en objecten tot de centrale waarde en tot de valuta van het expressieve individualisme. De maatschappelijke logica van het algemene blijft in deze samenleving op de achtergrond actief, maar de sociale logica van het bijzondere – of die nu betrekking heeft op individuen of op het collectief – wint in de cultuur, de economie en de politiek aan invloed. Dit alles bij elkaar maakt dat de laatmoderne samenleving tegelijkertijd én een samenleving is van maatschappelijke ontgrenzing én van polarisatie. Terwijl de industriële moderniteit over het algemeen begrensd werd door zowel de natiestaat als de nationale cultuur, forceren globalisering, digitalisering en liberalisering sociale grensoverschrijdingen – maar daarnaast ook een groot aantal asymmetrieën en culturele antagonismen tussen de identiteiten en de klassen.
Deze laatmoderniteit wordt nog steeds gekenmerkt door de elementaire tegenspraak tussen vooruitgangsbeloften en verlieservaringen. Wel is, zoals we verderop zullen zien, de omgang met verlies veranderd en veranderen de verliezen zelf ook.